Jurisprudentie bijzondere bijstand: een overzicht

VerdiepingIn dit blog weer eens welverdiende aandacht voor zeven zeer gevarieerde uitspraken van de Raad over de bijzondere bijstand.
Deze, maar ook andere uitspraken hebben een plek in de Masterclass bijzondere bijstand, individuele inkomenstoeslag en minimabeleid van 26 november te Arnhem.

1. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
In CRVB:2015:3293 oordeelt de Raad over de aanvraag om verhuiskosten (huur en administratiekosten) en inrichtingskosten. Aanleiding voor de aanvraag is een echtscheiding en de verkoop van de voormalige echtelijke woning, die twee jaar te koop heeft gestaan. Na de verkoop huurt belanghebbende een woning. Een jaar voor de aanvraag ontvangt belanghebbende een bijstandsuitkering en daarvoor een ziektewetuitkering. Het college wijst de aanvraag om inrichtingskosten af en kent bijzondere bijstand toe voor de 1½ maand huur en administratiekosten. De bijstand heeft de vorm van een lening.

Verhuiskosten
Het college stelt dat belanghebbende voor de gevraagde kosten had moeten reserveren. Vaststaat dat hij dat niet heeft gedaan. Het college handhaaft het primaire besluit in bezwaar dat de bijzondere bijstand in de vorm van lening wordt verstrekt. Daaraan ligt ten grondslag dat de noodzaak tot bijstandsverlening het gevolg is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid (art. 48 lid 2 aanhef en onder b WWB).

Bezwaar belanghebbende
In bezwaar brengt belanghebbende naar voren dat de vaste lasten in 2010 en 2011 € 1.500 bedroegen, terwijl hij een inkomen had van € 1.100. Hij merkt hierbij op dat hij gezien zijn inkomen geen alimentatie kon betalen en dat er ook geen alimentatieverplichting was. Volgens de Raad blijkt hieruit blijkt dat zijn inkomenssituatie zodanig was dat niet viel uit te sluiten dat hij binnen afzienbare termijn een beroep op bijstand zou moeten doen. Niettemin koos hij er voor de vaste lasten van de gezamenlijke woning volledig voor zijn rekening te nemen. Daarmee heeft hij zijn mogelijkheden beperkt om te reserveren voor voorzienbare kosten waarvoor later bijzondere bijstand is gevraagd. Volgens de Raad stelt het college zich op het standpunt dat hij – uit een oogpunt van toepassing van de WWB – blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Hieruit volgt ook dat het betoog van belanghebbende dat het college hem bijzondere bijstand om niet had moeten verlenen, geen doel treft. Volgens de Raad kan niet worden gezegd dat het college niet in redelijkheid gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid om de gevraagde bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken. Belanghebbende is daarmee zeker niet tekort gedaan.

Inrichtingskosten
Anders dan bij de verhuiskosten acht het college bij de inrichtingskosten geen bijzondere omstandigheden voor bijstandverlening aanwezig. Samen met de rechtbank onderschrijft de Raad dit standpunt. De noodzaak tot bijstandsverlening vloeit in dit geval voort uit de onmogelijkheid om te sparen voor de inrichtingskosten door de hoge vaste (hypotheek) lasten. Volgens vaste rechtspraak (CRVB:2012:BV2318) is het ontbreken van voldoende reserveringsruimte in verband met schulden en de daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen geen bijzondere omstandigheid in de zin van art. 35 lid 1 WWB. De kosten die daarmee verband houden, kunnen niet worden afgewenteld op de WWB.

Redactie
De betaling van de hypotheek is ter aflossing van een schuld. Zou het in dit geval een huurwoning betreffen verwacht ik dat de uitkomst eenzelfde is. Belanghebbende kiest er immers zelf voor – zonder dat hij daartoe verplicht is – de hoge woonlasten op zich te nemen. Een dergelijke keuze kan (ook) niet op de bijstand worden afgewenteld.

