Nog geen bijstand. Lening voor levensonderhoud aannemelijk gemaakt?

Deze blogpost is deel 7 van 8 in de serie Middelen

Van de lucht kun je niet leven. Het kan daarom voorkomen dat iemand, die in afwachting is van de beslissing op zijn bijstandsaanvraag financiële middelen ontvangt van een ander. Dit kan zich overigens ook voordoen gedurende de periode dat het recht is opgeschort en er om die reden geen betaling van de bijstand plaatsvindt. Kunnen deze middelen buiten de bijstandsverlening gelaten worden? Wat moet iemand bewijzen?

Daar deed de Raad recent weer een uitspraak over die ook verwerkt was in casuïstiek voor de Studiedag Participatiewet: eisen aan de bewijzen op 8 december jl..

Wat is de algemene lijn?
In het algemeen is het zo dat een betrokkene in beginsel geen recht op bijstand heeft als hij zich periodieke middelen tot levensonderhoud verschaft door leningen aan te gaan (CRVB:2013:BY9138). Dit kan echter anders zijn als die betrokkene in een periode waarin hij geen bijstand of ander inkomen ontvangt ter voorziening in zijn levensonderhoud is aangewezen op het aangaan van leningen (CRVB:2014:3872, CRVB:2014:455, CRVB:2015:3188). Denk aan de situatie dat het college nog niet heeft beslist op de aanvraag of als het recht op bijstand is opgeschort onder toepassing van art. 54 lid 1 PW.

Aannemelijk maken als bewijs
Op basis van de hiervoor aangehaalde rechtspraak zal de betrokkene eerst aannemelijk moeten maken dat er geen ander inkomen is, en verder dat het gaat om leningen die zijn verstrekt voor levensonderhoud. Of het college vervolgens de financiele middelen buiten de bijstand moet laten is het van belang dat betrokkene aannemelijk maakt:

  • van wie,
  • wanneer,
  • op welke wijze en
  • tot welk bedrag hij de lening heeft ontvangen,
  • dat bij de betaling, en niet later, de afspraak is gemaakt dat het een lening betreft en
  • dat die dus terugbetaald moet worden, en dat die lening voor levensonderhoud bedoeld is.

Wat volstaat als bewijs?
Een bankoverschrijving met de vermelding “lening voor levensonderhoud” zal daartoe in beginsel volstaan. Dat daarbij de identiteit van de crediteur vaststaat, is van belang in verband met het volgende. Verkeert een betrokkene in een situatie zoals hier genoemd en heeft hij leningen ontvangen over een periode waarin hij recht op bijstand heeft, zal het college aan die bijstandsverlening de voorwaarde mogen verbinden dat de schulden, die door aangegane leningen zijn ontstaan, terstond worden betaald en dat mogen controleren. Bij een aanvraag is dat te vergelijken met de situatie wanneer het college na een aanvraag maar voor een besluit daarop een voorschot zou hebben verstrekt (art. 52 PW). Is de lening hoger dan de bijstandsnorm dan zal het college het meerdere als inkomen bij de bijstandsverlening moeten betrekken.

Recente uitspraak
In CRVB:2020:2953 oordeelt de Raad over een zogeheten tweede aanvraag na een eerdere inhoudelijke afwijzing. De eerste aanvraag is terecht afgewezen op de grond dat appellant onvoldoende duidelijkheid heeft verstrekt over zijn financiële situatie; betrokkene had op zijn naam geregistreerde auto’s.

De tweede aanvraag
Het college kent bijstand toe naar de norm voor een alleenstaande. Daarbij zijn onder meer de stortingen en bijschrijvingen in de periode waarover bijstand wordt verleend als inkomen aangemerkt en op de bijstand in mindering gebracht. In de beslissing op bezwaar wordt slechts een herstelactie doorgevoerd voor zover bedragen dubbel op de bijstand van appellant in mindering zijn gebracht.

Hoger beroep over financiële middelen
Vast staat dat op de bankrekening van appellant in de te beoordelen periode door X op 9 oktober 2017 een bedrag van € 350 is bijgeschreven met de vermelding ‘voor huur’ en meerdere bedragen, in totaal € 689, met de vermelding ‘lening’ of ‘lenen’. Het hoger beroep van appellant beperkt zich tot de bijschrijving door X op 9 oktober 2017. Hij voert aan dat het bedrag van € 350 als lening voor levensonderhoud moet worden aangemerkt en daarom niet op de bijstand in mindering mag worden gebracht.
Het incidenteel hoger beroep van het dagelijks bestuur betreft de bijschrijvingen door X met de vermelding ‘lening’ of ‘lenen’ tot het totaalbedrag van € 689. Het dagelijks bestuur voert aan dat de rechtbank deze bedragen ten onrechte als leningen voor levensonderhoud heeft aangemerkt.

