Rechtbank Noord-Holland: uitsluitingsgrond jongere, voorlopige voorziening

Logo_rechtspraakDe rechtbank Noord-Holland doet een uitspraak waarbij de uitsluitingsgrond voor jongeren aan bod komt. Het gaat ook om het verzoek van de belanghebbende een voorlopige voorziening te treffen. Geïnteresseerde lezers wijs ik op een eerder blog waarin een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam aan bod komt over dezelfde kwestie.

Rechtbank Noord-Holland 27-01-2014 – RBNHO:2014:2071

De situatie
Het college weigert de aanvraag om toekenning van een uitkering in het kader van de WWB en handhaaft dat besluit in bezwaar. Belanghebbende stelt beroep in en verzoekt een voorlopige voorziening te treffen.

Het oordeel van de voorzieningenrechter
In de procedure gaat het om de aanvraag van 15 april 2013. Op deze aanvraag heeft het college het besluit genomen van 26 juni 2013 en de beslissing op bezwaar is van 21 september 2013. Uit de stukken blijkt dat belanghebbende ook per 15 februari 2013 een aanvraag heeft ingediend. Hierover bevinden zich echter in het dossier geen nadere gegevens. Het college zal op deze aanvraag nog een besluit nemen.

De feiten
Belanghebbende is geboren op 12 januari 1987 en hij is in de periode in geding nog geen 27 jaar. In dit verband is van belang het bepaalde in artikel 13 lid 2 aanhef en onder c WWB. Dit artikellid luidt als volgt:

“Geen recht op bijstand heeft degene: c. die jonger is dan 27 jaar en uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen.”

In de nu voorliggende procedure staat centraal de vraag of belanghebbende in de in geding zijnde periode uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kon volgen. Het college stuurt belanghebbende op 18 april 2013 een brief. Daarin vraagt het college belanghebbende om uit te zoeken of hij weer naar school kan en wanneer de opleiding start. Ook vraagt het college hem twintigtal sollicitaties aan te tonen. Op 29 april 2013 overlegt belanghebbende een betalingsbewijs voor zijn studie in India. Op 3 mei 2013 toont hij de tickets van de reis naar India. Op 16 mei 2013 voert belanghebbende een gesprek bij het college en verteld dat hij op 19 mei 2013 naar India zou vertrekken. Op 7 juli 2013 zou hij weer naar Nederland terugkeren. Het college neemt op 26 juni 2013 het primaire besluit. Daarin stelt het college dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de door hem gestelde vereisten.

Betoog belanghebbende
Belanghebbende voert aan dat hij wel degelijk een opleiding heeft gevolgd, zij het niet op de wijze zoals het college die heeft aangegeven. In India heeft hij een goedkopere en betere opleiding gevolgd dan in Nederland mogelijk zou zijn geweest. Nu wordt hem ten onrechte tegengeworpen dat hij zich niet aan de regels zou hebben gehouden. Nu hij zelf initiatief heeft getoond zou dat beloond moeten worden, aldus belanghebbende

Uitsluitingsgrond
Volgens de voorzieningenrechter volgt uit artikel 13 lid 2 aanhef en onder c WWB dat een belanghebbende die jonger is dan 27 jaar geen recht heeft op bijstand. Het college stelt zich volgens de voorzieningenrechter in verband hiermee terecht op het standpunt dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de vereisten die het college volgens de wet mocht stellen. Ook al heeft belanghebbende met het volgen van de opleiding in India beoogd zijn kansen op betaald werk in Nederland te vergroten, heeft dit niet tot gevolg dat het college gehouden was aan hem de gevraagde uitkering te verstrekken, hoe teleurstellend dit ook voor hem is.

Toekenning bijstand
Ter zitting licht het college desgevraagd toe waarom aan belanghebbende per 15 augustus 2013 een uitkering is toegekend. Volgens het college heeft belanghebbende toen de gevraagde informatie over het volgen van een studie in Nederland ingeleverd. Daarom is per genoemde datum aan hem een uitkering toegekend. Het college meent verder dat van willekeur, dan wel van een reden om belanghebbende op basis van het latere besluit alsnog een uitkering toe te kennen over de periode die nu in geding is, geen sprake is. De voorzieningenrechter onderschrijft dit standpunt. De voorzieningenrechter verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Redactionele noot
In de uitspraak lees ik een nogal stellig oordeel van de voorzieningenrechter. Namelijk dat uit artikel 13 lid 2 aanhef en onder c WWB volgt dat een belanghebbende die jonger is dan 27 jaar geen recht heeft op bijstand. Ik meen dat hier in het algemeen enige nuance op zijn plaats is. Immers volgt uit uit bewoordingen ‘kan volgen’ dat niet een jongere is uitgesloten van het recht op bijstand maar dat zou kunnen zijn.

Aanvraag om bijstand
Bij de aanvraag om bijstand ligt het op de weg van de jongere documenten aan te dragen die het college kunnen helpen bij de beoordeling of hij nog mogelijkheden heeft binnen het uit ‘s Rijks kas bekostigde onderwijs (art. 41 lid 5 WWB).

