Centrale Raad over de verplichting mee te werken aan een psychodiagnostisch onderzoek

origineel Monopoly WWB-werkIn een eerder blog schreef ik uitgebreid over de bevoegdheid van het college om nadere verplichtingen op te leggen als bedoeld in artikel 55 (ongewijzigd gebleven in de Participatiewet). Een dergelijke verplichting kan te maken hebben met het door het college verplicht te betrachten maatwerk bij het aanbieden van een voorziening (zie bijvoorbeeld CRVB:2011:BQ3331).

Meewerken psychodiagnostisch onderzoek
In CRVB:2015:955 oordeelt de Raad over de vraag of het dagelijks bestuur terecht een maatregel heeft opgelegd omdat belanghebbende niet voldoet aan de verplichting mee te werken aan een psychodiagnostisch onderzoek.

Geen ontheffing
De Raad oordeelt in CRVB:2013:2208 dat het dagelijks bestuur aan dezelfde belanghebbende terecht geen ontheffing verleent van het meewerken aan het onderzoek.

Uitnodiging onderzoek
In het kader van de op grond van artikel 55 opgelegde verplichting is belanghebbende uitgenodigd voor een psychodiagnostisch onderzoek. Dat onderzoek wordt uitgevoerd door een extern adviseur. Hij verschijnt op de afspraak en verzoekt de psycholoog die het onderzoek zou verrichten – voorafgaand aan het onderzoek – een formulier te ondertekenen. Dit houdt in dat belanghebbende een blokkeringsrecht toekomt, volgens welk de resultaten van het onderzoek niet zonder zijn toestemming aan het dagelijks bestuur kunnen worden verstrekt. De psycholoog geeft aan dit verzoek geen gehoor, waarna belanghebbende geen verdere medewerking aan het onderzoek wenst te verlenen. Hierop volgt een maatregel voor de duur van een maand met 20%. Daaraan ligt ten grondslag dat belanghebbende niet voldoet aan de op grond van artikel 55 opgelegde verplichting medewerking te verlenen aan een medisch onderzoek.

Tweede uitnodiging onderzoek
Belanghebbende wordt opnieuw uitgenodigd voor een psychodiagnostisch onderzoek. Dit onderzoek vindt om dezelfde reden als bij het eerste onderzoek geen doorgang. Daarop verlaagt het dagelijks bestuur de bijstand voor de duur van een maand met 40%. Daaraan ligt ten grondslag dat belanghebbende niet voldoet aan de op grond van artikel 55 opgelegde verplichting mee te werken aan een onderzoek. Er is sprake van recidive, omdat belanghebbende zich binnen twaalf maanden opnieuw verwijtbaar gedraagt.

Derde uitnodiging onderzoek
Belanghebbende wordt voor de derde keer uitgenodigd voor een psychodiagnostisch onderzoek. Hij verschijnt op de afspraak. Gelet op het beroep dat hij voorafgaand aan het onderzoek heeft gedaan op het blokkeringsrecht, heeft ook nu geen onderzoek plaatsgevonden. Daarop verlaagt het dagelijks bestuur de bijstand voor de duur van een maand met 100%. Daaraan ligt ten grondslag dat belanghebbende voor de derde maal niet voldoet aan de verplichting mee te werken aan een psychodiagnostisch onderzoek. Door de eerder opgelegde maatregelen geeft het dagelijks bestuur toepassing aan de (herhaalde) recidivebepaling van de toepasselijk afstemmingsverordening. Op basis daarvan wordt in geval van herhaalde recidive de hoogte en de duur van de verlaging individueel vastgesteld, waarbij gekeken wordt naar:

  • de ernst van de gedraging;
  • de mate van verwijtbaarheid; en
  • de omstandigheden.

Vierde uitnodiging onderzoek
Belanghebbende wordt voor de vierde keer uitgenodigd voor een psychodiagnostisch onderzoek. Hij verschijnt, maar het onderzoek vindt ook nu en om dezelfde reden als de drie keer daarvoor geen doorgang. Hierdoor voldoet belanghebbende niet aan de op grond van artikel 55 op hem rustende verplichting mee te werken aan een onderzoek. Het dagelijks bestuur overweegt dat belanghebbende zich binnen twaalf maanden opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare maatregelwaardige gedraging. Het dagelijks bestuur besluit echter – tot nader order – de verplichting mee te werken aan een psychodiagnostisch onderzoek niet te concretiseren. En matigt de maatregel tot nul.

