Centrale Raad: de marginale zelfstandige en zijn verwervingskosten

Logo_rechtspraakHoewel de WWB het begrip marginale zelfstandige niet kent komt het toch regelmatig voor dat iemand op geld waardeerbare activiteiten verricht zonder dat sprake is van een loondienstverband en iemand ook niet wordt aangemerkt als zelfstandige in de zin van de Bbz-2004. In dat laatste geval moet iemand in ieder geval voor de voorziening in het bestaan zijn aangewezen op arbeid in eigen bedrijf of zelfstandig beroep (vergelijk CRVB:2013:2229 en CRVB:2011:BV0124). In de meeste gevallen maakt een marginale zelfstandige ook kosten voor het verwerven van inkomsten. De vraag is of deze kosten mogen worden afgetrokken van de winst. En zo ja, in welke mate. Dat laatste is van belang om de hoogte van de in aanmerking te nemen inkomsten te bepalen.

De Raad doet een uitspraak over kosten die belanghebbende maakt en in welke mate deze in mindering mogen worden gebracht op de omzet (CRVB:2014:1063).

Waar gaat het om?
Belanghebbende ontvangt vanaf 21 augustus 2010 bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Hij heeft toestemming om als zogeheten ‘marginaal zelfstandige’ werkzaam te zijn gedurende maximaal 20 uur per week. In de maanden november en december 2010 en april en mei 2011 verwerft hij inkomsten. Het college herziet de bijstand over deze maanden en vordert de teveel betaalde bijstand terug. In bezwaar verlaagt het college het terugvorderingsbedrag tot € 910,44. Daaraan ligt ten grondslag dat dit bedrag de winst is die belanghebbende heeft genoten. Daarbij is op de omzet van € 4.494,06 een bedrag van€ 3.583,62 (bedrijfskosten) in mindering zijn gebracht. Daartoe overweegt het college het volgende.

Standpunt college
Voor de opgevoerde telefoon- en internetkosten gaat het college uit van de verdeling 70% privé en 30% zakelijk. De opgevoerde kosten van een seminar in Frankrijk laat het college buiten beschouwing omdat belanghebbende bijstand ontvangt en eigenlijk niet kan deelnemen aan seminars aangezien hij moet solliciteren en beschikbaar moet zijn voor arbeid. Bovendien staan tegenover deze kosten geen inkomsten.

Belanghebbende in hoger beroep
Belanghebbende voert aan dat de kosten die hij heeft gemaakt voor het bezoeken van een in Frankrijk georganiseerde studiedag over de akoestiek van blaasinstrumenten behoren tot de bedrijfskosten die in mindering op de inkomsten moeten worden gebracht. Hij wijst er in dit verband op dat deze studiedag mede bedoeld was om contacten te leggen met Franse akoestici om zodoende zijn bekendheid te vergroten en uiteindelijk meer opdrachten en inkomsten te genereren. Dat de studiedag niet direct zichtbare inkomsten oplevert, betekent niet dat deze uit ondernemersoogpunt onverantwoord of niet noodzakelijk was. Daarnaast gaat het om eenmalige kosten die relatief beperkt zijn.

Het oordeel van de Raad
De Raad oordeelt dat deze beroepsgrond niet slaagt. Vaststaat dat de kosten van de studiedag in Frankrijk geen direct verband houden met de inkomsten die belanghebbende in de maanden in geding als marginaal zelfstandige heeft verworven. Al om die reden heeft het college deze kosten buiten de op de inkomsten in mindering te brengen bedrijfskosten kunnen laten. De enkele omstandigheid dat het gaat om eenmalige kosten die relatief beperkt zijn, brengt niet met zich dat het college de kosten van de studiedag als bedrijfskosten op de door belanghebbende genoten inkomsten in mindering had moeten brengen.

Privé en zakelijke gebruik
Belanghebbende voert verder aan dat de door het college gehanteerde verdeling tussen privé- en zakelijk gebruik van telefoon en internet tamelijk arbitrair is. Hij wijst er op dat een internetverbinding noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn werkzaamheden als zelfstandige, dat hij zijn telefoonabonnement heeft afgesloten in verband met het zakelijk gebruik van zijn telefoon en dat hij naar zijn gevoel meer zakelijk dan privé gebruik maakt van internet en telefoon. Het is volgens hem redelijk en billijk om de verhouding tussen privé- en zakelijk gebruik van internet en telefoon te stellen op 50%-50%, zoals ook door de Belastingdienst wordt geadviseerd.

