Kostendelersnorm: hoe zwaar is de bewijsplicht?

jurisprudentieDe voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam oordeelt over een zaak waarbij het wel of niet mogen het toepassen van de kostendelersnorm aan de orde is (RBAMS:2015:5503). In een eerder blog schreef ik over twee andere voorlopige voorzieningen. Ook deze zaak gaat over de schriftelijke overeenkomst en commerciële huurprijs als bedoeld in artikel 22a lid 4 onder c Participatiewet (PW).

Waar gaat het om?
Het college past met ingang van 1 juli 2015 de kostendelersnorm – als bedoeld in artikel 22a lid 1 PW – toe op de bijstandsuitkering van belanghebbende. Volgens het college hadden ten tijde van het bestreden besluit drie meerderjarige personen, te weten belanghebbende, [naam 1] en [naam 2], hoofdverblijf in dezelfde woning aan de [adres] te Amsterdam. Dat aantal ontleent het college aan de Basisregistratie Personen (BRP). Twee andere op het uitkeringsadres ingeschreven personen, te weten [naam 3] en [naam 4], betrekt het college op grond van respectievelijk artikel 22a lid 4 aanhef en onder a en d PW niet bij de toepassing van de norm.

Het college legt geen huisbezoek af ter vaststelling van de woonsituatie omdat het college zich (primair) op het standpunt stelt dat twee in de kostendelersnorm betrokken medebewoners niet kunnen worden gerekend tot de in artikel 22a lid 4 aanhef en onder c PW vermelde personen. Het college stelt zich op het standpunt dat de twee andere medebewoners in de kostendelersnorm moeten worden betrokken. Dit omdat belanghebbende zijn schriftelijke overeenkomst van huur met een derde en schriftelijke overeenkomsten van huur van de medebewoners met dezelfde derde niet overlegt. Ook stelt het college zich op het standpunt dat voor de aanname van huur vereist is dat sprake is van een commerciële prijs en van periodieke indexering van de huur. Daarvan is volgens het college niet gebleken.

Belanghebbende maakt bezwaar en verzoekt de rechtbank een voorlopige voorziening te treffen. Hij voert aan dat het college ten onrechte toepassing geeft aan de kostendelersnorm. Hij doet een beroep op artikel 22a lid 4 aanhef onder c PW en stelt in dat verband dat hij de woning zelfstandig en tegen een commerciële prijs huurt en dat hij dat voldoende heeft onderbouwd. Verder stelt hij dat [naam 1] en [naam 3] wel op de eerste etage van hetzelfde adres wonen, maar dat zij niet in dezelfde woning als hij hun hoofdverblijf hebben en ten onrechte door het college in de kostendelersnorm zijn betrokken. Belanghebbende stelt voorts dat [naam 4] zijn inschrijving in de BRP onlangs heeft geëindigd en dat [naam 2] wel ingeschreven staat op het adres, maar daar feitelijk niet woont.

Onderbouwing
Ter onderbouwing van de gestelde huurovereenkomst en commerciële prijs overlegt belanghebbende de volgende documenten:

  • een vonnis van 16 april 2015 van de kantonrechter in deze rechtbank, waarin de kantonrechter heeft vastgesteld dat [naam 5] op grond van een mondelinge overeenkomst aan belanghebbende de woonruimte gelegen op de tweede etage en de slaapkamer gelegen op de zolderetage aan de [adres] voorhuis verhuurt;
  • drie verklaringen van [naam 6], belangenbehartiger van [naam 5], van 13 november 2007, 19 december 2011 en 29 februari 2012. In de verklaring van 13 november 2007 verklaart [naam 6] dat de woning met ingang van 10 december 2007 aan belanghebbende is verhuurd. Verder blijkt uit de verklaringen dat belanghebbende maandelijks een netto huurprijs, waarbij is inbegrepen gas, water en elektra, van respectievelijk € 500,- (met ingang van 10 december 2007), € 600,- (met ingang van 1 januari 2008) en € 640,- (met ingang van 1 januari 2012) betaalt;
  • afschriften van girale betalingen van telkens € 640,- ter zake van de huur van de woning over de maanden april, mei en juni 2015 door belanghebbende aan [naam 5].

Wettelijk kader
Artikel 22a lid 1 PW bepaalt als de belanghebbende met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, de norm per kalendermaand voor de belanghebbende is:

formule KDN
Hierbij staat:

  • A voor het totaal aantal meerderjarige personen dat in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft; en
  • B voor de rekennorm.

Lid 4 aanhef en onder c PW bepaalt dat tot de personen, bedoeld in het eerste lid, worden niet gerekend: De persoon die op basis van een schriftelijke overeenkomst met een derde, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als huurder, onderhuurder of kostganger in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft, mits hij de overeenkomst heeft met dezelfde persoon als met wie de belanghebbende een schriftelijke overeenkomst heeft, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als huurder, onderhuurder of kostganger.