Wel bijzondere omstandigheden voor verhuiskosten
Volgens de Raad staan de aangenomen bijzondere omstandigheden bij de verhuiskosten er niet aan in de weg dat het college hier bij de inrichtingskosten anders over kan oordelen en tot een afwijzend besluit kon komen. Het college licht toe dat het belanghebbende voor de zich acuut voordoende verhuiskosten tegemoet wilde komen door bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken. Het college was daarmee – volgens de Raad – niet gehouden ook voor de inrichtingskosten zodanige bijzondere omstandigheden aan te nemen waarmee bijzondere bijstandverlening was aangewezen.

2. Onderzoeksplicht college?
In CRVB:2015:3104 oordeelt de Raad over de beëindiging van eerder toegekende bijzondere bijstand voor dieetkosten van een calciumverrijkt, cholesterolverlagend en eiwitverrijkt dieet. Het college verklaart het bezwaar daartegen gedeeltelijk gegrond en past daarbij een overgangsregeling toe die afloopt per 1 januari 2014. Daaraan ligt ten grondslag dat niet blijkt dat het dieet van belanghebbende meerkosten meebrengt.

Onderbouwing
In beroep overlegt het college – ter nadere onderbouwing van dit standpunt – het rapport “Verantwoording methode voor het berekenen van dieetmeerkosten 2014” van het NIBUD. In dat rapport (p. 5) staat dat de meerkosten van dieetvoeding worden bepaald aan de hand van de methode voor het berekenen van meer- of minderkosten van dieetadviezen ten opzichte van een referentievoeding en dat deze referentievoeding, het uitgangspunt in de berekening van meerkosten, een gezonde voeding is waarbij rekening wordt gehouden met het Nederlandse voedingspatroon.

Belastend besluit
De beëindiging van eerder toegekende bijzondere bijstand is een voor belanghebbende belastend besluit. Daarbij is het aan het college om de nodige kennis te vergaren over relevante feiten en omstandigheden. Dat betekent ook dat de last om aannemelijk te maken dat aan het door belanghebbende te volgen dieet geen meerkosten zijn verbonden op het college rust. Niet in geschil is dat voor belanghebbende een calciumverrijkt, cholesterolverlagend en eiwitverrijkt dieet noodzakelijk is.

Aannemelijk; geen onderzoeksplicht
Het college maakt aannemelijk dat aan het door belanghebbende te volgen dieet geen meerkosten zijn verbonden. Volgens de Raad bestaat er dan ook geen grond dat het college bij dat oordeel de gegevens uit het rapport van het NIBUD niet tot uitgangspunt heeft mogen nemen. Het specifieke dieet van belanghebbende is in dat rapport niet opgenomen als dieet met meerkosten. Belanghebbende brengt daartegen geen andersluidende verklaring van een diëtist of ander deskundig als tegenbewijs in. Wel overlegt zij (slechts) algemene gegevens over onder meer door haar aan te kopen producten en een verklaring van haar huisarts. Die verklaring heeft de strekking dat het voor de gezondheid van belanghebbende van belang is dat zij haar dieet kan blijven volgen. Op basis hiervan behoefde het college niet nader te onderzoeken of aan het dieet van belanghebbende in weerwil van de NIBUD-gegevens meerkosten zijn verbonden.

Redactie
Een mooie uitspraak waaruit blijkt dat het Nibud in het algemeen als representatieve norm geldt. De geïnteresseerde lezer wijs ik op een annotatie bij CRVB:2011:BQ9581 waarbij nader wordt ingegaan op het uitgangspunt van richtprijzen van het Nibud voor duurzame gebruiksgoederen.

3. Omzetten naar leenbijstand en terugvorderen
In CRVB:2015:2851 oordeelt de Raad over de vraag of het college bevoegd is om de eerder om niet toegekende bijzondere bijstand om te zetten in de vorm van een lening en die vervolgens van belanghebbende terug te vorderen. Het college kent bijzondere bijstand toe voor de kosten van inrichting en verhuizing tot een bedrag van € 1.580. Aan de bijstand is de bestedingsplicht als voorwaarde verbonden.1 Deze verplichting is nader gespecificeerd: de huur van een voertuig voor de verhuizing € 80 en voor de kosten van verf/behang en materiaal om de vloeren te bedekken € 1.500. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden omdat belanghebbende daartegen geen bezwaar heeft ingesteld.