Het oordeel van de Raad
De Raad oordeelt dat ook deze beroepsgrond niet slaagt. De werkzaamheden die belanghebbende als marginaal zelfstandige verricht, zijn relatief beperkt. Hij verklaart ter zitting van de rechtbank dat hij zonder zijn werkzaamheden als marginaal zelfstandige ook een telefoon zou hebben en dat hij dan ook een internetabonnement zou hebben afgesloten, zij het een wat minder kostbare. Daarnaast maakt hij niet aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aannemelijk dat hij zakelijk in dezelfde mate gebruik maakt van internet en telefoon als privé. Onder deze omstandigheden is de door het college gehanteerde verdeling tussen privé- en zakelijk gebruik van 70% – 30% niet onredelijk te achten. Dat de Belastingdienst (kennelijk) anders adviseert, maakt dat niet anders.

Redactionele noot
Gemeenten hanteren doorgaans beleid over wat onder een marginale zelfstandige wordt verstaan en aan welke voorwaarden moet worden voldaan. Verder behoort een bijstandsgerechtigde toestemming te vragen om zelfstandige activiteiten te verrichten. Dergelijke activiteiten zijn namelijk naar hun aard op geld waardeerbaar. Het begrip marginale zelfstandige is ontwikkeld in de jurisprudentie van de Raad en in 2003 uitgelegd door de toenmalige Staatssecretaris van SZW. De Raad oordeelt in CRVB:1999:ZB8217 als volgt.

Bescheiden omvang
Het staat een betrokkene niet in de weg werkzaamheden verricht als zelfstandige, mits die werkzaamheden niet van een meer dan bescheiden omvang zijn. De beoordeling daarvan moet plaatsvinden aan de hand van de zich in het concrete geval voordoende feiten en omstandigheden. Hierbij moet onder meer worden gelet op:

  • het tijdsbeslag van de werkzaamheden die de betrokkene al of niet in loondienst verricht
  • de al dan niet gebondenheid van de betrokkene aan die werkzaamheden voor de toekomst
  • de intentie van de betrokkene en zijn houding tegenover de (weder)inschakeling in arbeid.

Verder oordeelt de Raad dat de persoon die werkzaamheden als zelfstandige verricht van meer dan bescheiden omvang slechts in aanmerking kan komen voor algemene bijstand in de noodzakelijke kosten van het bestaan op grond van artikel 8 Abw en het daarop berustende Bz (thans Bbz 2004).

Verzamelbrief 18-02-2003
In punt 3 van zijn verzamelbrief geeft de Staatssecretaris van SZW de volgende omschrijving van marginale zelfstandige activiteiten:

“Productieve activiteiten van geringe omvang, die bescheiden inkomsten opleveren en die voor eigen rekening en risico worden uitgevoerd door uitkeringsgerechtigden met een grote afstand tot de arbeidsmarkt vanwege oorzaken als sociaal-culturele achtergronden, het ontbreken van opleiding, het gebrek aan ervaring met het werken in loondienst, of de lange werkloosheidsduur. Kenmerkend voor de activiteiten is dat deze naar verwachting ook op termijn, niet zullen leiden tot voldoende inkomsten om zelfstandig in de kosten van het levensonderhoud te kunnen voorzien. Uit de bovenstaande definitie blijkt dat activiteiten als zelfstandige die gericht zijn op het (op termijn) wel zelfstandig kunnen voorzien in de kosten van het bestaan niet worden gerekend tot marginale zelfstandige activiteiten van bescheiden aard. Om die reden worden gevestigde zelfstandigen, startende zelfstandigen en bijstandsgerechtigden die aangemerkt worden als préstarters (artikel 8, zesde lid, Algemene bijstandswet [red. thans: artikel 2 lid 3 Bbz 2004], ook al ligt het eigen inkomen beneden de bijstandsgrens, niet als marginaal zelfstandige aangemerkt. Voor hen gelden de regels voor bijstandsverlening aan zelfstandigen.”

Jurisprudentie
In de onderstaande tekst staan een aantal uitspraken over de voorwaarden die het college mag verbinden aan de bijstand en het opleggen van nadere verplichtingen (art. 55 WWB).

