Rechtbank Amsterdam: uitzondering kostendelersnorm, commerciële huurprijs

jurisprudentieDe meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam oordeelt over een geschil of het college zich terecht op het standpunt stelt dat geen sprake is van een commerciële huurprijs. Daarbij speelt – volgens de rechtbank – ook de vraag of de eisen die het college in de beleidsvoorschriften stelt aan de huurovereenkomst en de bewijzen van betaling  binnen het wettelijk kader passen (RBAMS:2015:8074).

Waar gaat het om?
Belanghebbende ontvangt een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande met 20 procent woontoeslag. Het college past per 1 juli 2015 de kostendelersnorm – als bedoeld in artikel 22a PW – toe op de uitkering van belanghebbende en handhaaft dat besluit in bezwaar. Daaraan ligt ten grondslag dat belanghebbende –  volgens het college – geen commerciële huurovereenkomst heeft met de verhuurders, zodat de andere twee bewoners van het pand als kostendelers moeten worden aangemerkt. Daaruit volgt dat de bijstandsuitkering met ingang van 1 juli 2015 op 43,33 procent van het wettelijk minimumloon wordt vastgesteld. Volgens de uitkeringsspecificatie voor de maand juli 2015 is dat een bedrag van € 566,11 per maand.1

Belanghebbende komt in beroep. De rechtbank verwijst naar de toepasselijke wettekst van artikel 22a PW.

Ambtshalve aanpassing
Vooraf merkt de rechtbank op dat het in deze zaak gaat om de ambtshalve aanpassing van de bijstandsuitkering aan de kostendelersnorm. Dit betekent dat voor de vraag of sprake is van kostendelers, de bewijslast op het college rust.

Redactionele noot
Ik vraag me af of de volledige bewijslast rust op het college. In geval van dit belastende besluit kan ook worden aangenomen dat het college moet vaststellen dat de kostendelersnorm moet worden toegepast. Voor zover sprake is van een uitzondering als bedoeld in art. 22a lid 4 PW neem ik aan dat de bewijslast op belanghebbende rust (vergelijk RBAMS:2015:5503).

€ 210 per maand is geen commerciële huurprijs
In het onderhavige geval stelt het college zich op het standpunt dat sprake is van kostendelers omdat de uitzondering van artikel 22a lid 4 PW niet op de situatie van belanghebbende van toepassing is. Daarvoor acht het college doorslaggevend dat:

  • € 210 per maand geen commerciële huurprijs is;
  • er geen periodieke indexering van de huurprijs in de overeenkomst is opgenomen; en
  • er geen bankafschriften zijn overgelegd waaruit de huurbetaling blijkt. De door belanghebbende overgelegde kwitanties zijn – volgens het college – niet geschikt als betalingsbewijs.

Standpunt belanghebbende
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het college ten onrechte toepassing geeft aan de kostendelersnorm. In haar situatie is geen verandering gekomen ten opzichte van de WWB. Die situatie is door het college onder de WWB na uitgebreid onderzoek bestempeld als rechthebbende op een uitkering naar de norm van een alleenstaande met een 20 procent woonkostentoeslag omdat er geen sprake is van kostendelers. Het college gaat nu, na 1 juli 2015, zonder nadere motivering uit van de aanwezigheid van kostendelers. Nooit eerder is belanghebbende tegengeworpen dat zij de betaling van huur niet per bank heeft gedaan. Hetzelfde geldt voor het feit dat de huurprijs niet jaarlijks wordt geïndexeerd. Ter zitting voegt zij daar nog aan toe dat de eisen die het college aan de betalingsbewijzen en schriftelijke documenten stelt, verder gaan dan wettelijk is bepaald.

Het geschil
Niet in geschil is dat sprake is van een schriftelijke huurovereenkomst. In geschil is de vraag of het college zich terecht op het standpunt stelt dat geen sprake is van een commerciële huurprijs. Daarbij speelt ook de vraag of de eisen die het college in de beleidsvoorschriften stelt aan de huurovereenkomst én de bewijzen van betaling passen binnen het hiervoor geschetste wettelijk kader.

Commerciële huurprijs volgens het wettelijk kader
“Er moet sprake zijn van een commerciële prijs; de prijs moet in verhouding staan tot de geleverde prestaties en datgene dat in het commerciële verkeer gebruikelijk is. Dit laatste veronderstelt tevens periodieke aanpassing van de prijs. Als slechts een bijdrage in de kosten of een tegenprestatie voor het mede bewonen wordt geleverd, zoals boodschappen doen of schoonmaken, is geen sprake van een commerciële prijs, en is de kostendelersnorm van toepassing. Het bestaan van de overeenkomst en de commerciële prijs moet aan de hand van schriftelijke stukken kunnen worden aangetoond; ook moet een belanghebbende betalingsbewijzen kunnen overleggen.” (TK 2013/14, 33 801, nr. 3, p. 60).

