Rechtbank Den Haag: betalingsbewijzen en commerciële huurprijs. Bewijsnood?

Logo_rechtspraakDe Rechtbank Den Haag doet weer een mooie uitspraak over de kostendelersnorm (RBDHA:2015:14814). In deze zaak blijkt dat het college geen duidelijk standpunt inneemt over de vraag of belanghebbende daadwerkelijk huur betaalt. De vraag is of belanghebbende daardoor in bewijsnood verkeert. De geïnteresseerde lezer wordt gewezen op een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam waar de bewijsplicht van de commerciële overeenkomst en de betaling aan bod komt.

Waar gaat het om
In de onderhavige zaak stelt het college de uitkering van belanghebbende met ingang van 1 juli 2015 met toepassing van de kostendelersnorm vast op 50% van het WML en handhaaft dat besluit in een beslissing op bezwaar. Belanghebbende komt in beroep en verzoekt om een voorlopige voorziening te treffen. Die strekt ertoe dat het college wordt gelast het toepassen van de kostendelersnorm te staken.

Feiten en omstandigheden
Belanghebbende huurt daar een kamer in de woning van de heer [naam] (de verhuurder) en staat op dit adres ingeschreven. De verhuurder staat eveneens ingeschreven op dat adres. Bij een herbeoordeling in verband met de invoering van de kostendelersnorm besluit het college de woonsituatie van belanghebbende nader te onderzoeken. Belanghebbende wordt bij brief van 28 januari 2015 verzocht om vóór 14 februari 2015 de volgende gegevens te overleggen:

  • bewijzen van huurbetalingen van de laatste 3 maanden;
  • het huurcontract en/of het laatste bewijs van huurverhoging;
  • schriftelijke verklaring van de relatie met de andere bewoner.

Gegevens
Belanghebbende overlegt een huurovereenkomst, ingaande 2 oktober 2014. Daarin staat dat zij een kamer in de woning van de verhuurder huurt tegen een maandelijkse huur van € 250 inclusief gas, water, elektra en televisie. Ook staat in de overeenkomst vermeld dat zij de keuken, badkamer, wc, balkon en de woonkamer deelt met de verhuurder. Vervolgens neemt het college het primaire besluit.

Beslissing op bezwaar
Het bestreden besluit berust op het standpunt dat de kostendelersnorm zoals bedoeld in art. 22a lid 1 PW op de bijstandsuitkering van belanghebbende moet worden toegepast. Dit omdat zij met een andere meerderjarige persoon op haar adres woont en aan hem geen commerciële huurprijs voor haar kamer betaalt. De maandelijkse huur bedraagt volgens het huurcontract € 250 en voor het aanwezig achten van een commerciële relatie moet op grond van het gemeentelijk beleid een huur van minimaal € 275 worden voldaan. Er zijn geen kwitanties en ook anderszins toont belanghebbende niet aan dat wel sprake is van een commerciële relatie. De uitzondering op toepassing van de kostendelersnorm als bepaald in art. 22a lid 4 aanhef en onder b PW ((per 1 januari 2016 art. 19a lid 1 onder b of c PW)) is daarom niet op haar bijstandsuitkering van toepassing, aldus het college. Dit betekent dat de bijstandsuitkering met ingang van 1 juli 2015 op 50% van het WML wordt vastgesteld. Dat is volgens de bijlage bij het primaire besluit een bedrag van € 686,31 per maand.

Betoog belanghebbende
Belanghebbende betoogt – samengevat – dat de kostendelersnorm niet op haar geval van toepassing is, omdat zij een kamer huurt tegen een commerciële huurprijs. Belanghebbende betwist dat zij € 250 aan huur betaalt. Anders dan in het huurcontract is vermeld, betaalt zij € 350 aan de verhuurder. Dat zij hiervan geen kwitanties krijgt, is bevestigd door de verhuurder. Zij verkeert hierdoor in bewijsnood.