WWB of Bbz 2004
In CRVB:2007:BB4026 oordeelt de Raad dat een belanghebbende die niet als zelfstandige zoals omschreven in het Bbz 2004 kan worden aangemerkt behoort tot de kring van rechthebbenden van de WWB.

Geen belemmering arbeidsinschakeling
In CRVB:2008:BD0261 oordeelt de Raad dat het verrichten van zelfstandige werkzaamheden op bescheiden schaal de re-integratie van belanghebbende niet in de mag weg staan. Voor het college moeten de feitelijke activiteiten qua aard en omvang en het inkomen verifieerbaar zijn. Opgemerkt wordt dat vanaf 2015 het college belanghebbende geen ontheffing (meer) mag verlenen van de re-integratieverplichting, tenzij sprake is van volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid als bedoeld in Hoofdstuk 4 WIA (voorgesteld artikel 9 lid 5 WWB).

Inlichtingenplicht en deugdelijke boekhouding
In CRVB:2013:1621 oordeelt de Raad dat het college belanghebbende terecht tegenwerpt dat hij geen verklaring overlegt over de dag(en) en het tijdstip(pen) waarop werkzaamheden zijn verricht en geen deugdelijke boekhouding over zijn werkzaamheden overlegt. En dat hij, door ook nadien geen deugdelijke boekhouding te overleggen, niet aan de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft voldaan. De stelling van belanghebbende dat – gelet op zijn marginale inkomsten – de eis om een deugdelijke boekhouding te laten opstellen door een boekhouder disproportioneel is, treft geen doel. Het college verlangt immers niet van hem dat hij voor het bijhouden van een deugdelijke boekhouding een professionele boekhouder inschakelt. Het college verlangt slechts van hem dat hij bijhoudt waar, wanneer en wat hij heeft verkocht en welke inkomsten hij hieruit heeft gegenereerd. Daargelaten of sprake is van marginale inkomsten, valt niet in te zien waarom dat niet van belanghebbende kan worden gevergd.

Verkoop privé goederen
In CRVB:2011:BP8124 oordeelt de Raad dat het voor de toepassing van de WWB niet verboden is om goederen via internet te verkopen, mits daarvan melding wordt gemaakt aan het bijstandverlenend orgaan als daarmee inkomsten worden gegenereerd. De opbrengst van het incidenteel verkopen van privé-goederen, al dan niet via internet, wordt in het algemeen niet als inkomen aangemerkt, zodat daarvan in beginsel geen mededeling behoeft te worden gedaan. De wijze waarop belanghebbende mobiele telefoons koopt en weer verkoopt via internet duidt op incidentele aan- en verkoop van mobiele telefoons voor privé-gebruik. Het college maakt niet aannemelijk dat belanghebbende zijn wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden.

Bedrijfsmatige en hobbymatige activiteiten
In CRVB:2010:BM3466 oordeelt de Raad dat het onderscheid tussen bedrijfsmatige en hobbymatige activiteiten voor de WWB niet relevant is. Belanghebbenden moeten opgave doen van al hun inkomsten, ongeacht of het om bedrijfsmatig verrichte of bij wijze van hobby uitgeoefende activiteiten ging. Belanghebbende was werkzaam als zelfstandig boomkweker. Na beëindiging van het bedrijf deelt het college per brief mede dat geen verkoop van bomen en planten meer mocht plaatsvinden. Door vervolgens aan het college niet te melden dat hij inkomsten verwerft uit de verkoop van planten, bomen, pups, oud ijzer en een hobbypaard, schendt belanghebbende de op hem rustende inlichtingenverplichting en als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Nadere verplichtingen
In CRVB:2012:BX8446 oordeelt de Raad dat onder toepassing van artikel 55 WWB een belanghebbende kan worden verplicht gemiddeld niet meer dan 20 uur per week activiteiten als zelfstandige te verrichten. Met deze verplichting wordt voorkomen dat hij ten onrechte bijstand ontvangt (lees ook: niet als zelfstandige onder de Bbz 2004 valt/wordt gerekend).
In CRVB:2012:BY6616 oordeelt de Raad dat onder toepassing van artikel 55 WWB een belanghebbende kan worden verplicht zijn werkzaamheden als (marginale) zelfstandige te beëindigen als deze werkzaamheden een serieus beletsel vormen of blijken te vormen bij diens daadwerkelijke arbeidsinschakeling.