Gelet op wat is aangevoerd ligt de vraag voor of belanghebbende voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat artikel 22a lid 4 aanhef en onder c PW op hem van toepassing is. De eerste vraag die in dit verband moet worden beantwoord is hoe de voorwaarden van ‘schriftelijke overeenkomst’ en ‘commerciële prijs’ als bedoeld in deze bepaling moeten worden uitgelegd. De voorzieningenrechter overweegt daartoe het volgende.

Uitzonderingen kostendelersnorm
Voor de uitleg van de voornoemde wettelijke begrippen zoekt de voorzieningenrechter aansluiting bij de wetsgeschiedenis van artikel 22a PW en de uitzonderingen daarop als bedoeld in lid 4 aanhef en onder c PW.

TK 2013/14, 33 801, nr. 3, p. 59-60  
“Het gaat om personen die weliswaar in dezelfde woning als belanghebbende wonen maar desondanks buiten beschouwing worden gelaten bij de berekening van het totaal aantal personen dat in die woning hoofdverblijf heeft. (…) In de tweede plaats kan zich de situatie voordoen dat tevens andere bewoners dan de belanghebbende op basis van een schriftelijke overeenkomst met de verhuurder als (onder)huurder of kostganger in dezelfde woning wonen als de belanghebbende (onderdeel b lid 5 [red. thans onderdeel c lid 4]).

Of tussen de (onder)huurders en kostgangers onderling de kostendelersnorm geldt, hangt er van af: medebewoners die op basis van een individueel contract een commerciële prijs aan de verhuurder betalen, worden bij de vaststelling van het aantal personen dat in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft, niet meegerekend. Voor zover bewoners op basis van een commerciële overeenkomst met dezelfde verhuurder in de woning hun hoofdverblijf hebben, hebben zij ook onderling een zakelijke relatie. Daarom is ook voor deze situatie een uitzondering gemaakt op de kostendelersnorm. Het feit dat de bewoners eventueel bepaalde voorzieningen delen (bijvoorbeeld hal, keuken en/of badkamer) en er dus van enige kostendeling sprake kan zijn, doet hier niet aan af: dit voordeel is verdisconteerd in de commerciële huurprijs.

Van een onderlinge zakelijke relatie waarvoor de kostendelersnorm niet geldt, is bijvoorbeeld sprake indien gehandicapten in een groepswoning wonen en op basis van een schriftelijke overeenkomst daarvoor een commerciële prijs betalen. In het licht van de hervorming van de langdurige zorg acht de regering het van belang dat mensen in eerste instantie zelf en met hun sociale omgeving een oplossing proberen te vinden voor hun behoefte aan hulp en ondersteuning. Het langer zelfstandig kunnen wonen, kan worden bewerkstelligd door verschillende woonvormen. Indien sprake is van het wonen in groepsverband, waarbij ieder hoofdverblijf heeft in zijn eigen woning of indien leden van een woongroep in één woning wonen en ieder een commercieel contract heeft met de verhuurder, zal de kostendelersnorm niet van toepassing zijn.

Voor zover er weliswaar sprake is van een individueel contract, maar er in feite één prijs wordt opgebracht door de bewoners gezamenlijk, met als gevolg dat het deel van elk van hen onder het niveau van een commerciële prijs zakt, wordt niet meer voldaan aan de criteria voor de commerciële relatie, en geldt de kostendelersnorm. Dat geldt ook als de belanghebbende die op basis van een schriftelijke overeenkomst een commerciële prijs aan de (onder)verhuurder of kostgever betaalt, de woning deelt met een of meer personen die niet een dergelijk contract met deze (onder)verhuurder of kostgever hebben afgesloten.

Bij deze uitzonderingen op de kostendelersnorm kan het alleen gaan om personen die geen bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad zijn. Dit betekent dat indien de belanghebbende huurt of verhuurt van respectievelijk aan een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad, dan wel indien hij de kost geeft aan of in de kost is bij een dergelijk familielid, de kostendelersnorm van toepassing is, zelfs indien er een commerciële prijs is afgesproken.

Uitgangspunt hierbij is dat de relatie tussen dergelijke bloed- en aanverwanten nimmer een zakelijke kan zijn. Er moet sprake zijn van een commerciële prijs; de prijs moet in verhouding staan tot de geleverde prestaties en datgene dat in het commerciële verkeer gebruikelijk is. Dit laatste veronderstelt tevens periodieke aanpassing van de prijs. Als slechts een bijdrage in de kosten of een tegenprestatie voor het mede bewonen wordt geleverd, zoals boodschappen doen of schoonmaken, is geen sprake van een commerciële prijs, en is de kostendelersnorm van toepassing. Het bestaan van de overeenkomst en de commerciële prijs moet aan de hand van schriftelijke stukken kunnen worden aangetoond; ook moet belanghebbende betalingsbewijzen kunnen overleggen.”