Niet in geschil
In deze zaak is niet in geschil dat appellant in de te beoordelen periode geen bijstand of ander inkomen ontving. Uit de bankafschriften van hem blijkt dat bij een aantal bijschrijvingen van X ‘lening’ of ‘lenen’ staat vermeld, maar daaruit blijkt nog niet dat het gaat om een lening die bestemd is ‘voor levensonderhoud’ (vergelijk de uitspraken CRVB:2017:3781 en CRVB:2017:2122).

Aannemelijk; financiele middelen blijven buiten de bijstand
Volgens de Raad heeft appellant met de bijschrijving onder de vermelding ‘lening’ of ‘lenen’ aannemelijk gemaakt van wie, wanneer, op welke wijze en tot welk bedrag hij die lening heeft ontvangen. Anders dan het dagelijks bestuur heeft betoogd kan niet alleen met een vermelding ‘lening voor levensonderhoud’ aannemelijk worden gemaakt dat deze leningen voor levensonderhoud bedoeld waren. Dat dit het geval is kan een betrokkene ook op andere wijze aannemelijk maken. Appellant heeft een schriftelijke verklaring van X van 20 augustus 2018 overgelegd. X heeft verklaard dat hij in 2017 en 2018 geld aan appellant heeft geleend, omdat hij geen uitkering had en dat hij een bedrag heeft gestort als lening voor huur e.d. Ook verklaart X dat bedragen door appellant zijn terugbetaald.
Gelet op deze verklaring heeft appellant in dit geval aannemelijk gemaakt dat de van X geleende bedragen die via bijschrijvingen onder de vermelding ‘lening’ of ‘lenen’ zijn bijgeschreven op de bankrekening van appellant, leningen zijn die verstrekt zijn voor levensonderhoud. Deze bedragen worden in een situatie waarin appellant in de te beoordelen periode verkeerde niet als middel voor de bijstandsverlening aangemerkt (vergelijk de uitspraken CRVB:2019:1085 en CRVB:2019:3605).

De Raad heeft aan de achteraf opgestelde schriftelijke verklaring van 20 augustus 2018 de bewijswaardering toegekend die appellant in hoger beroep heeft betoogd voor wat betreft de bijschrijvingen onder de vermelding ‘lening’ of ‘lenen’.

Niet alle financiele middelen blijven buiten de bijstand
Voor de bijschrijving van X op 9 oktober 2017 onder de vermelding ‘voor huur’ bestaat echter geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat een betrokkene in beginsel geen recht op bijstand  heeft als hij zich periodieke middelen tot levensonderhoud verschaft door leningen aan te gaan. Uit de  omschrijving ‘voor huur’ kan namelijk niet worden afgeleid dat bij de betaling, en niet later, de afspraak is gemaakt dat het een lening betreft en dat die dus terugbetaald moet worden. Dit kan evenmin uit de verklaring van X van 20 augustus 2018 worden afgeleid. Daartoe is deze verklaring onvoldoende concreet voor de bij de betaling gemaakte afspraken over dit bedrag waarbij – anders dan bij de andere in bedoelde bedragen – bij de bijschrijving niet de omschrijving ‘lening’ of ‘lenen’ staat vermeld. Het dagelijks bestuur heeft deze bijschrijving van X dan ook terecht aangemerkt als inkomen dat op de bijstand in mindering moeten worden gebracht.

De Raad heeft aan de achteraf opgestelde schriftelijke verklaring van 20 augustus 2018 niet de bewijswaardering toegekend die appellant in hoger beroep heeft betoogd voor wat betreft de bijschrijving onder de vermelding ‘voor huur’.

Studiedag Participatiewet: eisen aan de bewijzen
Bij de uitvoering van de Participatie zijn we eigenlijk constant bezig met bewijzen. Wil je meer weten over het bestuursrechtelijk bewijsrecht in de Participatiewet? Schrijf je dan in voor de online studiedag op 2 maart 2021 en discussieer met vakgenoten. Twee docenten bieden een gestructureerde juridische aanpak.

©Ingeborg Lunenburg opleiding + advies

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*

twintig + 5 =