Vorm van de bijstand
Als hoofdregel geldt dat bijstand om niet wordt verleend, tenzij in de wet anders is bepaald (art. 48 lid 1 en 2 WWB). Voor de kosten van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen kan bijzondere bijstand worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht, dan wel om niet (art. 51 WWB). De kosten van een verhuisbusje, verf/behang en vloerbedekking worden niet aangemerkt als duurzame gebruiksgoederen (CRVB:2004:AO3928).

Redactionele noot. De vraag is of vloerbedekking niet als duurzaam gebruiksgoed moet worden aangemerkt. Dat brengt mee dat de bijzondere bijstand als lening kan worden verstrekt (art. 51 WWB)

Terugvordering van bijstand
Uitgangspunt is dat de bijzondere bijstand kan worden teruggevorderd als niet aan de voorwaarden is voldaan. Vaststaat dat belanghebbende van het totaalbedrag van € 1.580 alleen € 564,02 heeft kunnen verantwoorden als besteed aan de kosten die zijn opgesomd in het toekenningsbesluit. Het college herziet de toegekende bijzondere bijstand voor de kosten van het verhuisbusje en van woninginrichting tot een bedrag van € 1.015,98 en omgezet in een geldlening. Tevens vordert het college dit bedrag terug omdat het niet is besteed voor het doel waarvoor het is verleend.

Oordeel Raad
Bijstand kan worden verleend in de vorm van een geldlening als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende op korte termijn over voldoende middelen zal beschikken om over de betreffende periode in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien (art. 48 lid 2 aanhef en onder a WWB). Er doen hier zich volgens de Raad evenmin omstandigheden voor als bedoeld in art. 48 lid 2 aanhef en onder b WWB (tekortschietend besef van verantwoordelijkheid). Het college is dan ook niet bevoegd om de om niet toegekende bijzondere bijstand om te zetten in bijstand in de vorm van een geldlening. De Raad vernietigt het bestreden besluit voor zover het de herziening betreft van de vorm waarin de bijzondere bijstand is toegekend.

4. Niet op tijd
In CRVB:2015:1066 oordeelt de Raad over de vraag of het college de aanvraag om bijzondere bijstand terecht heeft afgewezen omdat belanghebbende de aanvraag niet tijdig heeft ingediend. Belanghebbende ontvangt een bijstandsuitkering en vraagt bijzondere bijstand aan voor de legeskosten van € 74,50 voor een woningurgentieverklaring. Het college wijst de aanvraag af en handhaaft dat besluit in bezwaar. Daaraan ligt ten grondslag dat de legeskosten ten tijde van de aanvraag al door belanghebbende waren voldaan.

Beroep
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Daartoe is overwogen dat uit de door belanghebbende overgelegde kassabon blijkt dat hij op 1 oktober 2012 het verschuldigde bedrag van € 74,50 contant heeft betaald. Daarop stelt de rechtbank vast dat de kosten zijn gemaakt en voldaan voordat de aanvraag om bijzondere bijstand is ingediend. Volgens vaste rechtspraak (CRVB:2009:BJ4669) oordeelt de rechtbank dat nu van een (reële) schuld ter zake van de gemaakte kosten niet is gebleken. Daarom heeft belanghebbende gelet op art. 35 lid 1 WWB in samenhang met art. 11 lid 1 WWB, geen recht op bijzondere bijstand voor deze kosten.

Oordeel Raad
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, en de overwegingen waarop dit oordeel berust. Belanghebbende betoogt dat hij zich genoodzaakt voelde om direct de legeskosten ter zake van de urgentieverklaring te voldoen op het moment dat hij met deze kosten werd geconfronteerd. Hij maakt echter niet aannemelijk dat hij niet op een eerder tijdstip, en desnoods ook nog op het moment dat hem verzocht werd eerst legeskosten te voldoen, een daartoe strekkende aanvraag om bijzondere bijstand had kunnen indienen. In dit verband wordt opgemerkt dat belanghebbende in het verleden al eerder een soortgelijke urgentieverklaring heeft aangevraagd. Uit dien hoofde wist hij – dan wel had kunnen weten – dat in dat kader leges zijn verschuldigd en dat deze moeten worden voldaan voordat een verzoek in behandeling wordt genomen.

