Annotatie USZ: kosten inhuren privé-detective. Noodzakelijke kosten?

CRVB:2017:2166. Zij de kosten voor het inhuren van een privé-detective noodzakelijke kosten in de zin van art. 35 lid 1 WWB (thans Participatiewet)?

USZ+OLVerschenen in USZ 2017/273 (Sdu uitspraken sociale zekerheid)

Inhoudsindicatie
Aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van een onderzoek door een privédetective.

Noot door I.M. Lunenburg
1. De CRvB doet een uitspraak over de afwijzing van een aanvraag om bijzondere bijstand waarin de aangevallen uitspraak wordt vernietigd, de beslissing op bezwaar wordt vernietigd maar de rechtsgevolgen van dat vernietigde besluit in stand worden gelaten. Op zich hoeft een dergelijk oordeel niet bijzonder te zijn. Deze uitspraak is lezenswaardig omdat het oordeel van de CRvB gebaseerd is op gegevens die beschikbaar zijn gekomen nadat het college de beslissing op het bezwaar heeft genomen en die dus niet (meer) betrokken konden worden bij de besluitvorming. Ook blijkt in deze zaak weer eens wat de aard van de bevoegdheid (reikwijdte) van het college is bij het verlenen van bijzondere bijstand.

2. Waar gaat het om? Appellante vraagt bijzondere bijstand aan voor de kosten van het inhuren van een privédetective ter hoogte van € 11.238,48. Deze detective heeft de opdracht onderzoek te doen naar (vermeende) zwarte inkomsten van haar ex-echtgenoot. Met de uitkomsten van dat onderzoek wil appellante aantonen dat haar ex een hogere draagkracht heeft. De rechtbank heeft de hoogte van de kinderalimentatie namelijk vastgesteld op basis van gegevens die de ex-echtgenoot zelf heeft verstrekt.

3. Het college wijst de aanvraag, ook na bezwaar, af op de grond dat de kosten van het inhuren van een privédetective niet behoren tot de noodzakelijke kosten van het bestaan. Het (bestreden) besluit berust op de motivering dat de hoogte van de kinderalimentatie is vastgesteld op basis van gegevens die door de ex-echtgenoot van appellante zelf zijn verstrekt en door de rechtbank zijn getoetst, waarmee de verplichting tot het betalen van het bedrag voldoende en valide vast is komen te staan. Het instellen van beroep baat appellante niet, want de rechtbank volgt het college en verklaart het beroep ongegrond.

4. Appellante komt in hoger beroep en voert aan dat zij alleen met het onderzoek van een privédetective kon aantonen dat haar ex-echtgenoot een hogere draagkracht had. Op die grond zijn de kosten – volgens haar – wel noodzakelijk. Het inhuren van de privédetective heeft ook daadwerkelijk zoden aan de dijk gezet. Dat blijkt uit het feit dat het Gerechtshof Den Haag (Hof) – mede op basis van het onderzoek door de privédetective – heeft geoordeeld dat haar ex-echtgenoot inderdaad zwarte inkomsten genoot. Op grond daarvan is de kinderalimentatie door het Hof hoger vastgesteld.

5. Voordat wordt ingegaan op de gronden van het (hoger) beroep bakent de CRvB de omvang van het geschil af. Het gaat in deze zaak uitsluitend om de vraag of de kosten van het inhuren van een privédetective noodzakelijk zijn in de zin van art. 35 lid 1 WWB (thans Participatiewet). Het antwoord op deze vraag dient door de bestuursrechter vol te worden getoetst (zie bijv. CRvB 28 februari 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV3103, <<USZ>> 2006/139). Nu appellante algemene bijstand ontvangt voor de kosten van het levensonderhoud wordt aangenomen dat het oordeel van de CRvB over de noodzaak van de kosten mede voortvloeit uit het beginsel van complementariteit dat aan de bijstand ten grondslag ligt. Het betreft in dat geval geen kosten die voortkomen uit een eigen keuze (vergelijk CRvB 9 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2962).

6.  De CRvB is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de kosten van het inhuren van een privédetective zonder meer niet zijn aan te merken als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten, omdat het doel van het onderzoek door de privédetective was het veilig stellen van inkomsten uit kinderalimentatie. Omdat de rechtbank dit niet heeft onderkend, kan de CRvB niet anders dan de aangevallen uitspraak vernietigen wegens strijd met art. 7:12 lid 1 Awb en dient hij te beoordelen of de rechtsgevolgen van het te vernietigen (bestreden) besluit in stand kunnen blijven.

7. De vraag is vervolgens of in dit geval bijzondere bijstand had moeten worden toegekend voor het inhuren van een privédetective. Voor het antwoord op die vraag acht de CRvB de inhoud van de beschikking van het Hof waarin de kinderalimentatie hoger is vastgesteld van betekenis. In die beschikking heeft het Hof als volgt geoordeeld. Appellante heeft niet aangetoond dat er een noodzaak bestond kosten te maken tot een zodanig hoog bedrag als zij heeft gedaan, aangezien reeds op basis van het voorlopig rapport van de privédetective kon worden overgaan tot het opnieuw vaststellen van de draagkracht van de ex-echtgenoot en de door hem te betalen kinderalimentatie. De kosten van dat rapport bedragen € 4.500,- voor welk bedrag de ex-echtgenoot van appellante moet opdraaien.

8. Aldus is het aannemelijk dat de kosten tot een bedrag van € 4.500,- noodzakelijk waren in de zin van art. 35 lid 1 WWB. Nu het Hof echter ook heeft geoordeeld dat de ex-echtgenoot van appellante deze kosten moet dragen, stelt de CRvB vast dat in de kosten is voorzien. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB vloeit uit art. 35 lid 1 WWB in samenhang met art. 11 lid 1 WWB voort dat geen bijzondere bijstand wordt verleend voor kosten waarin op het moment van de aanvraag al is voorzien (bijv. CRvB 11 december 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BC0717 en CRvB 7 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1066). De zinsnede ‘op het moment van de aanvraag’ uit de voornoemde uitspraken lijkt de CRvB – zonder die rechtspraak overigens expliciet te noemen – ruim uit te leggen, omdat in de gemaakte onderzoekskosten op het moment van de aanvraag juist nog niet was voorzien. Echter bij het antwoord op de vraag of de rechtsgevolgen in stand kunnen worden gelaten, worden door de CRvB alle omstandigheden ex-nunc meegewogen (vgl. CRvB 5 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1271, <<USZ>> 2016/146 en CRvB 23 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:689 <<USZ>> 2016/158, m.nt I.M. Lunenburg).

©Ingeborg Lunenburg opleiding + advies

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*