Rechtbank Oost-Brabant: juiste interpretatie begrip commerciële prijs?

Logo_rechtspraakDe Rechtbank Oost-Brabant oordeelt over wetsinterpreterend beleid (RBOBR:2016:2689).
Het gaat over de gedragslijn van het college betreffende het begrip ‘commerciële prijs’.

Overwegingen
Belanghebbende, geboren op 19 maart 1967, huurt van Woonstichting Thuis twee kamers op het adres [adres] voor € 235 per maand, inclusief gas, water en licht. Hij maakt tevens gebruik van een gezamenlijke woonkamer, badkamer en keuken. Op voornoemd adres staan naast belanghebbende twee andere meerderjarige personen ingeschreven. Alle bewoners hebben een individuele huurovereenkomst gesloten met Woonstichting Thuis.

Kostendelersnorm van toepassing
Sinds 3 maart 2008 ontvangt belanghebbende een WWB-uitkering (thans op grond van de PW). In verband met de inwerkingtreding van de PW doet het college onderzoek naar de leef- en woonsituatie van belanghebbende. Het college wijzigt naar aanleiding daarvan de PW-uitkering met ingang van 1 juli 2015 en handhaaft dat besluit, onder verwijzing naar het advies van de commissie, in een beslissing op bezwaar. Daaraan ligt ten grondslag dat belanghebbende zijn woonkosten kan delen met zijn twee medebewoners, waardoor op hem de kostendelersnorm van toepassing is. Om die reden is de hoogte van zijn uitkering gewijzigd naar € 594,80 per maand inclusief 5% vakantietoeslag.

Advies Commissie
In het advies overweegt de Commissie dat het college bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een commerciële huurprijs een vaste, consequente werkwijze toepast (de gedragslijn). Deze gedragslijn houdt in dat een kale huurprijs van minder dan € 229,64 wordt aangemerkt als een niet-commerciële huurprijs. Het college sluit daarbij aan bij de zogenoemde ondergrens aan rekenhuur om voor huurtoeslag in aanmerking te komen. Wanneer een huurprijs niet is gespecificeerd neemt het college 60% van de huursom in aanmerking als kale huurprijs. Nu de tussen Woonstichting Thuis en belanghebbende overeengekomen huurprijs niet is gespecificeerd, wordt uitgegaan van een kale huurprijs van € 141, hetgeen lager is dan de in de gedragslijn gehanteerde normprijs van € 229,64. Om die reden is belanghebbendes huurprijs geen commerciële huurprijs en is op hem de kostendelersnorm onverkort van toepassing.

Beroep
Belanghebbende komt in beroep en voert aan dat het college ten onrechte de kostendelersnorm op hem toepast. Daartoe voert hij allereerst aan dat er zijn geval en zijn medebewoners geen sprake is van het delen van kosten. Verder stelt hij dat door de toepassing van de kostendelersnorm zijn financiële situatie zakt tot onder het bestaansminimum. Hij betoogt daarnaast dat het college bij de toepassing van de kostendelersnorm ten onrechte uitsluitend naar zijn gedragslijn verwijst. Zoals ook blijkt uit de MvT bij de wijziging van de Wet Werk en Bijstand en uit de uitspraken van de voorzieningenrechters van de rechtbanken Den Haag (RBDHA:2015:9159) en Noord-Holland (RBNHO:2015:7882), moet worden beoordeeld of de huurprijs in verhouding staat tot de geleverde prestaties en datgene dat in het commerciële verkeer gebruikelijk is. Het college heeft nagelaten de specifieke situatie van hem te beoordelen.
Voor zover het college zich wel op zijn gedragslijn mocht baseren, stelt hij dat het normbedrag dat uit de Wet op de Huurtoeslag volgt, niet geldt voor een kamer maar voor een gehele woning. 60% van de totale huurprijs van de woning bedraagt meer dan het normbedrag van € 229,64, zodat ook in dat geval de kostendelersnorm niet van toepassing is. Daarbij merkt hij op dat de werkelijke servicekosten lager zijn dan de 40% die het college in de gedragslijn hanteert.
Belanghebbende stelt verder dat hij een evenredig deel van de totale huur betaalt en dat deze totale huur een in het commercieel verkeer gebruikelijke huurprijs betreft. Daarnaast huurt hij de kamers van een professionele verhuurder, zodat ook om die reden sprake is van een commerciële huurprijs. Hij verwijst daarbij naar een uitspraak van deze rechtbank RBOBR:2015:2615.

