Centrale Raad: scholing kunnen volgen leidt tot beëindiging, intrekken en terugvorderen van bijstand

Logo_rechtspraakDe scholingsplicht voor jongeren en het bij gevolg daarvan kunnen toepassen van de uitsluitingsgrond in artikel 13 lid 2 aanhef en onder c WWB heeft eindelijk tot een aantal boeiende uitspraken geleid.
In een eerder blog kwam een zaak aan de orde waar het kunnen volgen van onderwijs niet alleen te maken heeft met het technisch kunnen volgen daarvan maar vooral dat van de jongere verwacht kan worden dat hij dat ook doet.
De Raad doet een uitspraak waaruit dat laatste blijkt CRVB:2015:1747). De lijn is helder en de uitkomst in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever: jongeren horen (in principe) niet in de bijstand; zij werken of gaan naar school.

Wat speelt er in deze zaak?
Belanghebbende ontvangt bijstand. Het college stelt zich op het standpunt dat belanghebbende in de door de bestuursrechter te beoordelen periode1 scholing kan volgen. Hoe komt het college tot dit standpunt? Met een brief wordt belanghebbende opgeroepen voor een verplichte informatiebijeenkomst op 12 juni 2012 waarin zijn mogelijkheden tot scholing worden besproken. Belanghebbende geeft in dat kader op een ‘reactieformulier scholing’ te kennen dat hij graag een opleiding tot beveiligingsmedewerker wil volgen.

Startdatum opleiding
Naar aanleiding van een scholingsadviesgesprek bij het Regionale Meld- en Coördinatiefunctie vroegtijdig schoolverlaten (RMC) meldt belanghebbende zich aan voor de betreffende Entree-opleiding welke op 1 augustus 2012 start. Voor deze opleiding kan hij studiefinanciering aanvragen (WSF 2000). Hoewel het college belanghebbende daar om verzoekt overlegt hij geen gegevens over deze aanvraag.

Beëindiging en intrekking bijstand
Bij besluit van 10 oktober 2012 beëindigt het college de bijstand met ingang van 11 oktober 2012 en trekt deze met ingang van 1 augustus 2012 in. Daaraan ligt ten grondslag dat belanghebbende vanaf laatstgenoemde datum onderwijs kan volgen in verband waarmee hij aanspraak kan maken op studiefinanciering op grond van de WSF 2000. De over de periode van 1 augustus 2012 tot en met 30 september 2012 ten onrechte gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 1.778,04 vordert het college van belanghebbende terug. Het college handhaaft het besluit in besluit. Belanghebbende stelt beroep in welke door de rechtbank ongegrond wordt verklaard. Belanghebbende laat het niet bij zitten en komt in hoger beroep.

Het oordeel van de Raad
Op grond van artikel 13 lid 2 aanhef en onder c WWB heeft geen recht op algemene bijstand degene die jonger is dan 27 jaar en uit ’s Rijks kas bezoldigd onderwijs kan volgen en:
1º in verband daarmee aanspraak heeft op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000, dan wel
2º in verband daarmee geen aanspraak heeft op studiefinanciering en dit onderwijs niet volgt.

Het geschil
Niet in geschil is dat voor belanghebbende de mogelijkheid bestond om met ingang van 1 augustus 2012 uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs te volgen in verband waarmee hij aanspraak kon maken op studiefinanciering (WSF 2000). Partijen verschillen van mening over de vraag of belanghebbende vanwege een medische oorzaak buiten staat was om dit onderwijs te volgen.

Standpunt belanghebbende
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij door zijn verslavingsproblematiek en psychische klachten niet in staat was met ingang van 1 augustus 2012 te starten met de Entree-opleiding. Ter onderbouwing van zijn standpunt overlegt hij enkele (medische) bescheiden.

De Raad volgt belanghebbende niet
Volgens de Raad blijkt uit deze stukken niet dat hij per 1 augustus 2012 door een medische oorzaak buiten staat was om uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs te volgen. Uit de brieven van de huisarts volgt weliswaar dat hij begin 2012, na een periode van werkloosheid, verslaafd is geraakt aan drugs en ook vóór 2013 leed aan een psychische stoornis. Echter de huisarts vermeldt daarbij eveneens dat belanghebbende met de hem voorgeschreven medicatie normaal kon functioneren.
Dat komt overeen met de indruk die hij heeft gemaakt tijdens het scholingsadviesgesprek bij het RMC. Daarbij maakte belanghebbende een gemotiveerde indruk om met een opleiding te starten en waarbij geheel niet is gebleken van signalen dat hij op dat moment op medische gronden geen onderwijs zou kunnen volgen.
Uit de enkele opmerkingen van de huisarts dat zijn klachten zijn arbeidsgeschiktheid negatief beïnvloed hebben en dat zijn mogelijkheden op de arbeidsmarkt beperkt zijn, kan ook niet worden afgeleid dat hij ten tijde hier van belang niet in staat was de Entree-opleiding te volgen.
Dit blijkt ten slotte evenmin uit de overgelegde brief van de contactpersoon van BT Begeleiding die in de te beoordelen periode bij de begeleiding van de moeder van belanghebbende was betrokken in het kader van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. In deze brief beschrijft de contactpersoon haar ervaringen met belanghebbende en de effecten van dwingend en soms agressief gedrag van hem op het functioneren van zijn moeder. Deze brief behelst geen medische onderbouwing van klachten van belanghebbende of een onderbouwd medisch oordeel over de vraag of hij in de te beoordelen periode op medische gronden in staat geacht kon worden om onderwijs te volgen.
Dat belanghebbende enkele maanden later in een psychose is geraakt op grond waarvan zijn familie hem in februari 2013 in een kliniek in Turkije heeft laten opnemen, kan tot slot ook niet leiden tot het oordeel dat hij buiten staat was met ingang van 1 augustus 2012 onderwijs te volgen. Dit alleen al omdat over de aard of oorzaak van de psychose geen informatie is verstrekt.

Redactionele noot
Ik maak uit deze uitspraak op dat de eisen die gesteld worden aan de stelling dat het onderwijs door ‘de jongere’ niet kan worden gevolgd, door bijvoorbeeld een medische oorzaak, zeer streng zijn. Bij een onderbouwing van het “buiten staat zijn” moet er dus iets bijzonders aan de hand zijn.

Er is toch wel een punt van aandacht. Het oordeel van de bestuursrechter is altijd beperkt tot de te beoordeling periode. In deze zaak was dat 1 augustus 2012 tot en met 10 oktober 2012. Ik denk dat als de belanghebbende op 11 oktober 2012 een nieuwe aanvraag indient en vast staat dat er geen mogelijkheid is om in te stromen in het bedoelde onderwijs, hij recht heeft op bijstand tot het moment hij dat wel kan (vergelijk CRVB:2014:3351). Verder lijkt het mij dat betrokkene tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan worden tegengeworpen. Immers het recht op bijstand is ontstaan omdat hij het onderwijs niet volgt waarvoor aanspraak bestaat op studiefinanciering.

©Ingeborg Lunenburg opleiding + advies


  1. 1 augustus 2012 tot en met
    10 oktober 2012 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*

drie × 4 =