Hoe weerlegbaar is onweerlegbaar?

Art. 3 lid 4 PW bepaalt wanneer er in ieder geval sprake is van een gezamenlijke huishouding als de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning.
Het gaat om vier situaties wanneer gesproken wordt van een onweerlegbaar rechtsvermoeden.
Hoe weerlegbaar is onweerlegbaar eigenlijk? Daarover gaat deze blog update.

Vier situaties
Om te beginnen met de vier situaties van art. 3 lid 4 PW. Als de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:

  1. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of in de periode van twee jaar voorafgaande aan de aanvraag van bijstand voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt;
  2. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander;
  3. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract; of
  4. zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het derde lid.

Er zijn nog een paar algemene zaken die van belang zijn om te weten.

Gezamenlijk hoofdverblijf
Bij de toepassing van het onweerlegbaar rechtsvermoeden is van belang dat het college vaststelt dat de twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning (bijv. CRVB:2014:2898). In de voornoemde uitspraak is het college daarin geslaagd. Nu ook is gebleken dat de vermeende partner de vader is van één van de kinderen van appellante kon het college de aanvraag afwijzen (mede) onder toepassing van het rechtsvermoeden van art. 3 lid 4 onder b.

Internationale verdragen
Art. 3 lid 4 bevat geen belemmering die onverenigbaar is met art. 6 lid 1 EVRM (CRVB:2002:AE0165, CRVB:2002:AE6057, en zie HR:2004:AO4210). In CRVB:2014:3343 oordeelt de Raad dat het onweerlegbaar rechtsvermoeden niet in strijd is met art. 14 EVRM en 26 IVBPR.

Cassatie beroep
Tot slot wordt bekend verondersteld dat partijen tegen het oordeel van de CRvB over de toepassing van art. 3 lid 2 tot en met 5 PW cassatie beroep kan worden ingesteld bij de Hoge Raad (art. 80 PW). De ratio hiervan is de harmonisatiegedachte, aangezien het begrip ‘gezamenlijke huishouding’ op diverse rechtsgebieden een juridisch relevante rol speelt. Denk bijvoorbeeld ook aan het belastingrecht. Zie bijvoorbeeld: HR:2009:BH2580HR:2012:BV1924, HR:2013:BZ6828 en HR:2015:556).

Opvatting wederzijdse zorg (HR:2013:BZ6828)
Blijkens de wetsgeschiedenis heeft de aansluiting bij rechtspraak van de Hoge Raad over art. 1:160 BW betrekking op de voorwaarde van wederzijdse zorg, die een van de elementen vormt van het begrip gezamenlijke huishouding in (thans) art. 3 lid 3 WWB (TK 1985/86, 19 259, nr. 10 en 13). In deze aansluiting ligt niet besloten dat ook de eisen worden overgenomen die in de rechtspraak over art. 1:160 BW worden gesteld aan de aard van de relatie tussen de samenwonenden waaruit die wederzijdse zorg voortvloeit. Uit de parlementaire geschiedenis van de wet waarbij het criterium van wederzijdse zorg in de Algemene bijstandswet is opgenomen volgt daarentegen dat de wetgever subjectieve elementen, zoals de aard van de relatie, niet relevant heeft geacht voor de beoordeling of sprake is van een gezamenlijke huishouding (Handelingen II 1985/86, 66, p. 4367). Deze opvatting is ook tot uitdrukking gekomen bij de parlementaire behandeling van de opvolgende overeenkomstige bepaling in de Algemene bijstandswet (zie TK 1991/92, 22 545, nr. 3 en EK 1994/95, 22 545, nr. 75c). Van dit standpunt is de wetgever bij de invoering van de WWB niet teruggekomen. Ook voor de toepassing van art. 3 lid 3 WWB moet daarom worden aangenomen dat de subjectieve aard van de relatie tussen de samenwonenden niet van belang is (vgl. ook HR 27 september 1991, rek. nr. 7922, NJ 1991/787, overweging 3.4).
Redactioneel: aangenomen moet worden dat hier onder de Participatiewet niet anders over wordt gedacht.