Verwervingskosten
De vraag is of de marginale zelfstandige bedrijfskosten in mindering mag brengen op de winst. En zo ja, wanneer dat het geval is.

Algemeen
De hoogte van de algemene bijstand is het verschil tussen het inkomen en de bijstandsnorm (art. 19 lid 2 WWB).  Volgens vaste jurisprudentie van de Raad is er bij de vaststelling van het in aanmerking te nemen inkomen geen ruimte voor verrekening van verwervingskosten (CRVB:2010:BO2761, CRVB:2009:BJ7733 en CRVB:2012:BX0177).
Voor zover verwervingskosten niet in mindering worden gebracht op de winst, staat voor deze kosten de weg van de bijzondere bijstand (zich voordoen van noodzakelijke kosten die voortvloeien uit de bijzondere omstandigheden) open (CRVB:2005:AU9078 en CRVB:2000:AJ9668).

Verwervingskosten aanvoeren niet succesvol
In de meeste gevallen gaat het bij uitspraken over marginale zelfstandigen over het schenden van de inlichtingenplicht omdat op geld waardeerbare activiteiten worden verricht. Doorgaans levert dat een herziening of intrekking van het recht op bijstand op en bij gevolg een terugvordering van de ten onrechte of tot een hoog bedrag ontvangen bijstand. In de daarop volgende procedure wordt dan vaak aangevoerd dat het college (buitengewone) verwervingskosten in mindering had moeten brengen op de inkomsten. In bijna alle gevallen is dat niet succesvol. Hieronder een overzicht van jurisprudentie.

Geringe overschrijding maximale jaarwinst
In CRVB:2013:8494 oordeelt de Raad over het standpunt van het college dat de geringe overschrijding van de maximaal toegestane jaarwinst geen reden is tot matiging van de terugvordering. Bij de huidige stand van zaken viel belanghebbende niet onder de werking van de bescheiden schaalregeling. Volgens het college betekent dit dat alle inkomsten (zonder aftrek van verwervingskosten) van belanghebbende op de bijstand in mindering moeten worden gebracht. Gegeven de omzet, zoals deze blijkt uit de jaarcijfers, zou in dat geval naar alle waarschijnlijkheid geen aanspraak op bijstand hebben bestaan. Bovendien bestond over de jaren 2008 tot en met 2010 geen aanspraak op bijstand op grond van de WWB, omdat belanghebbende zich bij de Belastingdienst presenteert als een zelfstandige die meer dan 23,50 uur per week als zelfstandige werkzaam is, waarbij hij gebruik kan maken van de zelfstandigenaftrek.

Het geven van muzieklessen
In CRVB:2013:2135 oordeelt de Raad over een zaak waarbij belanghebbenden geen opgave hebben gedaan van muzieklessen, de verkoop van schilderijen en programmaboekjes. De bevindingen van het onderzoek door de sociale recherche bieden een toereikende grondslag voor de conclusie dat belanghebbende tegen betaling gitaarlessen heeft gegeven. Belanghebbenden maken niet aannemelijk dat in het geval zij wel aan de inlichtingenverplichting hadden voldaan, zij recht hadden op (aanvullende) bijstand. Het subsidiaire standpunt van hen dat met de muzieklessen, na aftrek van de daarmee verband houdende kosten, geen inkomsten zijn gegenereerd, miskent dat volgens vaste rechtspraak (CRVB:2004:AQ2075) bij de vaststelling van inkomsten uit arbeid die op de bijstand in mindering worden gebracht geen rekening wordt gehouden met verwervingskosten. Tijdens de hoorzitting verklaart de gemachtigde van belanghebbenden dat zij meer tijd nodig hebben om gegevens te verstrekken, waaronder de boekhouding in de vorm van notities, agenda’s en bankrekeningen. Vaststaat dat zij dergelijke gegevens ook nadien niet hebben verstrekt.

