Annotatie USZ: begeleidende omstandigheden bij de bevoegdheid tot buiten behandeling stellen aanvraag

USZ+OLCRVB:2016:689: Aanvraag ten onrechte buiten behandeling gesteld in verband met ontbreken één bankafschrift. Onzorgvuldige handelwijze bestuursorgaan.
Verschenen in USZ 2016/158 (Sdu uitspraken sociale zekerheid)

Inhoudsindicatie
Ten onrechte buitenbehandelingstelling bijstandsaanvraag. Ontbreken van één bankafschrift. Overige omstandigheden. Geen redelijk gebruik gemaakt van bevoegdheid.

Noot I.M. Lunenburg
1. Geschillen bij de CRvB over de toepassing van art. 4:5 lid 1 onder c Awb zijn talrijk. De bepaling is namelijk een eenvoudig en daarom verleidelijk instrument om aanvragers buiten de poorten van de bijstand te houden. Voordat het college namelijk een inhoudelijk oordeel velt, moeten eerst de bijstandbehoevende omstandigheden worden aangetoond met concrete en objectieve gegevens waarover redelijkerwijs kan worden beschikt. Het college bepaalt in principe welke gegevens het noodzakelijk acht (CRvB 8 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3033 <<USZ>> 2015/346 en CRvB 3 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:701).

2. Er hangt dus wel een inhoudelijke sluier om de bevoegdheid tot het buiten behandeling laten van de aanvraag. Er zit in besloten dat de bestuursrechter in voorkomende gevallen moet beoordelen of de gevraagde gegevens, die niet binnen de aanvultermijn zijn verstrekt, noodzakelijk zijn en zo ja, of het verzuim betrokkene daarom kan worden tegengeworpen om vervolgens te kunnen volstaan met de eenvoudige afdoening (vergelijk CRvB 10 december 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2772). In de onderhavige zaak is de beslissing op bezwaar uitgemond in een ongegrondverklaring, weliswaar met verbetering van de motivering. Aan dat besluit is onder meer toegevoegd dat (toch) nog een bankafschrift ontbrak. Ook ook in beroep trok appellant aan het kortste eind omdat hij – naar het oordeel van de rechtbank – binnen de gestelde aanvultermijn in verzuim is gebleven. Het ontbrekende bankafschrift kan namelijk essentiële informatie bevatten over de financiële situatie van de rekeninghouder om welke reden het nodig is om de aanvraag te kunnen beoordelen. Op zich zelf genomen kan dat juist zijn natuurlijk.

3. Appellant, die inmiddels wel bijstand ontvangt, is aanbeland in hoger beroep waar hij zekerheidshalve het ontbrekende afschrift in geding brengt. Normaal gesproken kan aan het te laat herstellen van een verzuim zoals hier bedoeld geen betekenis meer toekomen (bijvoorbeeld CRvB 6 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3468). Op het betreffende bankafschrift zijn een drietal bescheiden mutaties te zien. Het gaat uiteindelijk om de vraag of het nog ontbreken van één enkel bankafschrift een buitenbehandelingstelling rechtvaardigt. De CRvB overweegt dat het college en de rechtbank kan worden toegegeven dat ook het ontbreken van zelfs één enkel bankafschrift, uit de periode voorafgaand aan de aanvraag, in beginsel tot de conclusie kan of moet leiden dat onvoldoende inzicht bestaat in de financiële situatie van de aanvrager ten tijde van de melding of de aanvraag om bijstand (bijvoorbeeld CRvB 17 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1034). De CRvB loodst ons door een reconstructie van de feiten en omstandigheden.

4. De bevoegdheid tot buitenbehandelingstelling mag, volgens de CRvB, niet steeds en onder alle omstandigheden een automatisme zijn. De begeleidende omstandigheden kunnen zodanig zijn dat elke redelijke twijfel omtrent de bijstandbehoevende omstandigheden van de betrokkene afwezig is of door andere feiten en omstandigheden is weggenomen. De term ‘begeleidende omstandigheden’ ben ik nog niet eerder tegengekomen in de overwegingen (zie verder hierna). Verder overweegt de CRvB dat daarnaast ook de wijze waarop door het college om (nadere) inlichtingen is verzocht zodanig kan zijn dat redelijkerwijs geen gebruik kan worden gemaakt van de in art. 4:5 lid 1 Awb neergelegde bevoegdheid.