Artikel 3 lid 4 onder a PW
Voor de situatie onder a geldt een temporele beperking van twee jaar (CRVB:2005:AU7657). In art. 3 lid 4 aanhef en onder a Abw is, gelet op de uitleg van de term “eerder” zoals die is gegeven bij de uitspraak van 2 mei 2000, CRVB:2000:AJ96531, sprake van een onderscheid tussen enerzijds ex-gehuwden en anderzijds personen die voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt. De Raad ziet in het kader van de toepassing van art. 3 lid 4 Abw geen wezenlijke verschillen tussen personen die gehuwd zijn geweest en personen die eerder voor de verlening van bijstand als gehuwd zijn aangemerkt.
In de wetsgeschiedenis van deze bepaling worden beide groepen personen tezamen in onderdeel a genoemd. Van enig onderscheid in beide groepen blijkt niet. Weliswaar ontbreekt bij de groep van de ex-gehuwden het woord “eerder”, waaraan de Raad in zijn uitspraak van 2 mei 2000 invulling heeft gegeven, doch dit enkele feit rechtvaardigt naar het oordeel van de Raad niet dat ex-gehuwden inzake de genoemde temporele beperking van het onweerlegbaar rechtsvermoeden in het aannemen van een gezamenlijke huishouding op een andere manier worden behandeld dan de personen die eerder voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt. In beide gevallen gaat het om feiten die zich in het verleden hebben voorgedaan.
Ook in de wetsgeschiedenis van de Wet werk en bijstand, waar in art. 3 lid 4 onder a, de termijn van twee jaar uitsluitend terzake van de personen die voor de verlening van bijstand als gehuwd zijn aangemerkt is genoemd – naar wordt aangenomen als gevolg van de genoemde uitspraak van 2 mei 2000 – kan de Raad voor een verschil in benadering geen aanknopingspunten vinden. In de tekst en in de wetsgeschiedenis van de Abw en de WWB is een – redelijke en objectieve – rechtvaardigingsgrond voor genoemd onderscheid dan ook niet te vinden. Ook anderszins heeft de Raad een dergelijke grond niet gevonden.
Op grond hiervan komt de Raad tot de slotsom dat het in strijd is met art. 26 IVBPR om bij de toepassing van het onweerlegbaar rechtsvermoeden van art. 3 lid 4 Abw in het geval van ex-gehuwden niet ook de temporele werking te hanteren zoals die (inmiddels) wordt gehanteerd bij personen die eerder voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt.

Geen stapeling van rechtsvermoedens (CRVB:2011:BP1488)
Appellant2 heeft in zijn besluit de aanname dat betrokkene en zijn voormalige partner een gezamenlijke huishouding voeren niet gebaseerd op een onderzoek naar het feitelijk bestaan van wederzijdse zorg tussen hen, maar op de eerdere afwijzing van een aanvraag van betrokkene om bijstand als alleenstaande op de grond dat betrokkene gezamenlijk hoofdverblijf heeft met zijn voormalige partner met wie hij een geregistreerd partnerschap had. Het besluit berust daarom op een onjuiste toepassing van art. 3 lid 4 aanhef en a WWB.

Actuele jurisprudentie waarbij het onweerlegbaar rechtsvermoeden terecht is toegepast: CRVB:2020:118, CRVB:2020:8, CRVB:2019:1995CRVB:2018:4012.

Voor de uitvoering
In geval er geen sprake is van echtgenoten als bedoeld in art. 3 lid 1 a tot en met f PW en ook de periode van twee jaar is verstreken, dan zal het college moeten vaststellen of sprake is van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in art. 3 lid 3 PW.

Artikel 3 lid 4 onder b PW
Is uit de relatie een kind geboren of heeft erkenning plaatsgevonden, dan geldt het rechtsvermoeden van art. 3 lid 4 onder b PW. Hierbij geldt geen temporele beperking! Dat wil zeggen: een kind is een kind, ongeacht de leeftijd van het kind (zie HR:2009:BH2580 over het cassatie beroep van het college tegen CRVB:2008:BD4078). De HR oordeelt ook dat onderscheid tussen ex-gehuwden/partners met kinderen enerzijds en ex-gehuwden/ex-samenwoners zonder kinderen anderzijds niet in strijd is internationale verdragen (HR:2009:BH2580).

Datum erkenning kind (CRVB:2014:2375)
Is niet in geschil dat B de biologische vader van de kinderen is, dan is de datum van erkenning van de kinderen niet relevant voor de toepassing van het onweerlegbaar rechtsvermoeden. De onderzoeksbevindingen bieden voldoende feitelijke grondslag voor het oordeel dat sprake was van een gezamenlijk hoofdverblijf.