TK 2010/11, 32 815, nr. 7, p. 3
“Het is de verantwoordelijkheid van de jongere zelf om die inspanningen te verrichten en van de verrichte inspanningen bewijsmateriaal te verzamelen. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om een verklaring van een functionaris van de regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten of om een bindend studieadvies dat onderwijsinstellingen vanaf volgend jaar aan leerlingen kunnen gaan verstrekken.”
TK 2010/11, 32 815, nr. 7, p. 17
“De jongere heeft het heft in de eerste plaats in eigen hand. Als de jongere na de periode van vier weken geen werk of scholing heeft gevonden, kan hij een aanvraag voor bijstand en ondersteuning indienen .”

Stelplicht
Bij een aanvraag om bijstand geldt in het algemeen dat de aanvrager aannemelijk moet maken dat hij in bijstandsbehoeftige omstandigheden verkeert. Een verzoek om een prestatie is namelijk een begunstigend besluit (CRVB:2010:BN2458 en CRVB:2012:BX7290). In de WWB zijn echter nog specifieke regels voor jongeren neergelegd. Een jongere zal de stelplicht dat geen uit Rijks kas bekostigd onderwijs kan worden gevolgd nader moeten onderbouwen (zie de hierboven genoemde Kamerstukken).

Startkwalificatie
Heeft de jongere geen startkwalificatie, maar beschikt hij wel over de capaciteiten om die te behalen, dan is het verdedigbaar om aan te nemen dat alleen zwaarwegende redenen in de weg staan om uit Rijks bekostigd onderwijs te gaan volgen. In RBROT:2013:10061 oordeelt de rechtbank dat het beschikken over een startkwalificatie niet in de weg staat aan het volgen van een opleiding. De jongere moet in voorkomende gevallen aannemelijk maken dat een (beoogde) opleiding niet bijdraagt aan zijn mogelijkheden op de arbeidsmarkt of zoals gezegd dat dit om andere redenen niet van hem kan worden gevergd. Dat sluit aan bij RBDHA:2013:15962. Nemen de kansen op de arbeidsmarkt toe, dan ligt het voor de hand te oordelen dat het volgen van een studie redelijkerwijs van een jongere mag worden verwacht. Daarbij oordeelt de rechtbank dat het college ook moet afwegen of deze opleiding kan worden afgerond voor het 27ste levensjaar.

Werk of scholing
In RBDOR:2012:BY1831 oordeelt de voorzieningenrechter dat het verrichten van 32 uur per week een omstandigheid is die moet worden betrokken bij het oordeel of een jongere in staat is een studie te volgen. Op voorhand is de voorzieningenrechter er niet van overtuigd dat het hebben van betaald werk voor 32 uur verenigbaar is met het volgen van een studie.

Ontnemen van een prestatie
In RBDOR:2012:BX0740 oordeelt de voorzieningenrechter dat toepassing van artikel 13 lid 2 aanhef en onder c WWB  pas dan aan de orde is, als voldoende vaststaat dat de jongere uit ‘s Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen. Dat moet het college aannemelijk maken. In dit geval ontving de jongere bijstand voordat het college de uitsluitingsgrond wilde tegenwerpen. Het college slaagt daar niet in waardoor het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen wordt toegewezen. Zie ook RBDHA:2013:15962 waarin de rechtbank uit de toelichting van het bedoelde artikel concludeert dat het college bij de toepassing daarvan een individuele, op de persoonlijke omstandigheden en mogelijkheden van de jongere toegesneden afweging moet maken.

Onderzoeksbevoegdheid
Tot slot nog iets over artikel 53a WWB. Uit dat artikel vloeit de algemene onderzoeksbevoegdheid voort. Het college heeft een redelijke vrijheid te bepalen welke gegevens en bewijsstukken desgevraagd moeten worden aangedragen om het recht op bijstand dan wel de voortzetting daarvan te kunnen beoordelen. Nu de WWB niet bepaalt welke documenten de jongere moet overleggen heeft het college daarin (enige) beleidsvrijheid. Gegevens of bewijstukken kunnen bestaan uit behaalde diploma’s. Deze maar ook de aangedragen argumenten en omstandigheden zullen door het college moeten worden gewogen voordat de uitsluitingsgrond van artikel 13 lid 2 aanhef en onder c WWB met succes kan worden tegengeworpen. Wegens het ontbreken van jurisprudentie van de Raad valt thans nog niet precies te zeggen hoe de uitsluitingsgrond moet of kan worden toegepast.

©Ingeborg Lunenburg opleiding + advies

Een gedachte over “Rechtbank Noord-Holland: uitsluitingsgrond jongere, voorlopige voorziening

  1. Pingback: Centrale Raad tussenuitspraak scholingsplicht jongere | Ingeborg Lunenburg Opleiding + Advies

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*

een × 3 =