5. Territorialiteitsbeginsel
In CRVB:2015:363 oordeelt de Raad over de afwijzing van een aanvraag om bijzondere bijstand voor advocaatkosten inzake een executieprocedure in België. Het college wijst de aanvraag af en handhaaft dat besluit in bezwaar. Daaraan ligt ten grondslag dat de kosten zich buiten Nederland voordoen en territorialiteitsbeginsel aan bijstandsverlening buiten Nederland in de weg staat (art. 11 WWB). Verder ziet het college – in wat door belanghebbende is aangevoerd –  geen zeer dringende redenen als bedoeld in art. 16 lid 1 WWB om over te gaan tot bijstandsverlening. Volgens de Raad oordeelt de rechtbank terecht dat de in geding zijnde kosten buiten Nederland zijn opgekomen. Weliswaar vloeien die kosten voort uit een in Nederland gevoerd arbeidsrechtelijk geding, maar de kosten hebben betrekking op de executie van het Nederlandse vonnis in België.

Hoger beroep
Belanghebbende komt in hoger beroep en voert in de eerste plaats aan dat is voldaan aan het territorialiteitsbeginsel omdat de kosten waarvoor zij bijzondere bijstand aanvraagt betrekking hebben op een Nederlandse procedure. Subsidiair is sprake van zeer dringende redenen als bedoeld in art. 16 WWB. Doordat belanghebbende het achterstallige loon2  moest aanwenden voor het voldoen van de juridische kosten, ontstond een acute noodsituatie. Belanghebbende kon de leningen die zij had afgesloten om te voorzien in haar levensonderhoud in de periode waarin zij geen loon ontving, niet aflossen. Daardoor hing haar beslaglegging op haar inboedel boven het hoofd. Ten slotte doet belanghebbende een beroep op het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.

Territorialiteitsbeginsel
Volgens vaste rechtspraak van de Raad sluit het aan de WWB ten grondslag liggende territorialiteitsbeginsel de mogelijkheid tot bijstandsverlening uit ten aanzien van kosten die buiten Nederland zijn opgekomen of die betrekking hebben op kosten die niet aan Nederland zijn verbonden (CRVB:2007:AZ5967). De rechtbank oordeelt volgens de Raad terecht dat de in geding zijnde kosten buiten Nederland zijn opgekomen. Weliswaar vloeien die kosten voort uit een in Nederland gevoerd arbeidsrechtelijk geding, maar de kosten hebben betrekking op de executie van het Nederlandse vonnis in België.

Zeer dringende redenen
Volgens vaste rechtspraak van de Raad doen zeer dringende redenen als bedoeld in art. 16 lid 1 WWB zich voor als sprake is van een acute noodsituatie en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is (CRVB:2012:BV1028). Een acute noodsituatie is aan de orde als een situatie van levensbedreigende aard is of blijvend ernstig psychisch- of lichamelijk letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben. De door belanghebbende genoemde omstandigheden leiden niet tot het oordeel dat sprake is van een acute noodsituatie als hierboven bedoeld.

Vertrouwensbeginsel
Belanghebbende doet een beroep op het vertrouwensbeginsel. Dat ziet op een beweerdelijk mondelinge toezegging van een medewerker van de gemeente dat de in België gemaakte kosten via de bijzondere bijstand voor vergoeding in aanmerking zouden komen. De gedingstukken bieden echter geen enkel aanknopingspunt voor een dergelijke toezegging. Nog daargelaten of het ging om een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging van een bevoegde ambtenaar.

Gelijkheidsbeginsel
Voor zover belanghebbende een beroep op het gelijkheidsbeginsel doet in die zin dat verboden onderscheid wordt gemaakt tussen diegenen die een vonnis in Nederland kunnen executeren en diegenen die dat in het buitenland moeten doen, slaagt dit beroep niet. De rechtbank oordeelt – volgens de Raad – terecht dat de rechtvaardiging nu juist is gebaseerd op het in de WWB verankerde territorialiteitsbeginsel.

6. Reserveren of lening en overleggen inkomensgegevens voor draagkrachtberekening
In CRVB:2015:2498 oordeelt de Raad over de afwijzing van een aanvraag bijzondere bijstand voor verhuiskosten en voor de kosten van juridische procedures.