Bewijslast verklaring (CRVB:2015:3937-ANW)
Wat is de waarde van handgeschreven tekst in de Nederlandse taal op onderzoeksformulier. Betrokkene in kwestie is de Nederlandse taal niet machtig, maar tekent wel. Het is de vraag of hij ook wist waarvoor hij tekende.
Gezien die omstandigheden en in aanmerking genomen dat betrokkene ontkent samen met B een kind te hebben, vormt de handgeschreven tekst geen bewijs dat betrokkene de biologische vader van S is. Dit betekent, bij gebreke van ander bewijs, dat de Svb niet is geslaagd in de op hem rustende bewijslast dat betrokkene de biologische vader van S is. Het onweerlegbaar rechtsvermoeden van art. 3 lid 4 aanhef en onder b Anw is niet van toepassing.

Biologische vader (CRVB:2017:2731)
De beroepsgrond dat het college ten onrechte heeft aangenomen dat uit de relatie tussen appellant en H een kind is geboren slaagt niet. Gelet op de verklaringen van appellant en H heeft het college op goede grond aangenomen dat hij de vader is van de dochter van H (dochter), geboren op [in] 2006, en dat niet een ander de vader is. In dit verband komt in het bijzonder betekenis toe aan het volgende. Appellant heeft op 4 februari 2014 verklaard dat hij altijd contact met H heeft gehad, omdat zij samen een dochter hebben. Hij heeft verklaard dat hij H geen huur betaalde maar dat hij af en toe wat kocht voor de kleine meid. Ook heeft hij verklaard dat het juist is dat hij de vader is van de dochter van H, maar dat hij haar niet heeft erkend. Ter zitting van de rechtbank heeft appellant verklaard dat de dochter niet van hem is. Hij heeft verklaard dat hij voor H zaaddonor is geweest en dat [naam V] (V) het vaderschap op zich heeft genomen. H heeft op 20 november 2014 verklaard dat zij in mei 2013 is geopereerd en dat toen appellant, de vader van haar dochter, kwam om voor hun te zorgen. De door appellant gestelde omstandigheid dat niet volstrekt zeker is dat hij de biologische vader is van de dochter van H leidt, gelet op de afgelegde verklaringen, niet tot de conclusie dat het college niet bij de toepassing van art. 3 lid 4 aanhef en onder b WWB van zijn vaderschap heeft kunnen uitgaan. Onvoldoende aanknopingspunten zijn aanwezig voor de conclusie dat de dochter uit een andere dan uit de relatie tussen H en appellant is geboren.

Actuele jurisprudentie waarbij het onweerlegbaar rechtsvermoeden terecht is toegepast: CRVB:2020:603, CRVB:2020:419, CRVB:2020:1287, CRVB:2020:876 (wel begrenzing in de periode).

Voor de uitvoering
Is er geen sprake van een uit de relatie geboren kind of erkenning van een kind van de een door de ander, dan zal het college moeten vaststellen of sprake is van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in art. 3 lid 3 PW.

Artikel 3 lid 4 onder c PW
Het bepaald onder c gaat over de situatie waarin sprake is van een samenlevingscontract is gesloten. Omdat toepassing van dit onderdeel geen geschillen oplevert blijft het verder buiten bespreking.

Artikel 3 lid 4 onder d PW
En als laatste het onderdeel d. Als betrokkenen op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding als bedoeld in art. 3 lid 3 PW. In het vijfde lid wordt in dat kader verwezen naar het Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding.

Geschiedenis totstandkoming (CRVB:2013:BZ1584)
Art. 3 lid 4 WWB is identiek aan art. 3 lid 4 Abw. Aan de geschiedenis van de totstandkoming van art. 3 lid 4 (TK 1993-94, 22 545, nr. 18, p. 38-39, ontleent de Raad het volgende: “Van de zijde van de gemeenten is bijvoorbeeld gewezen op het feit dat het in de praktijk veelvuldig voorkomt dat betrokkenen zich voor een bepaalde regeling als een eenheid hebben gepresenteerd, terwijl men zich voor de bijstand als een alleenstaande voordoet, alhoewel men nog steeds samenwoont. (…) Het kabinet acht het voor een effectieve handhaving tenslotte noodzakelijk dat voor de beoordeling in de bijstand de presentatie voor een andere regeling doorslaggevend kan zijn. Hiermee wordt tegengegaan dat de betrokkenen zich presenteren op een wijze, al naar gelang het financiële voordeel dat een regeling biedt. Het kan bijvoorbeeld niet zo zijn dat betrokkenen in het aan de bijstandsverlening voorafgaande jaar gebruik hebben gemaakt van de fiscale faciliteit van overdracht van de basisaftrek, terwijl men zich vervolgens in het kader van de bijstand als alleenstaande presenteert. (…) Het is de eigen verantwoordelijkheid van de betrokkenen om ervoor zorg te dragen dat zij – in overeenstemming met de werkelijke situatie – geregistreerd zijn. Als de betrokkene zich in strijd met de feitelijke situatie bij een andere instantie heeft opgegeven als partner, dan is dit geen reden om de registratie als partner niet als uitgangspunt voor de beoordeling van de bijstand te hanteren. Er is immers geen sprake van een administratieve fout, maar van een registratie in overeenstemming met de destijdse bedoelingen van de betrokkene”.
Redactioneel: aangenomen moet worden dat hier onder de Participatiewet niet anders over wordt gedacht.