Beleidsvoorschriften commerciële prijs
Het college in kwestie heeft beleidsvoorschriften opgesteld over de commerciële huurprijs. Die luiden als volgt:

Commerciële prijs volgens de beleidsvoorschriften
“Hiermee wordt bedoeld een prijs zoals in het maatschappelijk en economisch verkeer gebruikelijk is. Een belangrijk kenmerk van een commerciële prijs is dat de prijs periodiek wordt aangepast of geïndexeerd. Dit zal ook terug te vinden moeten zijn in de schriftelijke overeenkomst. De overeengekomen (onder)huurprijs moet uiteraard geen ‘vriendenprijsje’ zijn. Bij twijfel of de prijs te laag is voor de gehuurde ruimte, kan altijd de huurprijscheck worden geraadpleegd. In Amsterdam wordt verder geen grensbedrag gehanteerd, om te bepalen of er sprake is van een commerciële prijs. Dit is gedaan omdat de prijs die gebruikelijk is in het maatschappelijk en economisch verkeer, afhankelijk is van meerdere factoren, zoals oppervlakte van te huren ruimte, gebruik gemeenschappelijke ruimten/voorzieningen, locatie, e.d. (Onder)huurders kunnen namelijk altijd een check doen bij de Huurcommissie als zij van mening zijn dat zij een te hoge (onder)huurprijs betalen. Als er in Amsterdam wel een grensbedrag zou worden gehanteerd, dan zou dit tot de vreemde situatie kunnen leiden dat volgens de huurprijscheck iemand een te hoge prijs betaalt (bepaald aan hand van de puntentelling), terwijl de gemeente zegt dat er geen sprake is van een commerciële prijs omdat het bedrag lager is dan een vooraf bepaald bedrag. Daarom zal de gemeente niet oordelen over de hoogte van de (onder)huurprijs, behalve als er twijfels bestaan of het een ‘vriendenprijsje’ is.

Bewijzen van betaling commerciële prijs
Betaling van de commerciële prijs moet gedaan worden aan de hand van bank- of giroafschriften. Een zelf opgemaakte kwitantie of verklaring van de onder(ver)huurder is niet geschikt als betalingsbewijs.”

Huurprijscheck
De rechtbank oordeelt dat de manier waarop het college aangeeft te beoordelen of sprake is van een commerciële huurprijs in beginsel niet op gespannen voet staat met de wet of de wetsgeschiedenis. Het college sluit – in het geval van belanghebbende – aan bij het resultaat van de huurprijscheck van de Huurcommissie. Voor haar woning geeft deze huurprijscheck een maximale maandelijkse huurprijs aan van € 284,71. Volgens de rechtbank kan deze prijs als aanwijzing gelden bij de beoordeling van de vraag of de feitelijk betaalde huurprijs in verhouding staat tot de geleverde prestaties en datgene dat in het commerciële verkeer gebruikelijk is.

Overige omstandigheden
Het college moet daarbij mede acht slaan op de overige omstandigheden van de betrokkene. Voor belanghebbende geldt dat zij al lange tijd – meer dan twintig jaar – een kamer huurt bij dezelfde verhuurders, laatstelijk voor € 210 per maand.
Tegen deze achtergrond acht de rechtbank het verschil tussen de feitelijke huurprijs en de maximale huurprijs niet zodanig dat gesproken moet worden van een ‘vriendenprijsje’ of slechts een bijdrage in de kosten of het leveren van een tegenprestatie voor het mede bewonen, zoals boodschappen doen of schoonmaken. Daarbij is de rechtbank voldoende gebleken dat enige indexering heeft plaatsgevonden, nu de huurprijs recentelijk is verhoogd van € 205 naar € 210 per maand.
De omstandigheid dat de indexering niet in de huurovereenkomst is vastgelegd, zoals volgens de werkwijze van het college is vereist, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten in de wet en de wetsgeschiedenis op grond waarvan die voorwaarde kan worden gesteld.

Huurbetalingen aannemelijk gemaakt
Uit de artikel 22a lid 5 PW en de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat het bestaan van de overeenkomst en de commerciële prijs aan de hand van schriftelijke stukken moet kunnen worden aangetoond en dat een belanghebbende betalingsbewijzen moet kunnen overleggen. Belanghebbende overlegt kwitanties van huurbetaling over de maanden maart, april en mei 2015. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college door alleen bank- en of giroafschriften toe te laten als bewijsmiddel een te enge uitleg gegeven aan het begrip betalingsbewijs in artikel 22a lid 5 PW. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten in de wet en de wetsgeschiedenis voor het standpunt van het college dat dit criterium zo nauw moet worden uitgelegd. Het college betwist de juistheid van de overgelegde kwitanties niet. Evenmin weerspreekt het college dat dergelijke kwitanties in de situatie van belanghebbende jarenlang als betalingsbewijs zijn geaccepteerd. De rechtbank acht in deze zaak dat de huurbetalingen met de overgelegde kwitanties voldoende aannemelijk zijn gemaakt.

Uitzondering: kostendelersnorm niet van toepassing
Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat de situatie van belanghebbende valt onder de uitzondering van artikel 22a lid 4 onder b PW, hetgeen betekent dat de kostendelersnorm in haar geval niet van toepassing is. Het college heeft de uitkeringsnorm dan ook ten onrechte verlaagd. De rechtbank vernietigt het besluit, verklaart het beroep gegrond en herroept het primaire besluit.

Redactionele noot
Ik kan me in principe goed vinden in de uitspraak van de rechtbank. Wel vraag ik me af of iemand die al twintig jaar een kamer huurt met laatstelijk een huurverhoging van € 5 per maand wel onder de uitzondering zou moeten vallen. Daar kun je over twisten. In dat kader is er blijkbaar geen aanleiding geweest om te oordelen over wat het gebodene nu feitelijk inhoudt (vergelijk r.o 8 in RBDHA:2015:9159). Dat valt volgens mij ook onder omstandigheden die ter beoordeling voorliggen. Verder vraag ik me af of het college nu op basis van de artikel 22a lid 5 PW van belanghebbende niet zou mogen eisen dat de betalingen via een overschrijving gedaan moeten worden.

©Ingeborg Lunenburg opleiding + advies


  1. zie schema KDN algemeen en schema KDN uitzonderingen 

Een gedachte over “Rechtbank Amsterdam: uitzondering kostendelersnorm, commerciële huurprijs

  1. Pingback: Rechtbank Oost-Brabant: commerciële huurprijs en kwitanties huurbetaling – Ingeborg Lunenburg Opleiding + Advies

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*