Het college wijst de aanvraag voor de kosten van juridische procedures af en handhaaft dat besluit in bezwaar (besluit 1). Ook de aanvraag voor verhuiskosten wijst het college af en handhaaft dat besluit in bezwaar (besluit 2). Daaraan ligt ten grondslag datgeen bijzondere individuele omstandigheden bestaan op grond waarvan bijzondere bijstand voor de verhuiskosten moet worden verstrekt. De aanvraag voor (volgende) de kosten van juridische procedures wijst het college ook en handhaaft dat besluit in bezwaar (besluit 3). Aan de besluiten 2 en 3 ligt ten grondslag dat niet kan worden vastgesteld of de kosten uit eigen inkomen of draagkracht kunnen worden voldaan. Belanghebbende voerde een gezamenlijke huishouding en heeft geen gegevens over het gezamenlijk inkomen en vermogen overgelegd. De rechtbank verklaart het beroep tegen alle besluiten ongegrond.

Hoger beroep
Belanghebbende komt in hoger beroep en voert aan dat zij geen gezamenlijke huishouding voerde op het moment dat de kosten van rechtsbijstand werden gemaakt, en dat in verband daarmee de draagkracht onjuist is vastgesteld. Verder betoogt zij dat de kosten van de verhuizing wel voortvloeien uit bijzondere individuele omstandigheden. Belanghebbende onderbouwt deze gronden feitelijk door te wijzen op het volgende. Haar financiën werden niet goed beheerd door [naam stichting] waardoor huurachterstand is ontstaan. Nadat als gevolg daarvan haar woning werd ontruimd, is zij noodgedwongen verhuisd naar de woning van haar ex-partner (M) met wie zij een kind heeft. M beschikte niet over inkomsten en leefde van haar uitkering die zij ontving op grond van de Ziektewet (ZW). In november 2012 heeft M – volgens haar – zijn woning verlaten. Belanghebbende moest de woning van M vervolgens eind mei 2013 verlaten, verhuisde eerst naar haar ouders en betrok vervolgens een kamer. Daardoor is zij steeds verder in de financiële problemen geraakt. Zij beschikte dan ook niet over voldoende draagkracht en de draagkracht is onjuist berekend. Een aantal kostenposten zijn niet meegenomen bij de berekening van de draagkracht en er is in strijd met de heersende jurisprudentie geen rekening gehouden met het beslag dat is gelegd op de uitkering op grond van de ZW.

Recht op bijstand
Art. 35 lid 1 WWB bepaalt dat de alleenstaande of het gezin – onverminderd paragraaf 2.2 – recht heeft op bijzondere bijstand voor zover niet wordt beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen, en het inkomen, voor zover dat meer bedraagt dan de bijstandsnorm.

Verhuiskosten (besluit 1)
Volgens vaste rechtspraak moeten kosten van een verhuizing en inrichting van een woning, als deze kosten noodzakelijk zijn, worden gerekend tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke bestaanskosten (CRVB:2011:BR2237). Die kosten moeten in beginsel worden bestreden uit het inkomen, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Daarvoor wordt alleen bijzondere bijstand verleend als de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, die ertoe leiden dat die kosten niet uit de algemene bijstand en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan.

Bijzondere omstandigheden
Belanghebbende voert aan dat er bijzondere omstandigheden aanwezig waren waardoor zij de kosten niet zelf kon voldoen en evenmin kon reserveren voor deze kosten. Met de rechtbank oordeelt de Raad dat in wat belanghebbende aanvoert geen bijzondere omstandigheden zijn gelegen op grond waarvan moet worden afgeweken van het uitgangspunt dat deze kosten moeten worden voldaan uit het inkomen. Zij beschikte over een inkomen en is ingetrokken bij M die huurder was. Daarbij zijn huurschulden ontstaan. Volgens de Raad kon belanghebbende er – omdat zij geen huurder was en vanwege de huurschulden – rekening mee houden dat zij verhuiskosten zou moeten gaan maken. Nog daargelaten of zij had kunnen reserveren voor de kosten, is niet gebleken dat zij de kosten niet heeft kunnen voldoen door middel van gespreide betaling achteraf. In zoverre faalt het hoger beroep.