Fiscale registratie, berekende burger (CRVB:2013:BZ1584)
De bijstandsaanvraag van betrokkene wordt afgewezen omdat hij en een vriend hoofdverblijf in dezelfde woning en er sprake was van fiscaal partnerschap. Betrokken betoogt in de procedure dat het fiscaal partnerschap ongeveer € 420 extra fiscaal voordeel heeft opgeleverd. Dat voordeel is hem ten goede gekomen. Maar als hij had geweten dat het fiscaal partnerschap de consequentie zou hebben dat hij het recht op bijstand zou verspelen, hij en zijn vriend daarvan natuurlijk geen gebruik hadden gemaakt. Het risico dat appellant en R. ook voor de toepassing van de WWB als partners zouden worden aangemerkt, is het gevolg van de opstelling van appellant en dient voor zijn rekening te blijven.

Ten onrechte onweerlegbaar rechtsvermoeden toegepast (CRVB:2017:4208)
Bij belastende besluiten rust de bewijslast in ieder geval op het college. In deze zaak past het college ten onrechte het onweerlegbaar rechtsvermoeden toe op grond van de (de registratie van de) verleende toeslag op Wajong van B.  Dit is immers uitsluitend gebaseerd op de verklaring van B.

Toekenning AIO-aanvulling (CRVB:2019:3385)
Niet in geschil is dat X in de te beoordelen periode een ouderdomspensioen op grond van de AOW naar de norm voor gehuwden met een partnertoeslag van de Svb ontving in verband met het voeren van een gezamenlijke huishouding met appellant. Tevens staat vast dat X en appellant in de te beoordelen periode van de Svb in verband met deze gezamenlijke huishouding een AIO-aanvulling naar de norm voor gehuwden ontvingen. Gelet op het bepaalde in art. 3 lid 2 van het Besluit, in samenhang met het eerste lid, aanhef en onder b ten eerste en ten derde van dat artikel, is door de toekenning van de AIO-aanvulling en het ouderdomspensioen naar de norm voor gehuwden sprake van een registratie als bedoeld in art. 3 lid 4 aanhef en onder d PW.

Voor de uitvoering
Is er geen sprake van een registratie, dan zal het college moeten vaststellen of sprake is van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in art. 3 lid 3 PW.

Individualisering?
Er wordt regelmatig een beroep gedaan op het individualiseringsbeginsel van art. 18 lid 1. Uit de rechtspraak blijkt zonder succes.