Fokken van honden
In CRVB:2012:BW5334 oordeelt de Raad dat niet in geschil is dat belanghebbende activiteiten verricht bestaande uit het fokken van honden. En dat deze activiteiten hebben geleid tot de verkoop van in totaal 43 puppy’s voor een gemiddelde verkoopprijs van € 750 per puppy in de maanden waarin het dagelijks bestuur de bijstand heeft herzien en ingetrokken. Door van het fokken van honden en de daarmee verworven inkomsten aan het dagelijks bestuur geen opgave te doen, schendt belanghebbende de op haar rustende inlichtingenverplichting (art. 17 lid 1 WWB). Haar standpunt dat het dagelijks bestuur op de hoogte was van haar activiteiten en dat zij erop mocht vertrouwen dat zij geen melding hoefde te maken van de inkomsten zolang zij geen winst behaalde, vindt geen steun in de gedingstukken. Uit het ambtelijk verslag blijkt dat belanghebbende is geconfronteerd met een bij de gemeente binnengekomen brief waarin wordt aangegeven dat zij inkomsten zou genereren uit de verkoop van puppy’s. Eerst tijdens een huisbezoek blijkt dat zij diverse honden verzorgde en ook met die honden fokte. In het kostenoverzicht ziet het dagelijks bestuur aanleiding de kosten die direct verband houden met de gefokte puppy’s op het bedrag aan inkomsten in mindering te brengen. Daarbij heeft het dagelijks bestuur terecht uitsluitend rekening gehouden met concrete, verifieerbare en controleerbare kosten. Het door belanghebbende in beroep overgelegde overzicht van kosten die in het algemeen worden gemaakt voor een pup en voor de moederhond is onvoldoende om de gestelde kosten aannemelijk te maken. Het dagelijks bestuur was dan ook op grond van artikel 54 lid 3 aanhef en onder a WWB bevoegd de aan belanghebbende verleende bijstand over de betreffende maanden te herzien en in te trekken en alsnog rekening te houden met haar inkomsten over die maanden. 

Verkoop van kittens
In CRVB:2009:BL1753 oordeelt de Raad over de terugvordering van bijstand wegens de verkoop van vijf kittens voor een totaalbedrag van € 1.250. De Raad oordeelt dat de activiteiten van het fokken van raskatten van belanghebbende – hoewel gering in omvang – naar hun aard het hobbymatig karakter te buiten gaan. Er is sprake van schending van de inlichtingenverplichting. De Raad ziet niet in dat, zoals belanghebbende stelt, het college rekening had moeten houden met alle kosten die zijn gemoeid met het uitoefenen van haar hobby. Het gaat hier immers uitsluitend om inkomsten uit de verkoop van vijf kittens, buiten het kader van de hobby om, zodat het college uitsluitend rekening kon houden met de aantoonbaar gemaakte en direct aan (het fokken van) die kittens toe te rekenen kosten. Belanghebbende toont de directe kosten van de dierenarts voor inentingen aan.

Werkzaamheden als prostituée
In CRVB:2005:AU4212 oordeelt de Raad over de aangevoerde verwervingskosten van werkzaamheden als prostituée voor huur of het gebruik van een pand. Inkomsten worden op grond van artikel 42 Abw (thans art. 31 WWB) verrekend. Gelet op artikel 43 Abw (thans art. 32 WWB) is geen ruimte voor de door belanghebbende voorgestane verrekening van verwervingskosten met inkomsten. Belanghebbende onderbouwt haar stelling – dat zij 50% van haar verdiensten moest afdragen aan de eigenaar van het pand waar zij werkzaam was – niet met concrete en verifieerbare gegevens. Verder heeft zij nagelaten een (deugdelijke) boekhouding van haar werkzaamheden bij te houden. Daarom kunnen de opgevoerde kosten niet met zekerheid worden vastgesteld. De gevolgen daarvan moeten voor rekening van haar blijven. De verklaring van een toenmalige collega dat ook zij 50% van haar verdiensten moest afdragen vormt onvoldoende grond voor een ander oordeel. Dat geldt ook voor haar stelling van dat een afdracht van 50% algemeen gebruikelijk is, als men als prostituée werkt.

Kosten materialen
In CRVB:2004:AR6892 oordeelt de Raad over het beleid van het college. Daarin staat dat uitsluitend de directe kosten (in casu de kosten van gebruikte materialen voor de vervaardiging van een schilderij) en niet de algemene beroepskosten op de inkomsten in mindering worden gebracht. Volgens de Raad is dat niet in strijd met de Abw. Daarbij tekent de Raad aan dat belanghebbende – zoals zij ook heeft gedaan – de verwervingskosten kon opvoeren in het kader van haar belastingaangifte en dat een daarmee samenhangende belastingteruggave niet tot de middelen wordt gerekend (thans art. 31 lid 3 WWB). Belanghebbende wijst er nog op dat het college in zijn beleidsregels als uitgangspunt hanteert dat het voor verwervingskosten geen bijzondere bijstand toekent. Een beoordeling van dat standpunt valt evenwel, nu het hier niet gaat om een afgewezen verzoek om bijzondere bijstand, buiten het kader van het onderhavige geschil.