Het oordeel van de Raad
De omvang van de gedingen is beperkt tot de vraag of het dagelijks bestuur op goede gronden heeft aangenomen dat belanghebbende tot vier maal toe verwijtbaar niet heeft voldaan aan de verplichting mee te werken aan een psychodiagnostisch onderzoek. De Raad beantwoordt de vraag bevestigend.

Geen beroep op blokkeringsrecht
De verplichting van artikel 9 lid 1 onder b (ongewijzigd in de Participatiewet) om mee te werken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling houdt, net als de verplichting om mee te werken aan een in het kader van artikel 55 door het dagelijks bestuur aangevraagd onderzoek, ook in dat de betrokkene er aan meewerkt dat het dagelijks bestuur ook kennis kan nemen van de resultaten van dat onderzoek. Zonder dit laatste zou het eerste immers zinloos zijn voor het onderzoek naar de mogelijkheden van arbeidsinschakeling. Daarmee zou het dagelijks bestuur belet worden haar wettelijke taak tot arbeidsinschakeling te verrichten. In een dergelijke situatie kan een betrokkene dus geen beroep doen op een blokkeringsrecht.

Tekortschieten nakomen verplichting
Belanghebbende is tekortgeschoten in de verplichting mee te werken aan een onderzoek naar zijn arbeidsmogelijkheden en meer in het bijzonder aan de op grond van artikel 55 op hem rustende verplichting mee te werken aan een psychodiagnostisch onderzoek. Hij voert aan dat deze gedraging hem, gelet op zijn psychische problematiek, niet te verwijten valt. Ter onderbouwing hiervan heeft hij verwezen naar de, niet gedateerde, brief van GZ-psycholoog S. de Haan (De Haan). In deze brief, die is opgesteld na de derde uitnodiging, vermeldt De Haan dat de psychische problematiek bij belanghebbende niet verenigbaar is met een psychodiagnostisch onderzoek. De Haan doet belanghebbende een aanbod voor een kort en effectief behandeltraject door Mentaal Beter. Volgens De Haan is er bij belanghebbende sprake van een psychische of psychiatrische problematiek en kan een behandeling de ontstane situatie helpen verbeteren.

Geen andere informatie van medische aard
Anders dan belanghebbende aanvoert, biedt de verklaring van De Haan onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat de gedragingen hem niet kunnen worden verweten. De desbetreffende brief bevat weliswaar een oordeel van De Haan over de problematiek van belanghebbende, maar er blijkt niet uit dat dit oordeel is gebaseerd op een medisch/psychologisch onderzoek. Daarom is ook niet duidelijk waarop De Haan zijn conclusies baseert. Belanghebbende overlegt ook anderszins geen objectieve en verifieerbare informatie van medische aard ter onderbouwing van zijn stelling dat de verwijtbaarheid van de gedragingen ontbreekt.

Niet bruikbaar?
Verder voert belanghebbende aan dat de resultaten van een psychodiagnostisch onderzoek niet bruikbaar zijn, als een dergelijk onderzoek niet op vrijwillige basis plaatsvindt. Deze grond slaagt niet. De stelling van belanghebbende is, volgens de Raad, speculatief van aard. Verder ligt het op de weg van het dagelijks bestuur om zich in het kader van de besluitvorming een oordeel te vormen over de bruikbaarheid van de resultaten van het onderzoek.

Redactionele noot
Ik ben wel benieuwd waarom het dagelijks bestuur heeft overwogen om de maatregel voor de vierde verwijtbare ‘gedraging’ tot nul te matigen. De vervolgvraag is misschien interessanter. Hoe gaat dit nu verder? Het ligt volgens mij niet in de lijn van de verwachting dat belanghebbende aan een vijfde uitnodiging voor een onderzoek wel zijn medewerking zal gaan verlenen. Zou op enig moment gesteld kunnen worden dat de maatregel geen gedragsverandering wordt bewerkstelligd? Op zich zou dat bij het schenden van een artikel 55 verplichting vreemd zijn want het dagelijks bestuur zou nog immer belet worden haar wettelijke taak tot arbeidsinschakeling te verrichten. Daarbij ga ik er overigens van uit dat het dagelijks bestuur niet op andere wijze kan vaststellen of, en zo ja welke ondersteuning in de arbeidsinschakeling (maatwerk) kan worden aangeboden.

©Ingeborg Lunenburg opleiding + advies

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*

zeventien − 14 =