Bijzondere bijstand. Welke gemeente is bevoegd bestuursorgaan?

Bij scholing over de bijzondere bijstand komt regelmatig de vraag aan bod welke gemeente de aanvraag om bijzondere bijstand mag1 behandelen. Anders gezegd: bij welke gemeente moet de aanvraag worden ingediend.

 

Waarom verwarring?
Bij aanvragen om bijzondere bijstand ontstaat soms verwarring omdat de aanvraag om bijzondere bijstand ingediend moet worden voordat de kosten opkomen (bijv. CRVB:2007:BA8675). Dat wil concreet zeggen: het ontstaan van de betalingsverplichting. Dat de hoogte van de kosten nog niet bekend zijn, staat niet in de weg aan indienen aanvraag (CRVB:2013:BZ9177). Denk bijvoorbeeld aan de kosten van bewindvoering.

Moment opkomen kosten
Het college komt geen beoordelingsvrijheid toe bij de vraag wanneer de kosten zijn opgekomen, maar wel bij de vraag wanneer betrokkene (uiterlijk) zijn aanvraag moet indienen nadat de kosten zijn opgenomen (bijv. CRVB:2016:3026). Veel gemeenten hanteren beleid waarbij met terugwerkende kracht bijzondere bijstand kan worden verstrekt waardoor de verwarring mogelijk ook ontstaat (zie verder hierna).

Domicilie
Art. 40 lid 1 PW bepaalt dat het recht op bijstand bestaat jegens het college van de gemeente waar belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 1:10 en 1:11 van het BW. Dat wil ook zeggen dat betrokkene zijn aanvraag om bijstand moet indienen in de gemeente waar hij ten tijde van de aanvraag woonplaats heeft. Art. 40 lid 1 spreekt over bijstand; dat is algemene bijstand of bijzondere bijstand. Zie voor uitspraken over bijzondere bijstand CRVB:2006:AY3050, CRVB:2015:4745. Dit uitgangspunt geldt ook als de kosten zijn opgenomen in een andere gemeente dan waar betrokkene woonplaats had.

Betrokkene kan in gemeente A woonplaats hebben op het moment dat de kosten opkomen maar in die gemeente geen aanvraag indienen. Betrokkene verhuist naar gemeente B, alwaar hij woonplaats heeft en dient pas dan zijn aanvraag in.
Heeft zo’n aanvraag kan van slagen? Dat is afhankelijk van de vraag wanneer de kosten zijn opgekomen2 en of de gemeente van woonplaats beleid voert wanneer de aanvraag moet worden gediend.

Centrum van zijn maatschappelijk leven
Volgens vaste rechtspraak is voor het antwoord op de vraag waar iemand woont bepalend de plaats waar hij werkelijk woont met zijn gezin en waar het centrum van zijn maatschappelijk leven zich bevindt (CRVB:2011:BT8937). De vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in art. 40 lid 1 moet dan ook beantwoord worden aan de hand van concrete feiten en omstandigheden (zie bijv. CRVB:2017:2810, CRVB:2015:4745, CRVB:2016:123 en CRVB:2018:105).

Inschrijving BRP
Het recht op bijstand is in beginsel gekoppeld aan juiste inschrijving in de BRP, dit in verband met de verificatie van feitelijke woon- en leefsituatie van de belanghebbende. Het doel ervan is bestrijding van fraude door de betrouwbaarheid van adresgegevens in de BRP te vergroten. Echt kan het recht op bijstand niet afhankelijk worden gesteld van juiste inschrijving in het BRP. Bij de afwijzing van een aanvraag kan dan ook niet volstaan met de blote vaststelling dat het feitelijke woonadres niet in overeenstemming is met de inschrijving in de BRP (bijv. CRVB:2010:BN9432CRVB:2008:BD3393).

Kostensoorten
Uit de rechtspraak over bepaalde kostensoorten blijkt wanneer deze opkomen. Dat wil zeggen: dat is de fatale datum waarop de aanvraag om bijzondere bijstand moet zijn ingediend, tenzij de gemeente waar betrokkene woonplaats heeft, buitenwettelijk begunstigend beleid voert dat de aanvraag later  (bijv. 3 maanden) kan worden worden ingediend nadat de kosten zijn opgekomen.

Een paar voorbeelden:

Aanvragen die worden ingediend ná de datum dat de kosten zijn opgenomen, worden afgewezen. Ze zijn niet op tijd ingediend. Dat is alleen anders als he college buitenwettelijk begunstigend beleid voert.

Jurisprudentie
Tot slot nog een uitspraak in dit kader die ik je niet wil onthouden.

Appellante en bewindvoerder is te laat
In CRVB:2020:2119 oordeelt de Raad over de vraag of appellante een verwijt kan worden gemaakt dat de aanvraag niet eerder is ingediend. Appellante voert aan zij niet in staat is zelf haar administratie en financiën te beheren en in dat opzicht afhankelijk is van haar bewindvoerder. De Raad oordeelt dat het de taak is van de bewindvoerder om de vermogensrechtelijke belangen van een onder zijn bewind gestelde persoon zo goed mogelijk te behartigen. Daar maakt het tijdig indienen van de daarvoor benodigde aanvragen onderdeel van uit. De bewindvoerder wacht met het indienen van de aanvraag en dient deze pas in bij de andere gemeente. Die omstandigheid moet voor rekening van de bewindvoerder en daarmee ook voor rekening en risico van appellante worden gelaten (CRVB:2016:3732). Dat volgens appellante het aanleveren van gegevens enige vertraging heeft opgelopen door haar verhuizing en de wisseling van haar begeleider, doet hier niet aan af. Volgens de Raad heeft zij niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd waarom zij de aanvraag pas meer dan een half jaar nadat de kosten waren opgekomen, heeft ingediend.

©Ingeborg Lunenburg opleiding + advies


  1. moet 

  2. lees ook: wat de fatale datum is waarop de aanvraag moet zijn ingediend 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*

3 × 5 =