Het oordeel van de voorzieningenrechter
De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit de bovenstaande passage uit de wetsgeschiedenis naar voren komt dat betrokkene een door hem gestelde zakelijke huurovereenkomst kan onderbouwen met bijvoorbeeld het overleggen van een individueel contract dan wel een commerciële overeenkomst.
Het overleggen van bewijs heeft tot doel om vast te stellen of sprake is van een zakelijke huurrelatie en van een zakelijke (huur)relatie onderling. Gelet daarop brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter een redelijke wetsuitleg van ‘schriftelijke overeenkomst’ als bedoeld in artikel 22a lid 4 aanhef en onder c PW met zich dat deze voorwaarde ruim moet worden uitgelegd.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat in het licht van deze bepaling voldoende is dat de overeenkomst en de commerciële prijs aan de hand van schriftelijke stukken, waaronder onder meer betalingsbewijzen, aannemelijk wordt gemaakt.

Genoegzaam aannemelijk
Gelet op het voorgaande kan belanghebbende ook met andere schriftelijke stukken dan een schriftelijk huurovereenkomst aannemelijk maken dat hij een huurovereenkomst heeft gesloten. De voorzieningenrechter is in de onderhavige zaak van oordeel dat belanghebbende door overlegging van:

  • het vonnis van de kantonrechter;
  • de verklaringen; en
  • betalingsoverzichten,

genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een zakelijke huurovereenkomst en van een commerciële prijs.

De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat de kantonrechter in het vonnis heeft vastgesteld dat belanghebbende op grond van de overeenkomst gebruik maakt van een woonkamer, een keuken en een slaapkamer en dat hij met andere bewoners een toilet en badkamer moet delen. Verder bestaat er geen grond voor het oordeel dat de maandelijkse huursom van € 640,- voor het gebruik van een dergelijke woonruimte in het commerciële verkeer niet gebruikelijk is. Verder blijkt uit de overgelegde verklaringen dat de huurprijs na aanvang van de huur in december 2007 in elk geval drie maal substantieel is verhoogd, waardoor ook is voldaan aan het vereiste van periodieke aanpassingen.

Schriftelijke overeenkomst en commerciële prijs
Het voorgaande leidt naar het oordeel van de voorzieningenrechter tot de conclusie dat aannemelijk is gemaakt dat belanghebbende als huurder een huurovereenkomst heeft afgesloten met [naam 5], waarbij een commerciële prijs is afgesproken, en dat daarmee sprake is van de in artikel 22a lid 4 aanhef en onder c PW genoemde voorwaarden van ‘schriftelijke overeenkomst’ en ‘commerciële prijs’.

Voldoende inspanningen
De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat belanghebbende voldoende inspanningen heeft verricht om de afzonderlijke huurovereenkomsten die andere bewoners met [naam 5] zijn aangegaan, met schriftelijke stukken te onderbouwen. Hij brengt ter zitting naar voren dat [naam 4] intussen zijn inschrijving op het adres heeft geëindigd en dat hij de drie overige op het adres ingeschreven personen op 12 juni 2015 heeft verzocht om inlichtingen voor het adresonderzoek aan te leveren, wat bovendien uit de door hem overgelegde stukken blijkt. Vast staat dat de andere bewoners, ook na rappel, niet hebben gereageerd. Verder blijkt dat belanghebbende ook andere inspanningen heeft verricht om de feitelijke woonsituatie inzichtelijk te maken door op 15 mei 2015 de Dienst Basisinformatie van de gemeente te verzoeken om een adresonderzoek te starten naar de bewoning van zijn adres. De gemeente heeft dit verzoek inmiddels in behandeling genomen, welk onderzoek ongeveer drie maanden in beslag zal nemen.

Niet redelijkerwijs te vergen
De voorzieningenrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat van belanghebbende niet redelijkerwijs kan worden gevergd nog meer inspanningen te verrichten om de afzonderlijke huurovereenkomsten die andere bewoners met [naam 5] zijn aangegaan, met schriftelijke stukken te onderbouwen. Daarbij acht de voorzieningenrechter mede van belang dat hij geheel afhankelijk is van hun welwillendheid om die stukken aan hem ter hand te stellen en dat het niet in zijn macht ligt om zelf die stukken te verkrijgen. Gelet hierop ligt het op de weg van het college om, indien het college dat gelet op wat hiervoor reeds is overwogen nog nodig acht, nader onderzoek te doen naar de feitelijke situatie ten behoeve van het vaststellen van de kostdelersnorm.

Voorlopige voorziening
Bij deze stand van zaken ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen en het bestreden besluit te schorsen tot op het bezwaar is beslist.

©Ingeborg Lunenburg opleiding + advies

3 Replies to “Kostendelersnorm: hoe zwaar is de bewijsplicht?”

  1. Pingback: Rechtbank Amsterdam: mantelzorg en de kostendelersnorm | Ingeborg Lunenburg Opleiding + Advies

  2. Pingback: Rechtbank Amsterdam: uitzondering kostendelersnorm, commerciële huurprijs | Ingeborg Lunenburg Opleiding + Advies

  3. Pingback: Rechtbank Den Haag: betalingsbewijzen en commerciële huurprijs. Bewijsnood? – Ingeborg Lunenburg Opleiding + Advies

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*

5 + 14 =