Kosten juridische procedures (besluit 2 en 3)
Verder is in geschil de vraag of de kosten in verband met de juridische procedures uit eigen inkomen of draagkracht kunnen worden voldaan. Belanghebbende voerde vanaf 29 februari 2012 – toen zij introk bij M op diens adres in de door hem gehuurde woning – met hem aldaar een gezamenlijke huishouding. Volgens de gegevens uit de gemeentelijke BRP was zij tot 21 juni 2013 ingeschreven op dat adres en was M daar tot 6 juni 2013 ingeschreven. Volgens belanghebbende verbleef zij in ieder geval tot eind mei 2013 op dat adres.

Periode opkomen kosten
De kosten waarvoor belanghebbende bijzondere bijstand aanvraagt zijn opgekomen in november 2012 en april 2013 en op 17 mei 2013. Daarmee vallen de kosten dus binnen de periode waarin zij en M beiden waren ingeschreven op hetzelfde adres. Gelet hierop en nu het gaat om een aanvraag – ligt het op de weg van belanghebbende om aannemelijk te maken dat zij op de momenten waarop de kosten betrekking hebben – geen draagkracht had. En in dit geval geldt nog meer in het bijzonder, dat zij alleenstaande was en dat dus geen rekening moet worden gehouden met de middelen van M. Belanghebbende onderbouwt haar stelling dat M in november 2012 zijn woning heeft verlaten echter niet. Daarmee maakt zij niet aannemelijk dat de gezamenlijke huishouding die zij voerden, in weerwil van M’s voorgezette inschrijving op dat adres, in november 2012 is beëindigd. Omdat belanghebbende geen gegevens van het inkomen of vermogen van M overlegt, kan niet worden vastgesteld of zij de kosten waarvoor bijzondere bijstand is aangevraagd kan voldoen uit eigen inkomen of draagkracht. De vraag of de draagkracht vervolgens juist berekend is, behoeft dus geen beantwoording meer.

7. Afwijzen woonkostentoeslag en verhogen norm
In CRVB:2015:2492 oordeelt de Raad over een afwijzing van een aanvraag om bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag en de afwijzing van het verzoek om de norm van de bijstand te verhogen.

Het college wijst de aanvraag voor de woonkostentoeslag af en handhaaft dat besluit in bezwaar (besluit 1). Daaraan ligt ten grondslag dat de Wet op de huurtoeslag als een toereikende en passende voorliggende voorziening geldt als bedoeld in art. 15 WWB. Als op grond van een bewuste keuze van de wetgever de huurtoeslag niet aan belanghebbende wordt toegekend – omdat haar partner niet rechtmatig in Nederland verblijft – wordt voor de woonkosten ook geen bijzondere bijstand verleend. Verder is – volgens het college – niet gebleken van zeer dringende redenen als bedoeld in art. 16 lid 1 WWB. Het college wijst het verzoek om de norm van de bijstand te verhogen af en handhaaft dat besluit in bezwaar (besluit 2). Daaraan ligt ten grondslag dat er geen dringende redenen zijn om met toepassing van art. 18 lid 1 WWB tot een individuele afstemming van de van toepassing zijnde bijstandsnorm te komen.

Situatie
Belanghebbende ontvangt een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder met een toeslag van 20%. Zij is gehuwd met A die tot ongewenst vreemdeling is verklaard en woont bij zijn gezin. Belanghebbende en A hebben samen vijf kinderen. Bij de aanvraag om een woonkostentoeslag licht belanghebbende toe dat zij geen recht heeft op huurtoeslag, zorgtoeslag en kindgebonden budget omdat A (haar toeslagpartner) niet rechtmatig in Nederland verblijft.

Verzoek verhogen norm
Belanghebbende verzoekt het college per brief om de norm van de bijstand te verhogen, omdat het gezin niet kan rondkomen van de bijstand van belanghebbende. Zij benoemd welke vaste lasten zij heeft. Verder vermeld zij dat:

  • het gezin ook nog moet eten en af en toe kleding moet kopen
  • zij auto rijdt omdat ze niet goed kan lopen en zij de kinderen brengt en haalt
  • er ook nog kosten zijn voor de procedures van de vader
  • het college weliswaar bijzondere bijstand verstrekt voor de reiskosten naar Rotterdam voor één keer per week, maar dat het gezin twee keer per week naar Rotterdam gaat,
  • het gezin voedselpakketten krijgt, maar dat dit niet toereikend is voor een groot gezin; en
  • het gezin een bedrag van in totaal € 509,- misloopt, omdat het geen huurtoeslag, zorgtoeslag en kindgebonden budget ontvangt.

