Toch nog de Wet Werken Naar Vermogen en WWB en Wmo jurisprudentie

Wet Werken Naar Vermogen
In mijn weblog van 30 april schreef ik een paar woorden over het Stabiliteitsprogramma Nederland, april 2012. Uit de media blijkt nog eens dat ook de korting op de Wsw vervalt. Misschien dat het demissionair kabinet toch nog zijn Wet Werken Naar Vermogen (WWNV) krijgt. Maar veel van de inhoud is er volgens mij niet overgebleven.

De WWNV lijkt een grote lege jas te worden voor de onderkant van arbeidsmarkt die is aangewezen op inkomens- en arbeidsondersteuning. Gemeenten houden (voorlopig) weliswaar een groter budget voor arbeidsinschakeling maar het grootste deel daarvan gaat wel naar een relatief klein deel van de doelgroep; de sociale werkvoorziening. In deze grote jas worden – naar ik aanneem – nog wel de aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving en huisbezoek rechtmatigheid uitkering opgenomen. Aan het nieuwe kabinet rest de uitdaging om de bezuinigingsmaatregelen verder vorm te geven.

Op 29 mei zullen we meer weten. Op die datum wordt de lijst van controversiële onderwerpen in de plenaire vergadering in stemming gebracht. Daarvoor moeten de afzonderlijke Kamercommissies uiterlijk 24 mei een lijst hebben vastgesteld van de onderwerpen die zij controversieel achten.

Artikel ‘Kunnen participeren in een gezamenlijke verantwoordelijkheid’
Afgelopen week verscheen bovenstaand artikel in Sociaal Bestek, lees het artikel. Ik ben benieuwd of het Project Gezamenlijke Beoordeling landelijk wordt uitgerold. Het Project Gezamenlijke Beoordeling is een project van het Ministerie van SZW en VWS. Het Ministerie van BZK is sponsor. In de laatste nieuwsbrief Gezamenlijke Beoordeling is Marlies Veldhuijzen van Zanten-Hyllner, thans demissionair Staatssecretaris van VWS gevraagd drie vragen te beantwoorden.

Gezamenlijk Beoordelen: luxe of noodzaak?

“Noodzaak, want we moeten zorgen dat mensen die ons nodig hebben niet verdwalen in een oerwoud van regels en hulpverleners!”

Wat kunt u bijdragen om Gezamenlijk Beoordelen in praktijk te brengen?

“In de eerste plaats het voor het voetlicht brengen van de positieve resultaten, de ‘best practices’. Dan bekijken we op welke manier we toepassing op grotere schaal het beste kunnen stimuleren en verbinden met het programma In voor Zorg. Maar natuurlijk moeten gemeenten en anderen daar de handschoen oppakken.”

Wat kunt u de lokale initiatieven Gezamenlijke Beoordeling meegeven?

“Ga door met wat goed gaat en maak gebruik van de evaluatie om het proces verder fijn te slijpen. Blijf je verplaatsen in de situatie van de cliënt en heb als professionals vertrouwen in elkaar. Verspreid de boodschap naar collega’s dat samen beoordelen werkt!”

Jurisprudentie WWB (verplichte arbeidsinschakeling)
In CRvB 24-04-2012, BW4400 WWB oordeelt de CRvB over de vraag of het college belanghebbende kan verplichten gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale activering voor vijftien uur per week.

Belanghebbende is een bepaalde periode ontheven van de actieve sollicitatieplicht onder toepassing van artikel 9 lid 2 WWB. Bij besluit verleent het college (wederom) ontheffing van de sollicitatieplicht voor een jaar en legt belanghebbende de verplichting op om gebruik te maken van een aangeboden voorziening gericht op sociale activering voor maximaal zes uur per week. Een jaar later wordt opnieuw medisch en arbeidskundig onderzoek gedaan. Op basis van de resultaten daarvan ontheft het college belanghebbende bij besluit van de actieve sollicitatieplicht en legt hem de verplichting op gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale activering voor maximaal vijftien uur verdeeld over vijf dagdelen per week. Het college handhaaft dat besluit in bezwaar onder de nadere bepaling dat de ontheffing geldt voor de maximale duur van 36 maanden. Belanghebbende komt in beroep.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en overweegt daartoe het volgende. Belanghebbende stelt in beroep dat de hem opgelegde bewegingsactiviteit niet is te beschouwen als een voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9 lid 1 aanhef en onder b WWB. In zijn geval staat vast dat deelname aan bewegingsactiviteiten niet zal leiden tot toeleiding naar de arbeidsmarkt. De rechtbank verwerpt deze stelling onder verwijzing naar de MvT van de WWB waaruit zou blijken dat ook voor het bereiken van een tussendoel van zelfstandige participatie een voorziening kan worden ingezet. Belanghebbende komt in hoger beroep.