Oordeel rechtbank
Uit het systeem van art. 22a PW volgt dat voor de vraag of het college terecht de kostendelersnorm op belanghebbende van toepassing acht, niet van belang is of feitelijk sprake is van het delen van kosten. Deze beroepsgrond kan derhalve niet slagen. Verder volgt uit het wettelijk systeem dat voor die beoordeling evenmin relevant is of als gevolg van de toepassing van de kostendelersnorm belanghebbendes inkomen zakt tot onder het bestaansminimum. De wetgever heeft bij de totstandkoming van art. 22a PW uitdrukkelijk situaties als die waarin hij verkeert meegewogen. Het is niet aan de rechter om een oordeel te geven over de uitkomst van die weging. Ook dat betoog kan belanghebbende derhalve niet baten.

Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende samen met twee andere meerderjarige personen zijn hoofdverblijf heeft in dezelfde woning, zodat op hem het bepaalde in art. 22a lid 1 PW in beginsel van toepassing is. Partijen zijn verdeeld over de vraag of het college de huurprijs die hij betaalt, terecht niet heeft aangemerkt als commerciële prijs en daarmee de uitzondering van art. 22a lid 4 aanhef en onder c PW terecht niet aan de orde heeft geacht.

Het college betoogt ter zitting dat in het bestreden besluit ter interpretatie van het begrip ‘commerciële prijs’ als bedoeld in art. 22a lid 4 aanhef en onder c PW, niet de gedragslijn is gehanteerd. De rechtbank volgt het college hierin niet. Daartoe overweegt de rechtbank dat in het advies van de Commissie, dat onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit, immers expliciet de gedragslijn is uiteengezet en vervolgens is toegepast. Ook in het verweerschrift opgesteld voor de hoorzitting betoogt het college uitdrukkelijk dat de kale huurprijs die belanghebbende betaalt, moet worden getoetst aan het normbedrag van € 229,64, zoals omschreven in de gedragslijn. De rechtbank ziet derhalve geen grond voor het oordeel dat in het onderhavige geval op een andere wijze uitleg is gegeven aan het begrip ‘commerciële prijs’ dan in de gedragslijn is beschreven.

Toetsing wetsinterpreterende beleid: integraal
Zoals blijkt uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep is het de exclusieve taak van de rechter om wettelijke begrippen uit te leggen (CRVB:2006:AZ2599). Daarmee is niet gezegd dat het college geen wetsinterpreterend beleid zoals onderhavige gedragslijn mag formuleren, maar deze regels kunnen de rechter niet binden. De rechterlijke toetsing van het wetsinterpreterende beleid is integraal.

Juiste interpretatie?
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of het college met de gedragslijn het wettelijke begrip ‘commerciële prijs’ op een juiste wijze heeft geïnterpreteerd. Daarbij is van belang dat de Participatie geen definitie geeft van voornoemd begrip. Blijkens de MvT bij de wijziging van de Wet werk en bijstand en enkele andere sociale zekerheidswetten houdt een commerciële prijs in dat de prijs in verhouding moet staan tot de geleverde prestaties en datgene dat in het commerciële verkeer gebruikelijk is (TK 2013/14, 33 801, nr. 3, p. 60). Dit laatste veronderstelt tevens een periodieke aanpassing van de prijs.