  • In CRvB:2013:2845 oordeelt de Raad over het beroep van appellant op het in art. 18 lid 1 WWB neergelegde individualiseringsbeginsel. Dit beroep slaagt niet. Anders dan appellant betoogt, behoefde het college de aanvraag van appellant niet zonder meer te toetsen aan dit beginsel, maar kon hij volstaan met de vaststelling dat art. 3 lid 4 WWB in dit geval van toepassing is. Appellant heeft op zijn aanvraagformulier immers geen beroep gedaan op toepassing van het individualiseringsbeginsel. Onder verwijzing naar de uitspraak CRVB:2002:AE0165, wordt in dit verband verder opgemerkt dat het in het kader van de WWB mede als gehuwd aanmerken van ongehuwden die geacht worden met een ander een gezamenlijke huishouding te voeren, niet geheel uitsluit dat er situaties kunnen zijn waarin aanleiding bestaat om hieraan voorbij te zien en het recht op en de hoogte van de bijstand afwijkend vast te stellen, indien dit gelet op alle omstandigheden noodzakelijk is. Van dergelijke omstandigheden is in het onderhavige geval niet gebleken.
  • Ook in CRVB:2016:2226 wordt een beroep gedaan op het individualiseringsbeginsel van art. 18 lid 1, onder verwijzing naar de uitspraak CRVB:2002:AE0165. Appellanten stellen daartoe dat, gelet op de wijze waarop zij in de woonwagen van appellante leefden, niet kan worden gesproken van een gezamenlijke huishouding. Appellant bereidde bijvoorbeeld zijn eigen maaltijden en hij ontving zijn bezoek in zijn eigen kamer. In deze gestelde omstandigheden heeft het college geen aanleiding hoeven zien om, met voorbij gaan aan het hiervoor genoemde onweerlegbare rechtsvermoeden als gevolg waarvan appellanten geacht worden een gezamenlijke huishouding te voeren, de bijstand afwijkend vast te stellen. Appellanten maken niet aannemelijk dat sprake is van zodanig zeer bijzondere omstandigheden dat het afwijkend vaststellen van het recht op en de hoogte van de bijstand gelet op alle omstandigheden noodzakelijk was. Daarbij is nog van belang dat de aard van de relatie van appellanten, hun subjectieve beleving daarvan en het motief op grond waarvan zij hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben voor de toepassing van de WWB buiten beschouwing blijven. Nu appellanten een gezamenlijke huishouding voerden in de zin van de WWB, moeten zij als gehuwd worden aangemerkt. Appellanten konden om die reden niet langer worden beschouwd als zelfstandig subject van bijstand en hadden dan ook geen recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande.
  • Ook in CRVB:2019:4158 wordt een beroep gedaan op art. 18 lid 1. Dat wil zeggen moet het college de bijstand afwijkend van de gezinsnorm vaststellen? Appellante doet onder verwijzing naar de uitspraak CRVB:2002:AE0165, een beroep op het individualiseringsbeginsel. In de door haar gestelde omstandigheden heeft het dagelijks bestuur geen aanleiding hoeven zien om, met voorbij gaan aan het hiervoor genoemde onweerlegbare rechtsvermoeden als gevolg waarvan appellante en X geacht worden een gezamenlijke huishouding te voeren, de bijstand afwijkend vast te stellen. Appellante maakt niet gemaakt dat zich in haar geval zodanig omstandigheden voordeden dat het afwijkend vaststellen van het recht op en de hoogte van de bijstand gelet op alle omstandigheden noodzakelijk was.
    Daartoe overweegt de Raad het volgende. De stelling van appellante dat zij in de te beoordelen periode geen enkele bron van inkomsten heeft gehad, wordt weersproken door de voorhanden zijnde gedingstukken. Het beroep van appellante op de ontwrichting van de relatie met X slaagt niet. De aard van de relatie met X, de subjectieve beleving daarvan en de reden waarom X zijn hoofdverblijf in dezelfde woning bleef houden als appellante, moeten voor de toepassing van de PW buiten beschouwing blijven. Bovendien heeft appellante de stelling dat zij en X elkaar ‘letterlijk de tent uitvochten’, niet met objectieve en verifieerbare stukken onderbouwd. Dat de Raad voor de Rechtsbijstand bij partners die uit elkaar gaan alvast rekening houdt met de individuele inkomens maakt niet dat in het kader van de PW sprake is van een zodanig omstandigheden die tot individualisering nopen.

Hoe weerlegbaar is onweerlegbaar?
Het kan niet worden uitgesloten dat een besluit gebaseerd op het onweerlegbaar rechtsvermoeden toch met tegenbewijs wordt weerlegd. Voorop gesteld dat het gezamenlijk hoofdverblijf is vastgesteld, is alleen tegenbewijs mogelijk voor zover:

  1. het gaat om het gezamenlijk hoofdverblijf; en
  2. de feiten die reden zijn voor toepassing van het onweerlegbaar rechtsvermoeden.

Betwisten algemeen
Zie bijvoorbeeld CRVB:2015:3307, CRVB:2014:3343 en CRVB:2002:AE0165 waarin de Raad oordeelt dat art. 3 lid 4 belanghebbenden niet belet om zowel het feitelijk bestaan van (een van) de vier daarin omschreven situaties als het daadwerkelijk hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning te betwisten. Daarvoor zullen relevante argumenten moeten worden aangedragen en bewijzen ter onderbouwing daarvan. Die betwisting, de aangedragen argumenten en dat bewijsmateriaal kunnen vervolgens zowel in beroep als in hoger beroep volledig worden getoetst.

Omvang bewijslast college
In CRVB:2010:BO4627 geeft de Raad invulling aan de omvang van de bewijslast bij de toepassing van het onweerlegbaar rechtsvermoeden in geval van een belastend besluit. De Raad oordeelt dat het college moet aantonen dat, in dit geval, de vermeende partner de vader van het kind van appellante was.

©Ingeborg Lunenburg opleiding + advies


  1. niet gepubliceerd op rechtspraak 

  2. het college stelt hoger beroep in 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*

2 × vier =