Hoger beroep besluit 1
Belanghebbende komt in hoger beroep en voert aan dat de Wht geen passende en toereikende voorziening is, omdat zij niet in aanmerking komt voor huurtoeslag. Verder voert zij aan dat in haar geval sprake is van een acute noodsituatie, zodat het college op grond van art. 16 lid 1 WWB bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag had moeten verlenen. Daarbij wijst zij op de slechte financiële situatie van het gezin en op de (psychische) gevolgen daarvan voor het gezin. Ten slotte voert belanghebbende aan dat het college de belangen van de kinderen onvoldoende heeft meegewogen en daarmee heeft gehandeld in strijd met het IVRK3, in het bijzonder de artikelen 3 en 27.

Hoger beroep besluit 2
Belanghebbende komt in hoger en voert aan dat het zogeheten koppelingsbeginsel niet absoluut is en dat toepassing van dat beginsel in dit geval achterwege had moeten worden gelaten. In dat verband stelt zij dat het koppelingsbeginsel niet strookt met verplichtingen van de staat op grond van het EVRM4 en het IVRK. Verder stelt zij dat het ECRS5 oordeelt dat op de Staat ook een zorgplicht rust op basis van het Europees Sociaal Handvest. Verder doet belanghebbende een beroep op een aantal uitspraken van de Raad en op artikel 8 EVRM en voert zij, evenals in het hoger beroep tegen besluit 1, aan dat het college de belangen van de kinderen onvoldoende meeweegt en daarmee handelt in strijd met de artikelen 3 en 27 van het IVRK.

Oordeel Raad
Vaststaat dat A, de (inwonende) echtgenoot van belanghebbende, ten tijde hier van belang geen rechtmatig verblijf in Nederland had.

Woonkostentoeslag (besluit 1)
Art. 15 lid 1 WWB bepaalt dat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. De Raad stelt voorop dat de Wht met betrekking tot woonkosten in beginsel als een aan de bijstand voorliggende, passende en toereikende voorziening moet worden beschouwd. Voor de situatie van belanghebbende – waarin sprake is van een partner die geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft – geldt dat in de voorliggende voorziening de bewuste keuze is gemaakt om geen huurtoeslag toe te kennen. Dit betekent dat art. 15 WWB in de weg staat aan verlening van bijzondere bijstand voor de hier aan de orde zijnde kosten.

Dringende redenen
Art. 16 lid 1 WWB bepaalt dat het college aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, gelet op alle omstandigheden, toch bijstand kan verlenen als zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Voor zeer dringende redenen als bedoeld in dat artikel moet vaststaan dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is. Volgens vaste rechtspraak is een acute noodsituatie aan de orde als een situatie van levensbedreigende aard is of blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben (CRVB:2012:BY4808). Met wat belanghebbende aanvoert over haar financiële situatie en de (psychische) gevolgen daarvan voor haar gezin, maakt zij niet aannemelijk dat in haar geval sprake is van een acute noodsituatie in de hiervoor bedoelde zin. Verlening van bijzondere bijstand met toepassing van art. 16 lid 1 WWB is daarom niet aan de orde.

Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind
Zoals de Raad eerder heeft overwogen kunnen de artikelen 3 en 27 IVRK niet worden aangemerkt als een ieder verbindende bepalingen als bedoeld in de artikelen 93 en 94 Grondwet (CRVB:2010:BL1686 en CRVB:2010:BM9795). Bovendien vloeit uit art. 27 lid 2 IVRK voort dat niet het college, maar belanghebbende en A als ouders als eersten verantwoordelijk zijn voor het waarborgen, naar vermogen en binnen de grenzen van hun financiële mogelijkheden, van de levensomstandigheden die nodig zijn voor de ontwikkeling van hun kinderen. De Raad kan er in dit verband niet aan voorbij zien dat belanghebbende voor haar kinderen kinderbijslag ontvangt en een beroep kan doen, en ook heeft gedaan, op verstrekkingen in het kader van het minimabeleid. Zo ontvangt zij bijvoorbeeld bijdragen voor de kinderen voor zwemmen.

