Centrale Raad: jongere maakt medische problemen niet aannemelijk

jurisprudentieDe Raad doet wederom een uitspraak over de vraag of het college de uitsluitingsgrond van art. 13 lid 2 onder 1° WWB kan toepassen omdat de jongere uit ‘s Rijks kas onderwijs – waarvoor aanspraak bestaat op WSF-2000 – maar dat nalaat (CRVB:2015:2623). In deze uitspraak komt naar voren dat als de jongere niet in staat is het onderwijs te volgen, hij dat ook niet hoeft (natuurlijk). De uitspraak geeft ook weer hoe de bewijslast is verdeeld.

Waar gaat het om?
Belanghebbende ontving tot met 31 december 2011 een inkomensvoorziening op grond van de WIJ en vanaf 1 januari 2012 een bijstandsuitkering op grond van de WWB. In verband met de wijziging van art. 13 lid 2 onderdeel c WWB met ingang van 1 juli 2012 heeft op 19 juli 2012 een gesprek met haar plaatsgevonden. Uit dat gesprek kwam naar voren dat belanghebbende, gezien haar situatie, een door het Rijk gefinancierde opleiding kon volgen, maar dat zij de voorkeur gaf aan een particuliere opleiding. Het college beëindigt de bijstand met ingang van 1 september 2012 op de grond dat belanghebbende een door het Rijk gefinancierde opleiding kan volgen en handhaaft dat besluit in bezwaar. Daaraan ligt ten grondslag dat belanghebbende met de door haar in bezwaar overgelegde gegevens niet aannemelijk maakt dat zij in verband met medische problemen (concentratieproblemen) niet in staat is om een door het Rijk gefinancierde opleiding te volgen, zodat zij geen recht heeft op bijstand op grond van art. 13 lid 2 onderdeel c WWB.

Beroep ongegrond
De rechtbank volgt het college en verklaart het beroep ongegrond. De rechtbank overweegt daarbij dat belanghebbende ook met de door haar in beroep overgelegde gegevens niet aannemelijk maakt dat zij niet in staat was regulier onderwijs te volgen en dat de keuze voor de particuliere opleiding meer is ingegeven door een gewijzigde interesse dan door concentratieproblemen.

Hoger beroep
Belanghebbende komt in hoger beroep en bestrijdt dat onvoldoende aannemelijk is dat zij om medische redenen niet in staat is door het Rijk bekostigd onderwijs te volgen en dat haar keuze voor een particuliere opleiding meer is ingegeven door een gewijzigde interesse dan door concentratieproblemen. Ter ondersteuning van haar standpunt overlegt zij in hoger beroep brieven van het CIZ en van CAK1 en een verzekeringsgeneeskundige rapportage.2 Verder voert zij aan dat de rechtbank ten onrechte niet heeft beoordeeld of het college een individuele, op de persoonlijke omstandigheden en mogelijkheden van haar toegesneden afweging heeft gemaakt bij de beoordeling van de vraag of de bijstand van haar met ingang van 1 september 2012 daadwerkelijk beeindigd kon worden.

Het oordeel van de Raad
De Raad ziet zich gesteld voor de vraag of het college onder de gegeven omstandigheden terecht toepassing geeft aan art. 13 lid 2 aanhef en onder c WWB. Het geschil spitst zich vooral toe op de vraag of belanghebbende om gezondheidsredenen niet in staat was tot het volgen van uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs.

Informatie bij aanvraag WIJ-uitkering
Uit de gedingstukken komt naar voren dat belanghebbende bij haar aanvraag om een inkomensvoorziening op grond van de WIJ kenbaar heeft gemaakt dat zij psychische klachten had en daarvoor in behandeling was bij haar tante, die een soort yoga therapie toepaste. Ondanks haar klachten gaf belanghebbende aan dat zij graag een BBL (Beroeps Begeleidende Leerweg) opleiding in de richting van detailhandel wilde volgen omdat zij later een eigen bedrijf wilde starten. De gemeente bood haar daarvoor begeleiding en ondersteuning. Eerst via Sagenn en daarna via de zogenoemde jongerenacademie. Ondertussen meldde belanghebbende dat haar psychische klachten verminderd waren en dat zij niet meer onder behandeling was.