Belanghebbende stelt dat de rechtbank een verkeerde uitleg geeft aan de MvT van de WWB. Volgens belanghebbende geldt de voorwaarde voor het verplichten een aangeboden voorziening te accepteren dat uiteindelijk zicht moet bestaan op arbeidsinschakeling. Het tussendoel van zelfstandige participatie kan niet gelden als basis voor het opleggen van de verplichting gebruik te maken van een voorziening als evident is dat het einddoel niet haalbaar is, althans niet binnen de door het college gehanteerde termijn van 36 maanden. Het college stelt in het verweerschrift dat uit TK 2002/03, 28 870, nr. 13, p. 4 blijkt dat ook als geen zicht op bestaat op arbeidsinschakeling, een bestuursorgaan belanghebbende kan verplichten om gebruik te maken van een aangeboden voorziening.

De CRvB oordeelt als volgt. Ter beoordeling staat of belanghebbende zich terecht op het standpunt stelt dat het college hem niet had mogen verplichten gebruik te maken van de aangeboden voorziening gericht op sociale activering voor maximaal vijftien uur per week.

Uit de tekst van artikel 6 aanhef en onder c WWB – in het bijzonder de woorden ‘nog niet mogelijk’ – in verbinding met artikel 6 aanhef en onder b WWB vloeit voort dat voor de verplichting om op grond van artikel 9 lid 1 aanhef en onder b WWB gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale activering voor een aantal uur per week, is vereist dat de mogelijkheid bestaat dat de belanghebbende op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid – waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening – kan verkrijgen. Dit brengt mee dat – als die mogelijkheid niet bestaat – de belanghebbende niet kan worden verplicht gebruik te maken van een dergelijke voorziening.

De geschiedenis van de totstandkoming van de WWB leidt niet tot een ander oordeel. In de MvT van de WWB blijkt dat het uitgangspunt werk boven inkomen voor personen jonger dan 65 jaar centraal staat. Alle inspanningen van betrokkene en de gemeente moeten zijn gericht op arbeidsinschakeling. Het primaat van arbeidsinschakeling laat onverlet dat de gemeente de mogelijkheid heeft een voorziening aan te bieden in plaats van arbeid, als daarmee voor betrokkene de kans op duurzame arbeidsinschakeling wordt vergroot (TK 2002/03, 28 870, nr. 3, p. 4 en 5). Sociale activering heeft tot doel personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt terug te leiden naar de arbeidsmarkt, of als dit nog niet mogelijk is, als tussendoel te bevorderen dat personen zelfstandig kunnen deelnemen aan het maatschappelijk leven (TK 2002/03, 28 870, nr. 3, p. 35 en p. 7). Hieruit volgt dat als het einddoel arbeidsinschakeling, niet kan worden bereikt, er geen grond is een belanghebbende te verplichten om gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale activering.

In TK 2002/03, 28 870, nr. 13, p. 4 – waarop het college zich beroept – is vermeld dat een belanghebbende verplicht is algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden en, wanneer dat (nog) niet tot de mogelijkheden behoort, verplicht is gebruik te maken van voorzieningen, waaronder sociale activering. Het enkele feit dat het woord ‘nog’ tussen haakjes is geplaatst, biedt geen grond om tot een ander oordeel dan in r.o. 4.2.1 en 4.2.2 te komen, te minder nu in deze nota de uitgangspunten van de WWB en de visie over het einddoel van een voorziening niet zijn gewijzigd (TK 2002/03, 28 870, nr. 13, p. 4 en 26).