Afstemming van de bijstand (besluit 2)
Art. 18 lid 1 WWB bepaalt dat het college is gehouden om de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de betrokkene. Deze bepaling geeft inhoud aan één van de uitgangspunten van de WWB, te weten dat de bijstand wordt afgestemd op de feitelijke behoeften in het individuele geval. Volgens vaste rechtspraak is voor een dergelijke individuele afstemming in de vorm van een verlaging slechts plaats in zeer bijzondere situaties (CRVB:2012:BX8450). Dit geldt ook voor een individuele afstemming in de vorm van een verhoging van de bijstand.

Onaanvaardbare doorkruising
De omstandigheid dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor huurtoeslag, zorgtoeslag en het kindgebonden budget, omdat haar inwonende echtgenoot A niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt, is niet een omstandigheid die afstemming van de bijstand in de vorm van een verhoging rechtvaardigt. De door het college vastgestelde bijstandsnorm was er juist op gericht om te voorkomen dat indirect aan A bijstand werd verleend. De rechtbank oordeelt terecht dat verhoging van de bijstand met toepassing van art. 18 lid 1 WWB in een dergelijke situatie zou leiden tot een onaanvaardbare doorkruising van het systeem dat met de invoering van de zogeheten Koppelingswet juist is beoogd.

Koppelingsbeginsel buiten toepassing?
In wat belanghebbende aanvoert over, kort gezegd, haar financiële situatie en de gevolgen daarvan voor haar gezin ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat in haar situatie het koppelingsbeginsel buiten toepassing zou moeten worden gelaten. Hierbij is van betekenis dat uit de toelichting op het verzoek om afstemming blijkt dat belanghebbende bepaalde keuzes maakt in de besteding van haar middelen, zoals de kosten van het bezit en gebruik van een auto. De gevolgen van deze door haar gemaakte keuzes behoren niet op de bijstand te worden afgewenteld, maar komen voor rekening van belanghebbende. Het beroep van haar op de uitspraak CRVB:2005:AT3468 en CRVB:2014:4178, de beslissingen van het ECSR en het ter zitting gedane beroep op de resolutie van het Comité van Ministers van de Raad van Europa van 15 april 2015, kan niet tot een ander oordeel leiden, al omdat de daarin aan de orde zijnde feiten en omstandigheden wezenlijk verschillen van die in dit geding. Die zaken betreffen (opvang)voorzieningen van vreemdelingen die illegaal in Nederland verblijven, terwijl belanghebbende en de kinderen over de Nederlandse nationaliteit beschikken. De vraag of zij en haar gezin zijn aan te merken als kwetsbare personen die op grond van artikel 8 EVRM bijzondere bescherming genieten, wordt naar vaste rechtspraak  in het kader van de WWB in het midden gelaten en moet worden besproken in het kader van procedures die zijn gericht tegen de weigering om huurtoeslag, zorgtoeslag en kindgebonden budget te verstrekken (CRVB:2011:BU6844).

Redactie
Op grond van de Participatiewet is voor belanghebbende de kostendelersnorm van toepassing (art. 22a lid 3 onder a tweede volzin PW). De geïnteresseerde lezer wijs ik op een blog update over een uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam.

©Ingeborg Lunenburg opleiding + advies


  1. art. 55 WWB, ongewijzigd gebleven in de Participatiewet 

  2. alsnog ontvangen via de executieprocedure 

  3. Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind 

  4. Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden 

  5. Europees Comité voor Sociale Rechten 

3 Replies to “Jurisprudentie bijzondere bijstand: een overzicht”

  1. Pingback: Niet-rechthebbende partner en bijstand | Ingeborg Lunenburg Opleiding + Advies

  2. Pingback: Best gelezen en Series – Ingeborg Lunenburg Opleiding + Advies

  3. Pingback: Best gelezen maart 2016 – Ingeborg Lunenburg Opleiding + Advies

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*

negentien − 14 =