Vertrouwensbeginsel
In CRVB:2004:AP0298 oordeelt de Raad over het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel en het in mindering brengen van verwervingskosten op de inkomsten. Noch uit de rapportage, noch uit de andere gedingstukken blijkt dat er met belanghebbende afwijkende afspraken ter zake zijn gemaakt. In meergenoemde rapportage is vermeld dat aan hem uitleg is gegeven over het korten van inkomsten, en dat hij dit via de inkomstenverklaring moet doorgeven. Belanghebbende vermeld echter zijn freelance werkzaamheden niet op de maandelijkse inkomstenverklaringen. Nu hij van zijn werkzaamheden en de daarmee verband houdende inkomsten geen opgave doet, is de Raad van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt stelt dat belanghebbende de inlichtingenplicht heeft geschonden. En dat hij als gevolg daarvan teveel bijstand heeft ontvangen. Partijen verschillen verder van mening over het antwoord op de vraag of op de inkomsten verwervingskosten in mindering moeten worden gebracht. De Raad is met het college van mening dat belanghebbende niet aan de hand van verifieerbare gegevens aannemelijk maakt dat hij meer verwervingskosten had dan de door hem ontvangen onkostenvergoeding. Het overzicht van belanghebbende over provisie en gemaakte kosten kan niet als zodanig worden aangemerkt. Al daarom kan met verwervingskosten geen rekening worden gehouden. Verder kan aan het standpunt van de Belastingdienst over de geaccepteerde beroepskosten over 1998 niet die betekenis worden toegekend die hij daaraan gehecht wil zien. Al omdat de gegevens waarop de Belastingdienst zich baseert ontbreken.

Gemeentelijk beleid
In CRVB:2005:AU4227 oordeelt de Raad over de toepassing van het gemeentelijk beleid bij marginale zelfstandigen.

Het college hanteert beleid voor (onder meer) kunstenaars. Daarin staat dat de bruto-inkomsten volledig op de uitkering in mindering worden gebracht en kan voor buitengewone verwervingskosten bijzondere bijstand worden aangevraagd. Met de aangifte inkomstenbelasting stelt het college achteraf de feitelijke inkomenskorting over het voorbije jaar vast. Voor belastingaanslagen kan bijstand worden verstrekt. Vaststaat dat belanghebbende niet kan worden aangemerkt als een zelfstandige als bedoeld in artikel 5 lid 1 Awb (thans art. 2 Bbz 2014) en dat de bruto-inkomsten van hem  hoger waren dan de op hem van toepassing zijnde bijstandsnorm.

Ingevolge artikel 27 lid 1 Abw (thans art. 45 lid 1 WWB) wordt de algemene bijstand per kalendermaand vastgesteld. Volgens het derde lid (thans tweede lid) kan het college besluiten de algemene bijstand over een langere periode vast te stellen voorzover het patroon van inkomensverwerving en de hoogte daarvan daartoe aanleiding geeft. Artikel 47 lid 1 Abw (thans art. 32 WWB) bepaalt, voorzover hier van belang, dat onder inkomen wordt verstaan de op grond van paragraaf 1 in aanmerking genomen middelen voorzover deze betreffen:
a. inkomsten uit of in verband met arbeid (..) en
b. betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.

De Raad ziet geen grond om het standpunt van het college dat belanghebbende over de betreffende maanden geen recht heeft op bijstand niet te volgen. Aangezien belanghebbende geen zelfstandige is als bedoeld in artikel 5 lid 1 Abw, zijn de regels voor bijstandsverlening aan zelfstandigen, waaronder artikel 47 lid 3 Abw, in dit geval niet van toepassing. Het college was dan ook niet op grond van laatstgenoemde bepaling verplicht om pas na afloop van een boekjaar rekening te houden met het in dat jaar verworven inkomen. Voor het overige verwijst de Raad naar zijn tussen partijen gewezen uitspraak CRVB:2005:AT4429, waarin bovenvermeld beleid van het college aanvaardbaar is bevonden en in overeenstemming met onder meer artikel 45 lid 1 Abw (thans art. 31 lid 3 WWB).