Verder is in deze nota vermeld dat het kabinet beseft dat er zich altijd omstandigheden voor blijven doen waaronder een algehele ontheffing van de arbeidsverplichtingen het meest reëel is. Daarbij is opgemerkt dat een ontheffing in beginsel altijd tijdelijk is en dat gemeenten dus gehouden zijn om van tijd tot tijd te (laten) beoordelen of de noodzaak tot ontheffing nog aanwezig is (TK 2002/03, 28 870, nr. 13, p. 44).

Uit het advies blijkt dat bij belanghebbende sprake is van meervoudige problematiek. Hij heeft zowel psychische als lichamelijke klachten waardoor – in combinatie met zijn leeftijd van 58 jaar – gebrekkige taalbeheersing, gebrek aan opleiding en gebrek aan werkervaring sprake is van een – door de arbeidsdeskundige als zeer groot bestempelde – afstand tot de arbeidsmarkt. De verzekeringsarts acht belanghebbende in staat om dagelijks enkele uren per dag met lichte oefeningen bezig te zijn, maar beantwoordt de vraag of daardoor reguliere arbeid in het verschiet komt te liggen, ontkennend. Hij wijst er daarbij op dat het afgelopen jaar wat dat betreft geen ontwikkeling heeft laten zien en niets erop wijst dat daarop in de toekomst wel perspectief is. Ook de arbeidsdeskundige oordeelt dat geen reëel perspectief bestaat op re-integratie in regulier werk.

Uit deze adviezen blijkt dat er ten tijde van belang geen grond was aan te nemen dat voor belanghebbende de mogelijkheid bestaat op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid – waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening – te verkrijgen. Dit brengt mee dat het college belanghebbende bij besluit ten onrechte heeft verplicht deel te nemen aan een voorziening gericht op sociale activering voor maximaal vijftien uur per week. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

De CRvB vernietigt het besluit, verklaart het beroep gegrond en voorziet zelf in de zaak voor zover belanghebbende is verplicht gebruik te maken van de aangeboden voorziening. Overigens laat dit oordeel onverlet dat het college aan de hand van actuele adviezen opnieuw de situatie van belanghebbende kan beoordelen.

Langdurigheidstoeslag
In Rechtbank Zutphen 29-02-2012, BV9406 WWB oordeelt de rechtbank dat de bepaling in de verordening langdurigheidstoeslag die de personenkring beperkt tot degene die een zelfstandig wonende bewoner is, onverbindend is. Belanghebbende woont in een beschermde woonvorm en niet in geschil is dat hij niet zelfstandig woont.

De rechtbank oordeelt als volgt. Uit artikel 36 lid 1 WWB vloeit voort dat het college gehouden is de langdurigheidstoeslag te verstrekken als de aanvrager aan de gestelde voorwaarden in deze bepaling voldoet. De toelichting op de wijziging van de Wet werk en bijstand in verband met decentralisering van de langdurigheidstoeslag (TK 2007/08, 31 441, nr. 3, p. 4-7) vermeldt onder meer: (…) Gemeenten moeten een langdurigheidstoeslag verstrekken aan personen die langdurig op een minimum inkomen zijn aangewezen, geen in aanmerking te nemen vermogen en geen arbeidsmarktperspectief hebben.

De gemeenten moeten in een verordening daartoe regels stellen met betrekking tot de hoogte van de toeslag en de invulling van de begrippen langdurig, laag inkomen en gebrek aan arbeidsmarktperspectief. (…). Deze bijzondere categoriale voorziening staat in beginsel open voor iedereen met een laag inkomen (de gemeente kan de grenzen hiervoor zelf bepalen), dus ook voor werkenden die nu zijn uitgesloten van langdurigheidstoeslag. (…).

