Annotatie USZ: vloeien de kosten voort uit bijzondere omstandigheden

ECLI:NL:CRVB:2015:1607
USZ+OLVerschenen in USZ 2015/226 (Sdu Uitspraken Sociale Zekerheid), aflevering 9

Zie CRVB:2016:186 waarin het college meer dan geheel tegemoet komt aan de bezwaren van belanghebbende.

Inhoudsindicatie
Tussenuitspraak. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het territorialiteitsbeginsel geen beletsel vormt om aan te nemen dat de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden van betrokkene. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Dit betekent tevens dat het nader besluit, waaraan appellant opnieuw op grond van het territorialiteitsbeginsel de afwijzing van de gevraagde bijzondere bijstand heeft gehandhaafd, niet in stand kan blijven. Aansluitend moet worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. Rechtsgevolgen van het nader besluit kunnen niet in stand worden gelaten en kan de Raad evenmin zelf in de zaak voorzien, omdat appellant zich nog nader dient te beraden of aan betrokkene voor de betreffende kosten bijzondere bijstand kan worden verleend en, zo ja, of die bijstand, geheel of gedeeltelijk, in de vorm van een lening of om niet wordt verstrekt. De Raad draagt appellant op het gebrek te herstellen.

Noot door I.M. Lunenburg
1. De CRvB oordeelt in deze tussenuitspraak over de afwijzing van een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van de eerste huur, stoffering en de inrichting van de woning. Belanghebbende voert aan dat hij voor deze kosten niet heeft kunnen reserveren. Als reden wordt aangegeven dat hij kosten heeft gemaakt voor het onderhoud van zijn in het buitenland verblijvende gezin waaronder specifiek medische kosten. Deze kosten houden verband met een niertransplantatie; zijn vrouw heeft een nier afgestaan aan hun zoon. Het college stelt zich – ook in de nieuwe beslissing op bezwaar – op het standpunt dat het territorialiteitsbeginsel in de weg staat aan de verlening van bijzondere bijstand voor kosten die buiten Nederland zijn opgekomen of die betrekking hebben op kosten die niet aan Nederland zijn verbonden. Daartoe worden – volgens het college – ook de kosten van onderhoud van het gezin in het buitenland gerekend. De CRvB oordeelt dat in de WWB geen steun te vinden is voor dergelijke analoge toepassing van het territorialiteitsbeginsel als bedoeld in art. 11 WWB. Volgens de CRvB zijn de door belanghebbende betaalde kosten alleen een reden waarom hij niet heeft kunnen reserveren.

Deze tussenuitspraak roept de vraag op of de betaling van kosten door belanghebbende, die niet hem zelf betreffen, kunnen leiden tot het oordeel dat er geen reserveringscapaciteit is. Zijn daar in de bestaande jurisprudentie aanknopingspunten voor te vinden?

2. De kosten van de eerste huur, stoffering en inrichtingskosten worden volgens vaste rechtspraak aangemerkt als incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan (CRvB 21 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3407 en CRvB 6 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN0624). Het zijn noodzakelijke kosten waar iedereen incidenteel (of periodiek) mee wordt geconfronteerd. Inrichtingskosten, waaronder gebruiksgoederen hebben nu eenmaal een bepaalde levensduur waarna vervanging noodzakelijk is. Betrek je een huurwoning, dan word je geconfronteerd met de eerste huur. Doen dergelijke noodzakelijke kosten zich voor, dan moeten die in principe uit het eigen inkomen worden voldaan. Hoe? Door vooraf te reserveren (sparen) of middels een achteraf gespreide betaling (een lening). Kan belanghebbende voor de kosten een lening bij een Kredietbank verkrijgen, dan wijst het college de aanvraag af op grond van art. 15 WWB (zie bijvoorbeeld CRvB 5 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR1155).