Gedragslijn
Het college hanteert in de gedragslijn een vaste grens voor het aannemen van een commerciële prijs, zonder daarbij acht te slaan op de geleverde prestaties. Met belanghebbende is de rechtbank van oordeel dat hiermee geen juiste invulling wordt gegeven van het begrip ‘commerciële prijs’. Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een commerciële prijs als bedoeld in art. 22a lid 4 aanhef en onder c PW moeten de feitelijk geleverde prestaties en hetgeen in het commerciële verkeer gebruikelijk is te worden afgezet tegen de huurprijs die belanghebbende betaalt. Het college hanteert in het bestreden besluit dan ook een onjuiste maatstaf, zodat het bestreden besluit een deugdelijke motivering ontbeert. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met art. 7:12 lid 1 Awb.

Finale geschillenbeslechting
Het college heeft ter zitting in aanvulling op het bestreden besluit nader onderbouwd dat, ook gelet op de geleverde prestaties en datgene dat in het commerciële verkeer gebruikelijk is, in het onderhavige geval geen sprake is van een commerciële prijs. Bij dit standpunt heeft het college de totale oppervlakte van de twee door belanghebbende gehuurde kamers betrokken, het feit dat hij tevens gebruik maakt van een gezamenlijke woonkamer, badkamer en keuken, en de staat van onderhoud van het gehuurde. Het college stelt dat belanghebbende geen vergelijkbare woonruimte zal kunnen vinden voor de huurprijs die hij betaalt. Ter onderbouwing daarvan wijst het college op de namens belanghebbende ter zitting gegeven toelichting dat de huurprijs die hij en zijn medebewoners ieder betalen, tot stand is gekomen door de al bestaande huurprijs van de woning te delen door drie. Het college wijst erop dat in het commerciële verkeer de optelsom van afzonderlijke huurprijzen bij kamergewijze verhuur meer bedraagt dan de huurprijs indien de woning in zijn geheel wordt verhuurd. Een kamer die kamergewijze wordt verhuurd wordt immers intensiever gebruikt. Dit komt ook tot uitdrukking in het feit dat de Huurcommissie andere huurprijzen hanteert voor zelfstandige woonruimte dan voor onzelfstandige woonruimte. Gelet hierop concludeert het college dat de huurprijs die belanghebbende betaalt in het commerciële verkeer niet gebruikelijk is.

Geen commerciële huurprijs
De rechtbank volgt het college in dit betoog en is van oordeel dat het college gelet op deze nadere onderbouwing terecht de door belanghebbende betaalde huurprijs niet aanmerkt als commerciële prijs en daarmee de uitzondering van art. 22a lid 4 aanhef en onder c PW terecht niet aan de orde acht. Dat hier sprake is van verhuur door een commerciële verhuurder, zoals belanghebbende betoogt, doet naar het oordeel van de rechtbank aan het voorgaande niet af, al omdat zulks niet op zichzelf bepalend is voor de vraag of er sprake is van een commerciële prijs. Daar komt bij dat voor het feit dat in dit geval door de commerciële verhuurder een niet-commerciële huurprijs is overeengekomen, een verklaring kan worden gevonden in het feit dat belanghebbende en zijn medebewoners destijds als vluchtelingen de woning hebben betrokken. De huurprijzen zijn onder die omstandigheden tot stand gekomen. In zoverre is sprake van een bijzondere situatie die afwijkt van de wijze waarop een huurprijs bij kamergewijze verhuur in het commerciële verkeer doorgaans tot stand komt. Dat hier sprake is van een bijzondere situatie wordt tevens onderstreept door het feit dat belanghebbende aanvankelijk slechts één van beide kamers huurde voor een totale huurprijs van € 250 inclusief gas, water en licht, en nadien beide kamers heeft kunnen huren tegen een lagere huurprijs van € 235 inclusief gas, water en licht.

Rechtsgevolgen in stand
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit met de nadere onderbouwing ter zitting alsnog de rechterlijke toets kan doorstaan. Om die reden ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van art. 8:72 lid 3 aanhef en onder a Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. De rechtbank veroordeelt het college in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 992.

©Ingeborg Lunenburg opleiding + advies

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*

negentien + 8 =