Bij brief van 7 december 2004 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Tweede Kamer geschreven: (…) Het recht op een langdurigheidstoeslag is niet gekoppeld aan het al dan niet voeren van een zelfstandige huishouding. (…). Uit deze brief leidt de rechtbank af dat niet beoogd is het recht op een langdurigheidstoeslag te koppelen aan een bepaalde woon- of leefvorm. Uit de artikelen 8 en artikel 36 WWB noch uit de wetsgeschiedenis valt af te leiden dat de wetgever sinds genoemde brief aan de gemeenteraad de vrijheid heeft willen geven om niet zelfstandig wonende personen, die op grond van de voorwaarden zoals vermeld in artikel 36 lid 1 WWB in beginsel aanspraak zouden kunnen maken op een langdurigheidstoeslag, categoraal uit te sluiten van de kring van rechthebbenden. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat uit de wetsgeschiedenis niet is gebleken dat de woorden ‘in ieder geval’ in artikel 8 lid 2 aanhef en onder b WWB zelfstandige betekenis hebben.

Jurisprudentie Wmo
In CRvB 18-04-2012, BW3259 Wmo oordeelt de CRvB over de vraag of het college de aanvraag om een PGB voor de aanschaf van een vierwielige scootmobiel terecht weigert.

Belanghebbende heeft beperkingen bij het verplaatsen buiten de woning. De vorige gemeente waar zij woonachtig was heeft aan haar een driewielige scootmobiel in bruikleen verstrekt. Na de verhuizing in 2005 heeft de gemeente de scootmobiel – van het bouwjaar 2003 – overgenomen. In 2007 haalt het college de scootmobiel op verzoek van belanghebbende op. Vervolgens koopt zij in 2007 zelf een vierwielige scootmobiel en vraagt daarvoor in 2008 om een PGB.

Het college weigert de aanvraag en handhaaft dat besluit in bezwaar. Belanghebbende komt in beroep. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en oordeelt daarbij dat er geen noodzaak was tot het verstrekken van een vierwielige scootmobiel. De driewielige scootmobiel die belanghebbende had was in goede staat en kon door haar nog worden gebruikt en is goedkoper dan een vierwielige scootmobiel. Onder die omstandigheden acht de rechtbank de keuzemogelijkheid als bedoeld in artikel 6 Wmo niet aan de orde.

Tussen partijen is in geschil of het college een PGB aan belanghebbende had moeten toekennen. Het college stelt zich op het standpunt dat zolang een eerder in natura verleende voorziening nog adequaat en compenserend is, de keuzemogelijkheid niet aan de orde is.

De CRvB oordeelt als volgt. De driewielige scootmobiel moet worden gezien als een voor belanghebbende adequate en compenserende voorziening.

Artikel 6 Wmo bepaalt de keuzevrijheid van degene die is aangewezen op een individuele voorzie-ning. Het college moet een persoon die aanspraak heeft op een dergelijke voorziening de keuze bieden tussen het ontvangen daarvan in natura of een hiermee vergelijkbaar PGB, tenzij hiertegen overwegende bezwaren bestaan. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat bij de uitzondering “overwegende bezwaren” aanvankelijk alleen gedacht is aan persoonsgebonden bezwaren, zoals de verstrekking van een PGB aan een persoon die daarmee niet om zou kunnen gaan, bijvoorbeeld een drugsverslaafde (TK 2005/06, 30 131, nr. 100 en TK 2005/06, 30 131, nr. 97 p. 2). Uit de verdere behandeling van het wetsvoorstel blijkt dat de overwegende bezwaren ook algemeen van aard kunnen zijn en kunnen berusten op doelmatigheidsoverwegingen. Daaronder kan worden begrepen de overweging dat een veelvuldig beroep op persoonsgebonden budgetten het in stand houden van een systeem van collectief vervoer kan ondergraven (Handelingen EK p. 34-1654). Daarbij heeft te gelden dat een gemeente niet al te lichtvaardig mag besluiten om de keuzevrijheid te beperken (EK 2005/06, 30 131, E, p. 4) en dat de overwegende bezwaren niet te ver opgerekt mogen worden. Zo is het per se niet zo dat bijvoorbeeld een inkoopvoordeel, dat mogelijkerwijs niet behaald wordt omdat een bepaald percentage mensen kiest voor een PGB, als een overwegend bezwaar kan worden aangemerkt (Handelingen EK p. 34-1602).