Uitgezonderd van de kostendelersnorm
Art. 22a lid 4 PW ((per 1 januari 2016 art. 19a lid 1 onder b PW)) bepaalt dat tot de personen, bedoeld in het eerste lid, niet gerekend de persoon die op basis van een schriftelijke overeenkomst met een derde, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als huurder, onderhuurder of kostganger in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft, mits hij de overeenkomst heeft met dezelfde persoon als met wie de belanghebbende een schriftelijke overeenkomst heeft, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als huurder, onderhuurder of kostganger. Art. 22a lid 5 ((per 1 januari 2016 art. 19a lid 2 PW)) bepaalt dat de belanghebbende op verzoek van het college de schriftelijke overeenkomst overlegd, bedoeld in het vierde lid, onderdeel b of onderdeel c, over en toont hij de betaling van de commerciële prijs aan door het overleggen van de bewijzen van betaling.

Wetsgeschiedenis
In de Memorie van Toelichting bij de Wet maatregelen Wet werk en bijstand en enkele andere wetten is over de commerciële huurprijs het volgende opgemerkt: “Er moet sprake zijn van een commerciële prijs; de prijs moet in verhouding staan tot de geleverde prestaties en datgene dat in het commerciële verkeer gebruikelijk is. Dit laatste veronderstelt tevens periodieke aanpassing van de prijs.” (TK 2013/14, 33 801, nr. 3, p. 60).

Het oordeel van de rechtbank
Uit de dossierstukken blijkt dat belanghebbende het college bij brief van 19 maart 2015 meedeelt dat haar relatie met de verhuurder enkel zakelijk is. In de door haar in bezwaar overgelegde brief van 24 maart 2015 zet zij het volgende uiteen, wat zij in beroep heeft herhaald. Namelijk dat zij :

  • elke maand € 350 aan de verhuurder betaalt,
  • dat het in de huurovereenkomst vermelde bedrag van € 250 dus onjuist is, en
  • dat zij van de verhuurder geen kwitanties krijgt.

Belanghebbende durft hierover, zo staat ook in de brief vermeld, niet te praten met verhuurder, omdat zij bang voor hem is. Hij heeft eerder gedreigd dat zij de woning moet verlaten en zij geen zicht heeft op een andere woning. Belanghebbende wenst daarom van het college te vernemen wat zij in dit geval moet ondernemen, waarbij zij erop wijst dat het college de verhuurder zou kunnen verzoeken om bewijzen van de betaling van huur te overleggen. Daarnaast wijst zij erop dat zij bankafschriften zal overleggen, waaruit volgens haar blijkt dat zij maandelijks € 350 heeft gepind om de huur mee te betalen.

Verplichting
Op grond van art. 22a lid 5 PW ((per 1 januari 2016 art. 19a lid 2 PW)) is vereist dat belanghebbende een huurovereenkomst én betalingsbewijzen overlegt. Het ligt dus in beginsel op de weg van haar om aan te tonen dat zij daadwerkelijk huur betaalt. Uit de afschrijvingen op de overgelegde bankafschriften valt, zoals gemachtigde van belanghebbende ter zitting ook heeft erkend, niet af te leiden dat sprake is van (contante) huurbetalingen voor haar kamer. Ook heeft zij al in een vroeg stadium aan het college laten weten dat zij geen huurkwitanties kan overleggen, omdat zij deze niet krijgt.