Actuele situatie
Tijdens het gesprek op 19 juli 2012 is de actuele situatie van haar besproken en is gekeken naar de haar mogelijkheden om per 1 september 2012 een opleiding te volgen. Uit het gesprek kwam naar voren dat belanghebbende, gezien haar situatie – geen klachten, thuiswonend – per 1 september 2012 met een opleiding kon starten. Zij gaf tijdens het gesprek aan dat haar interesse niet meer bij detailhandel lag, maar bij de opleiding Energetische Therapeut. Geconfronteerd met het feit dat het een particuliere opleiding betrof, was haar reactie dat zij de opleiding hoe dan ook ging volgen en dat haar ouders de opleiding voor haar zouden financieren.

Niet betwist
Desgevraagd bevestigt belanghebbende ter zitting dat zij de weergegeven informatie uit het gesprek van 19 juli 2012 inhoudelijk niet betwist. Zij stelt zich echter – onder verwijzing naar de door haar overgelegde stukken – op het standpunt dat zij, gezien haar medische problematiek, niet kan worden gehouden aan wat zij heeft gezegd over haar klachten en haar gewijzigde interesse. Daarom is de op basis van die informatie door het college getrokken conclusie dat zij in staat was door het Rijk bekostigd onderwijs te volgen, onjuist.

De Raad volgt belanghebbende niet
Belanghebbende kan hierin niet worden gevolgd. De rechtbank acht terecht dat de door haar in bezwaar overgelegde facturen en declaraties van behandelingen in de alternatieve sfeer, alsmede het overzicht van haar huisarts onvoldoende zijn om daarop de conclusie te baseren dat zij niet in staat was regulier onderwijs te volgen. Dat geldt ook voor de in beroep overgelegd verklaring van drs. W.F. de Jong, Gz psycholoog3 dat hij op basis van twee gesprekken bij haar denkt aan een Executieve Functie Stoornis (EFT), een handicap die een grote belemmering vormt bij onder meer het volgen van scholing. Daarbij neemt de rechtbank terecht in aanmerking dat het onderzoek van De Jong bijna een jaar na de beëindigingsdatum van de bijstand heeft plaatsgevonden en daaruit niet valt af te leiden dat belanghebbende helemaal niet in staat is regulier onderwijs te volgen. Uit de in hoger beroep overgelegde opgestelde verzekeringsgeneeskundige rapportage4 blijkt dat zij van jongs af aan kampt met psychische problemen en als gevolg daarvan belemmeringen ondervindt. Maar daarvan kan niet worden vastgesteld waaruit die problemen en die belemmeringen precies bestaan omdat belanghebbende nalaat de onderliggende medische rapportage te overleggen. Dat laatste geldt ook voor de brieven van het CIZ en CAK, waarbij belanghebbende per 6 januari 2011 is geïndiceerd voor AWBZ-zorg door haar psychiatrische aandoening en voor 2012 onderscheidenlijk een algemene tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten is toegekend.

Reikwijdte beoordeling
Anders dan belanghebbende stelt, behoefde de rechtbank haar beoordeling niet verder uit te strekken dan tot de beoordeling van de vraag of zij medisch gezien in staat was regulier onderwijs te volgen. Belanghebbende heeft immers zowel in bezwaar als in beroep enkel aangevoerd dat dat vanwege medische redenen niet het geval was. Overigens blijkt dat in het gesprek van 19 juli 2012 wel degelijk aandacht is geschonken aan de persoonlijke omstandigheden en mogelijkheden van haar.

Terecht uitgesloten
Belanghebbende valt daarmee onder de omschrijving van art. 13 lid 2 aanhef en onder c WWB zodat zij terecht is uitgesloten van het recht op bijstand. Het college heeft dan ook op goede grond de bijstand van haar beeindigd.

Redactionele opmerking
In deze kwestie betrof het een beëindiging van een bestaande uitkering. Bij een aanvraag om bijstand zou de uitkomst weliswaar hetzelfde luiden. Maar daarbij geldt wel dat op belanghebbende de informatieplicht rust als bedoeld in art. 41 lid 5 PW om documenten aan te dragen waaruit blijkt dat het volgen van uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs niet tot de mogelijkheden behoort. Daar zou een verzekeringsgeneeskundige rapportage onder kunnen vallen.

©Ingeborg Lunenburg opleiding + advies


  1. van respectievelijk 6 januari 2011 en 22 oktober 2013 

  2. van 3 juni 2014 

  3. van 30 juli 2013 

  4. van 3 juni 2014, in het kader van een Wajong-aanvraag 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*