Naar de bedoeling van de wetgever zal er dus niet licht van “overwegende bezwaren” van algemene aard sprake kunnen zijn. De bezwaren moeten zodanig ernstig zijn, dat het voortbestaan van het in geding zijnde systeem van individuele voorzieningen gevaar loopt. Een beperking van de keuzevrijheid zal dan ook, concreet en verifieerbaar onderbouwd met feitelijke gegevens over de risico’s voor het voortbestaan van het systeem, gemotiveerd moeten worden.

Ter zitting beroept het college zich op doelmatigheidsoverwegingen en wil in geval van belanghebbende voorkomen dat het voor dubbele kosten komt te staan. Als een PGB wordt verstrekt aan een persoon – die een adequate en compenserende voorziening in natura inlevert – ontstaat immers het risico dat die voorziening ongebruikt in een opslagruimte staat terwijl daarnaast een PGB tot uitbetaling komt. Het is de zorg van het college dat een grote groep personen die van het college een driewielige scootmobiel in bruikleen heeft gekregen, alsnog een voorkeur zal hebben voor een vierwielige scootmobiel, waardoor het genoemde risico verder zal toenemen.

De CRvB vindt de vrees voor dubbele kosten te worden gesteld in beginsel een deugdelijke onder-bouwing dat sprake is van overwegende bezwaren die in de weg kunnen staan aan het bieden van een keuzevrijheid van artikel 6 Wmo. Wel oordeelt de CRvB dat een dergelijk risico zich beperkt tot de verstrekte voorzieningen, waarbij de economische afschrijvingsduur nog niet is verlopen. Is dat echter wel het geval, dan mag het college die personen niet meer beperken in hun keuzevrijheid en staat het hen vrij om de door het college verstrekte voorziening in natura in te leveren en te kiezen voor een PGB.

Niet in geschil is dat de economische afschrijvingsduur van de eerder in bruikleen verstrekte driewielige scootmobiel vijf jaren bedraagt (bouwjaar 2003). Dat houdt in dat de economische afschrijvingsduur in mei 2008 was verlopen. Daarna dient belanghebbende haar aanvraag in, zodat er geen beletsel was om haar voor een PGB in aanmerking te brengen. Het feit dat belanghebbende de eerder aan haar verstrekte scootmobiel had ingeleverd maakt dat niet anders. Immers is aan haar – in de tussenliggende tijd – geen andere scootmobiel verstrekt.

De CRvB vernietigt het besluit en voorziet zelf in de zaak door te bepalen dat belanghebbende met ingang van de dag waarop het college haar aanvraag heeft ontvangen in aanmerking komt voor een eenmalige PGB van € 2.479,98 en gedurende de periode van gebruik van de scootmobiel jaarlijks een bedrag van € 317,48.

Noot redactie
Een interessante uitspraak die ook vragen oproept. Belanghebbende levert in oktober 2007 haar driewielige scootmobiel in, koopt dan een vierwielige scootmobiel en vraagt daarvoor bijna een jaar later om een PGB. Uit vaste jurisprudentie volgt dat “kosten gemaakt voor het besluit” geen houdbare grondslag is voor de weigering van een aanvraag om een voorziening (zie bijvoorbeeld CRvB 15-02-2012, BV5418 Wmo en Rechtbank Zutphen 01-02-2012, BV3626 Wmo). Bij de auteur is (nog) geen jurisprudentie bekend waarbij het standpunt van een onredelijk laat ingediende aanvraag in geschil is.

Uit deze uitspraak kan ook worden geconcludeerd dat een belanghebbende geen eigen bijdrage meer is verschuldigd als de economische waarde van een voorziening is afgeschreven. Dat speelt in ieder geval bij gemeenten die de voorzieningen zelf in depot hebben en als bruikleenverstrekker optreden. Dat zou anders kunnen liggen als gemeenten een huurovereenkomst hebben met een leverancier waarvoor maandelijks huurbedragen zijn verschuldigd en de leverancier met de gebruiker van de voorziening een bruikleenovereenkomst aangaat.

Verder is het – gelet op de hoogte van het PGB – waarschijnlijk dat het om een tweede hands scootmobiel gaat. Uit de uitspraak blijkt verder ook niet wat de looptijd van het PGB is (lees ook: economische afschrijvingsduur).

©Ingeborg Lunenburg opleiding + advies

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*