Bewijsnood?
Blijkens het bestreden besluit en het verhandelde ter zitting heeft het college naar aanleiding van de door haar gestelde bewijsnood telefonisch navraag gedaan bij de verhuurder. Volgens het college blijkt uit dat telefonisch contact onder andere dat de verhuurder geen kwitanties verstrekt, omdat hij geen problemen wil. Desondanks heeft het college belanghebbende in het bestreden besluit tegengeworpen dat zij geen kwitanties inlevert waaruit blijkt dat zij huur voldoet en tot welk bedrag. De gevolgen daarvan moeten naar het oordeel van de rechtbank onder de gegeven omstandigheden niet voor rekening en risico van belanghebbende komen. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Rekening houdend met de omstandigheden
Ten eerste houdt het college, gelet op het voorgaande, onvoldoende rekening met de omstandigheid -die ook blijkt uit het telefonisch contact tussen het college en de verhuurder – dat belanghebbende in bewijsnood verkeert. Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking dat uitgangspunt in het bestreden besluit is dat belanghebbende niet heeft bewezen dat zij daadwerkelijk huur betaalt, terwijl het er gelet op de bewoordingen in het bestreden besluit en het verweerschrift op lijkt dat het college uitgaat van een maandelijks door belanghebbende betaalde huurprijs van € 250.

Tweeledig standpunt
Ook ter zitting neemt het college een tweeledig standpunt in. Enerzijds dat belanghebbende niet aantoont dat zij daadwerkelijk huur betaalt voor haar kamer. En anderzijds dat, als het college daarvan wel zou uitgaan, een huurprijs van € 250 te laag is voor het aanwezig achten van een commerciële prijs als bedoeld in art. 22a lid 5 PW. ((per 1 januari 2016 art. 19a lid 1 onder b of c PW)) Bij belanghebbende, die het bestreden besluit zo heeft gelezen dat het college is uitgegaan van een huurprijs van € 250 die zij betaalt voor haar kamer, is terecht de vraag gerezen of het college enkel op basis van die huurprijs, zonder nader onderzoek te hebben gedaan naar de verhouding tussen de betaalde huur en de geleverde prestaties, kon besluiten dat met een dergelijke huur geen commerciële relatie aanwezig is.

Onvoldoende draagkrachtige motivering
Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit dan ook onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd. Verder doet de omstandigheid dat het beleid van het college over het aantonen van een commerciële huurrelatie, voor zover daarin uitgegaan wordt van een minimale huurprijs, de vraag rijzen of dat beleid – gelet op de hiervoor aangehaalde passage uit de Memorie van Toelichting – zich verdraagt met de bedoeling van de wetgever. Echter, alvorens inhoudelijk op deze vragen kan worden ingegaan, zal het college duidelijk moeten maken of hij het daadwerkelijk betalen van huur door belanghebbende als uitgangspunt neemt en zo ja, van welk huurbedrag hij dan uitgaat.

Bestuurlijke lus
Nu het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd, is dit in strijd met art. 7:12 Awb genomen. Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de rechtbank met toepassing van art. 8:51a Awb (de zogeheten ‘bestuurlijke lus’) het college in de gelegenheid stellen het onder r.o. 5.2 en 5.3 weergegeven gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Het college zal duidelijk moeten maken of hij het daadwerkelijk betalen van huur door belanghebbende als uitgangspunt neemt en zo ja, van welk huurbedrag hij dan uitgaat. Als het college van die gelegenheid gebruik wenst te maken, geldt hiervoor een termijn van vier weken. Als het college meer tijd nodig heeft, dan moet hij vóór ommekomst van die termijn de rechtbank gemotiveerd om verlenging verzoeken. Gelet op het bepaalde in art. 8:51b lid 1 Awb draagt de rechtbank het college op haar zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen twee weken na verzending van deze uitspraak, kenbaar te maken of hij gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen. In afwachting van de uitkomst van de bestuurlijke lus houdt de rechtbank iedere verdere beslissing aan.

Voorlopige voorziening
Omdat de rechtbank het college in de gelegenheid stelt het gebrek in het bestreden besluit te herstellen, en de rechtbank voldoende duidelijk is geworden dat belanghebbende daardoor over onvoldoende inkomsten beschikt om in haar levensonderhoud te voorzien, ziet de rechtbank aanleiding om de in het dictum vermelde voorlopige voorziening te treffen. Naar het oordeel van de rechtbank moet het belang van haar bij toewijzing van het verzoek zwaarder te wegen dan het belang van het college bij afwijzing daarvan.

©Ingeborg Lunenburg opleiding + advies

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*

20 − achttien =