5. Gebleken is dat appellant ten tijde van de aanvraag in grote financiële problemen verkeerde, hij had aanzienlijke schulden en is later zelfs persoonlijk failliet verklaard. Tegen die achtergrond constateerde de rechtbank ook al dat uit de stukken die wel zijn overgelegd in ieder geval kan worden afgeleid dat de waarde van de woning aanzienlijk lager is dan de hypotheek die op de woning rust. Het college erkent (desgevraagd) dat er geen concrete aanknopingspunten aanwezig waren om te veronderstellen dat op het enige ontbrekende bankafschrift substantiële mutaties te zien zouden zijn, laat staan dat dit nog zijn doorwerking zou hebben in de periode vanaf de melding om bijstand. Dit lijkt er op dat de buitenbehandelingstelling op de automatische piloot is gedaan. Dat wil zeggen: strikt volharden in het willen ontvangen van dat ene ontbrekende bankafschrift. Je zou verder kunnen zeggen dat het college zelf al antwoord geeft op de vraag of het wel in redelijkheid gebruik mocht maken van de bevoegdheid tot buitenbehandelingstelling. Toch overweegt de CRvB eerst nog dat in de gegeven context de nodige vraagtekens moeten worden geplaatst bij de noodzaak van het vasthouden aan de eis dat het ontbrekende bankafschrift nog steeds moest worden overgelegd voordat tot een inhoudelijke beoordeling kon worden overgegaan.

6. Dan komt de vraag aan bod hoe het college verder heeft gehandeld. Volgens de CRvB verdient het allemaal geen schoonheidsprijs, het was zeker niet zorgvuldig te noemen. Dat kan ik alleen maar onderschrijven. Er is gaandeweg een tamelijk afwachtende houding door het college aangenomen door zelf geen actie te ondernemen en/of niet door te vragen op het moment dat dit was aangewezen. Zo reageert het college niet op het schriftelijke verzoek van appellant om opheldering (bij herstel verzuim binnen de eerst gegeven aanvultermijn). Ook vraagt het college daarna in de tweede aanvultermijn niet specifiek om het nog ontbrekende bankafschrift. Gelet op de omstandigheden bestond daar wel aanleiding voor. Appellant had namelijk op het wel door hem ingeleverde bankafschrift een aantekening gemaakt waaruit het college af kon (ik zou zeggen: had moeten) leiden dat hij ervan uitging dat hij het in geding zijnde ontbrekende bankafschrift al eerder had ingeleverd. Zoals gezegd is het bestreden besluit met deze aanvullende motivering afgedaan.

7. Ik vraag me af of de nieuw geïntroduceerde bewoordingen ‘begeleidende omstandigheden’ nodig zijn om tot het oordeel te komen. De CRvB spreekt zich niet expliciet uit over de vraag of het gevraagde bankafschrift onverminderd noodzakelijk bleef om het recht op bijstand vast te stellen en of het college daarom in beginsel wel bevoegd was tot buitenbehandelingstelling van de aanvraag. Je zou je kunnen afvragen of het vast te stellen verschil in saldi – op basis van de wel beschikbare afschriften – daar niet voldoende aanleiding voor had gegeven. Er zijn immers (achteraf) een drietal mutaties gebleken. Volgens de CRvB zijn het echter de gegeven omstandigheden die maken dat in ieder geval in redelijkheid geen gebruik kon worden gemaakt van deze bevoegdheid. Het college verklaart desgevraagd dat er, mede gelet op het verhandelde ter zitting, geen inhoudelijke beletselen zijn om appellant bijstand te verlenen. Daarbij merk ik op dat het college door de inmiddels toegekende bijstand geen beletselen heeft gezien in het hier in geding zijnde ontbrekende bankafschrift. Tot slot rest dan nog de inkopper. De CRvB voorziet zelf: aan appellant komt bijstand toe over de periode vanaf de melding tot de datum met ingang waarvan aan hem reeds algemene bijstand was toegekend. Hoe het ook zij, voor appellant een mooie uitkomst.

©Ingeborg Lunenburg opleiding + advies

2 gedachten over “Annotatie USZ: begeleidende omstandigheden bij de bevoegdheid tot buiten behandeling stellen aanvraag

  1. L.S.

    Ik vraag mij dus af als ik dit lees in hoeverre de term; bovenmatig van toepassing is en waarom dat kader dus niet wordt besproken door de CRvB.

    Immers, al met al zal 1 bankafschrift geen dusdanige vermogens-bestanddelen kunnen blijkens de voorliggende feiten en omstandigheden dat de appellant dus al de zaken waarover hij redelijkergewijs kon beschikken had overgelegd.

    Hoewel een mooie uitspraak voor appellant, laten de rechters in kwestie duidelijkheid en rechtszekerheid te wensen over. Voor de duidelijkheid; ook dat verdiende en verdient (wederom) geen schoonheidsprijs van de rechters in kwestie. Overwegende dat het toch wel bekend is dat; rekken door gemeenten heden ten dagen geld oplevert. Collectief zo een +/- van 310.000.000 in het kader van de WMO 2015. En ook daar stonden en staan ze bij en kijken er na.

  2. Pingback: Annotatie USZ: kosten inhuren privé-detective. Noodzakelijke kosten? – Ingeborg Lunenburg Opleiding + Advies

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*

vijf × 4 =