3. Is de bijstandsnorm (of een inkomen op dat niveau) toereikend? Ja, in principe wel. De bijstand bestaat uit een normbedrag waarmee kan worden voorzien in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Daarin is de component voor reservering opgenomen. Dat normbedrag is in beginsel toereikend. Toch kan de financiële positie van mensen die langdurig op een minimuminkomen zijn aangewezen onder druk komen te staan als er na verloop van tijd geen enkel perspectief lijkt te zijn om door inkomen uit arbeid het inkomen te verhogen (Kamerstukken II 2002/03, 28870, 3, p. 1­13). In de WWB is daarom de langdurigheidstoeslag (in de Participatiewet: individuele inkomenstoeslag) geïntroduceerd. De (jaarlijks) toegekende langdurigheidstoeslag maakt onderdeel uit van de reserveringsmogelijkheid. Van belanghebbenden wordt dan ook verwacht dat de langdurigheidstoeslag wordt ingezet voor de aanschaf van incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Dat iemand daarin andere keuzes maakt, wat hem vrijstaat, kan echter niet leiden tot het oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden (CRvB 19 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4769 en CRvB 26 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1620).

4. Uitgangspunt is dat in principe geen bijzondere bijstand mogelijk is voor incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Daarop geldt een uitzondering als sprake is van bijzondere omstandigheden. Wat zijn dat? Het gaat om bijzondere situaties waardoor iemand niet in staat was te reserveren. Uit de jurisprudentie blijkt echter dat de door belanghebbenden aangevoerde redenen zelden in de categorie ‘bijzonder’ vallen.

Zo is de reden dat reserveren niet mogelijk is door de aflossing op schulden volgens vaste rechtspraak kansloos (zie bijvoorbeeld CRvB 7 december 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AR7815 en CRvB 30 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2173). Hieronder valt ook het weigeren van een aanvraag om een lening door de Kredietbank omdat iemand die vanwege schulden niet kan krijgen. Bijzondere omstandigheden hebben betrekking op de aard en de hoogte van de betreffende incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten. Was te voorzien dat de noodzakelijke kosten zouden worden gemaakt? En zo ja, hoelang van tevoren was dat bekend? Daarbij wordt wel opgemerkt dat het enkele feit dat iemand langdurig een inkomen op bijstandsniveau heeft, niet is aan te merken als bijzondere omstandigheid (CRvB 9 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6701). Verder geldt natuurlijk dat in de hier bedoelde kosten voorzienbaarheid zit besloten, tenzij die kosten plotsklaps opkomen.

Het verlengen van een verblijfsvergunning, waarvoor legeskosten verschuldigd zijn, kan jaarlijks verplicht zijn. Dit staat niet in de weg aan de reserveringseis (CRvB 2 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6083). Ook het feit dat de legeskosten enorm zijn gestegen doet niet af aan het standpunt dat daarvoor moet worden gereserveerd (CRvB 8 november 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU6266, ‹USZ› 2006/13). In CRvB 16 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY0318 oordeelt de CRvB dat de kosten van installatie van een cv­ketel voorzienbaar zijn en in beginsel moeten worden bestreden uit het inkomen. Dat belanghebbende vanwege haar lage inkomen en hoge woonlasten niet of onvoldoende heeft kunnen reserveren, kan haar niet baten. Al in 2001 toen zij ervoor koos vanuit haar huurwoning terug te keren naar de voormalig echtelijke woning leefde zij van een inkomen op bijstandsniveau en wist zij dat de woonlasten – mede gelet op de slechte staat van de woning – relatief hoog zouden kunnen zijn. Dat de cv­ketel al na tien jaar stuk is gegaan, terwijl de gemiddelde levensduur van een cv­ketel vijftien jaar is, rechtvaardigt evenmin de conclusie dat de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden als bedoeld in art. 35 lid 1 WWB.