Succesvol aangevoerde verwervingskosten
In CRVB:2004:AO5500 oordeelt de Raad over de vraag of het college verwervingskosten in mindering met brengen op de inkomsten van belanghebbenden die handelen in oud ijzer en schroot.

De ingezamelde handelswaren worden door hen aan diverse opkopers te koop aangeboden. Ter vaststelling van de opbrengst worden deze handelswaren door de opkopers met behulp van een weegbrug gewogen. Na de weging ontvangen belanghebbenden zogenoemde weegbriefjes, waarop het netto gewicht van deze waren staat vermeld. Met deze weegbriefjes berekent het college de met deze handel verkregen inkomsten ter vaststelling van het recht op (aanvullende) bijstand. Voor belanghebbende 1 gaat het daarbij om een aantal van 664 weegbriefjes en voor belanghebbende 2 om 277 weegbriefjes. Ter adstructie brengen belanghebbenden in hoger beroep vijf kopieën van weegbriefjes in geding van door [naam opkoper] in 1998 gedane wegingen. Aan de hiervoor vermelde, in bezwaar overgelegde, door [naam opkoper] getekende verklaring wordt het volgende ontleend:

“In de uitoefening van mijn bedrijf koop ik, reeds vanaf 1994, dagelijks de door mijn klanten ingezamelde ferro en non ferro metalen tot de opslag en verhandeling waarvan mij door het College van B&W der gemeente [vestigingsplaats] een vergunning als bedoeld in de Wet Milieubeheer is verleend. Alvorens de aan mijn bedrijf te leveren zaken gelost kunnen worden dient te allen tijde de weging daarvan plaats te vinden waartoe zich, onmiddellijk bij de ingang op mijn terrein, een daartoe geëigende weegbrug bevindt. Het is mijn leveranciers bekend dat zij van deze weegbrug gebruik moeten maken tegen een vastgestelde vergoeding van een bedrag groot f 5,00 per weging en dat dit bedrag vervolgens wordt verrekend met het aan hen uitbetaalde bedrag dat zij ontvangen voor de door hen aan mij geleverde oude metalen. Eenieder die weegbonnen afkomstig van mijn bedrijf overlegt heeft voor deze weging dus per bon het hiervoor genoemde bedrag groot f 5,00 dienen te betalen.”.

De Raad heeft geen aanknopingspunt gevonden om te twijfelen aan de juistheid van deze verklaring. Naar het oordeel van de Raad blijkt hieruit zonder meer dat ten tijde hier in geding de aan [naam opkoper] aangeboden handelswaren te allen tijde moesten worden gewogen op de door [naam opkoper] geëxploiteerde weegbrug en dat daaraan kosten waren verbonden van f 5 per weging. Verder blijkt uit deze verklaring dat deze kosten direct verrekend worden met de opbrengst van de geleverde waren. Daaraan doet niet af dat deze verrekening niet op de weegbriefjes wordt vermeld aangezien [naam opkoper] verklaart dat een ieder die een weegbon van zijn bedrijf overlegt daarvoor per bon een bedrag van f 5 moet betalen.

Anders dan het college is de Raad van oordeel dat belanghebbenden met de verklaring van [naam opkoper] hebben voldaan aan het door het college bij brief gedane verzoek en dat zij voldoende aannemelijk maken dat zij ten tijde hier in geding met betrekking tot hetgeen zij [naam opkoper] aan oud ijzer en schroot te koop hebben aangeboden per overgelegde bon weegkosten hebben gemaakt van f 5 per weging, welke kosten geheel voor hun rekening zijn gebleven.

Dit leidt de Raad tot de conclusie dat het college zich ten onrechte op het standpunt stelt dat belanghebbenden niet aantonen, noch aannemelijk maken dat zij daadwerkelijk weegkosten hebben gemaakt.

©Ingeborg Lunenburg opleiding + advies

Een gedachte over “Centrale Raad: de marginale zelfstandige en zijn verwervingskosten

  1. Pingback: Best gelezen en Series – Ingeborg Lunenburg Opleiding + Advies

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*