Uit CRvB 18 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:478, ‹USZ› 2014/114 blijkt dat een periode van veertien maanden, na een detentie van enkele jaren, te kort is om te reserveren voor de kosten van woninginrichting. Een dergelijke situatie is vergelijkbaar met vluchtelingen die een verblijfsstatus verkrijgen en aangewezen zijn op een volledige woninginrichting. Het beschikken over een inkomen in het heden én verleden speelt dan ook een belangrijke rol bij het antwoord op de vraag of er bijzondere omstandigheden zijn. In CRvB 9 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6701 krijgt het college de opdracht om te onderzoeken over welke periode en tot welk bedrag belanghebbende had kunnen reserveren voor de gevraagde wasmachine, die door de CRvB medisch noodzakelijk wordt geacht. Belanghebbende heeft al 37 jaar een inkomen op bijstandsniveau. Hij stelt dat, gelet op zijn financiële situatie, iedere reserveringsruimte ontbreekt. Dit komt mede door de steeds verdere uitholling van de sociale voorzieningen waarop hij in het verleden een beroep kon doen. Jammer genoeg blijkt uit de uitspraak niet welke sociale voorzieningen worden bedoeld.

5. Naar aanleiding van het voorgaande vraag ik me in het algemeen het volgende af. Welke kosten die een belanghebbende uit zijn inkomen besteedt moeten in aanmerking worden genomen bij de bijzondere omstandigheden (reserveren)? In de eerste plaats moet het volgens mij gaan om (onontkoombare) kosten waar belanghebbende zelf voor staat (vergelijk CRvB 26 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1620). Dat zouden kostensoorten kunnen zijn waarvoor aanspraak bestaat op bijzondere bijstand maar ook kosten die daar juist niet voor in aanmerking komen. Denk bijvoorbeeld aan het verplicht eigen risico op grond van de Zorgverzekeringswet. Betaling van kosten, voor niet in de bijstand begrepen personen kunnen voortkomen uit een morele verplichting. Zo kunnen gezinsleden in het buitenland onder erbarmelijke omstandigheden leven waarbij ook het verzekerd zijn van medische voorzieningen op geen enkele wijze te vergelijken is met die in Nederland. Een voorbeeld dichter bij huis kan ook. Iemand kan zich bijvoorbeeld moreel verplicht voelen de huishoudelijke hulp van zijn ouders te betalen omdat de gemeente daarmee is gestopt. Er zijn nog meer voorbeelden denkbaar.

Toch oordeelt de CRvB in de onderhavige zaak niet dat de rechtsgevolgen van het nader besluit in stand kunnen worden gelaten en dat zelf in de zaak kan worden voorzien. Het college krijgt de opdracht zich te beraden of aan belanghebbende voor de gevraagde kosten bijzondere bijstand kan worden verleend en, zo ja, of die bijstand, geheel of gedeeltelijk, in de vorm van een lening of om niet wordt verstrekt. Vraagt de CRvB van het college een oordeel over de noodzaak van de betaling van medische kosten? En zo ja, welke toetsingscriterium past daarbij? Zou dat vergelijkenderwijs het toetsingskader van art. 16 WWB kunnen zijn? En zo kunnen nog meer vragen worden opgeworpen. Ik zie uit naar de uitspraak waarmee dit boek wordt gesloten omdat de uitkomst verstrekkende gevolgen kan hebben voor gemeenten.

6. Als laatste nog een opmerking. Met de onderhavige uitspraak neemt de CRvB blijkbaar afstand van de overwegingen in een eerdere uitspraak waarin de belanghebbende in kwestie ook haar familie in het buitenland onderhield en om die reden stelt niet te hebben kunnen reserveren. In r.o. 4.3 (slot) van CRvB 25 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3883 staat dat de bijstandsuitkering strekt tot levensonderhoud van de gerechtigde en niet tot het scheppen van draagkracht ter voorziening in het levensonderhoud van personen die daar niet in betrokken zijn.

©Ingeborg Lunenburg opleiding + advies

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*

negentien − zeventien =