Update website, Casus Coach, WWB-2012 en jurisprudentie

Website op orde
Het pakket waarmee mijn website is gemaakt heeft een forse update gehad. Na de migratie moest er enorm veel worden hersteld qua lettertypes, hyperlinks, etc.. Dat is nu dan eindelijk gebeurd. Bij gelegenheid heb ik dan ook gelijk alle teksten weer eens doorgelopen.

De uitvoering van de Sociale Zekerheid is een heus vak en vraagt om structurele deskundigheidsbevordering – in welke vorm dan ook – van uw medewerkers.

  • Welke mogelijkheden kan ik bieden op het gebied van Advies?
  • Wat zijn de mogelijkheden voor ‘scholing in huis’ op het gebied van de WWB, de Wmo en de Awb?
  • Intervisiebijeenkomsten blijken uitvoerders enorm te ondersteunen bij hun dagelijks werk (uniformiteit en deskundigheidsbevordering, werkafspraken over de te toetsen criteria bij toekennen en afwijzen, etc.).
  • Twee soorten Actualiteitencolleges: Werk & inkomen en uitvoering compensatieplicht.
  • Open inschrijving WWB en Wmo
  • En veel meer….
  • Volgende week dan nog beschrijving Studiedag Actualiteiten WWB 2012 en Masterclass Armoedebestrijding

Casus Coach
Voor de nieuwe applicatie Casus Coach van Schulinck (onderdeel van Kluwer) schrijf ik – samen met anderen – meervoudige casussen op het gebied van maatschappelijk ondersteuning en zorg. Inmiddels heb ik toegang gekregen tot de Casus Coach en ik moet zeggen het is/wordt een heel mooi product!

Stel je voor honderden casusposities uit de praktijk van de sociale zekerheid…
Casus Coach is een mobiele applicatie voor iedere professional die regelmatig met de uitvoering van sociale zekerheid te maken heeft. Een unieke, oplossingsgerichte toepassing waarbij niet de wet, maar de situatie centraal staat.

Met behulp van Casus Coach is het beoordelen van een sociale situatie eenvoudiger en krijgt u direct een bondige, praktische oplossing gepresenteerd. De inhoud van de applicatie is gericht op Werk, Zorg, Toeslagen en Belastingen en hun onderlinge verbanden en afbakening. Binnenkort meer hierover!

WWB-2012
In mijn blog van vorige week stonden een aantal vragen en antwoorden in verband met de uitvoering van de WWB-2012. Hierna nog eentje.

Hoe neem je het meerdere inkomen van de studerende in aanmerking?
De wetgever heeft nadrukkelijk beoogd om degene die jonger is dan 27 jaar, kan studeren en daarmee aanspraak heeft op studiefinanciering op grond van de WSF-2000, uit te sluiten van het recht op bijstand. Dat is bepaald in artikel 13 lid 2 onderdeel c onder 1° WWB. Dit artikel treedt echter pas op 1 juli 2012 in werking.

De jongere die regulier onderwijs kan volgen en aanspraak heeft op studiefinanciering maar dat niet doet, kan vooralsnog niet worden uitgesloten van het recht op bijstand (art. 13 lid 2 onderdeel c onder 2° WWB). Dat is afhankelijk van de wetswijziging van onder meer de Wet Educatieberoepsonderwijs.

Ik stel me vooralsnog op het standpunt dat sprake is van een nadrukkelijk bedoelde uitsluitingsgrond voor het recht op bijstand. Volgt de jongere het onderwijs dus wel en ontvangt hij daarvoor studiefinanciering zou het volgende kunnen gelden. Hoewel artikel 13 lid 2 onder d WWB daar niet voor is bedoeld, kan deze tot 1 juli 2012 dienen als juridische grondslag voor het uitsluiten van het recht op bijstand. Daarvan uitgaande is een meerderjarig kind dat studeert met inkomen uit studiefinanciering hoger dan € 1.059,49 een niet-rechthebbend gezinslid.

Opgemerkt wordt dat toepassing hiervan – voor de betrokkenen – twee voordelige effecten kan hebben. Dat is in verband met:

  1. het in aanmerking nemen van het inkomen voor zover het meer bedraagt dan € 1.059,49; en
  2. het recht op langdurigheidstoeslag Inkomen niet-rechthebbend gezinslid

Inkomen niet-rechthebbend gezinslid
Artikel 32 lid 3 WWB bepaalt dat het inkomen van niet-rechthebbend gezinsleden in aanmerking wordt genomen voor zover het inkomen van de meerderjarige gezinsleden tezamen – met inbegrip van de bijstand die zou worden verleend als zijn of hun inkomen niet in aanmerking wordt genomen – meer zou bedragen dan de toepasselijke gezinsnorm.

Voor het vaststellen van het in aanmerking te nemen inkomen zijn de artikelen 31 tot en met 33 WWB van toepassing. Het vermogen als bedoeld in artikel 34 WWB van niet-rechthebbende gezinsleden wordt ook in aanmerking genomen.

Het meerdere in aanmerking nemen
Artikel 32 lid 5 WWB bepaalt dat het inkomen van een meerderjarig kind dat studeert slechts meetelt voor zover het meer bedraagt dan € 1.059,49. Het college moet het meerdere in aanmerking nemen volgens de bepalingen van artikel 32 lid 3 WWB. Dat is in ieder geval aan de orde vanaf 1 juli 2012.

Recht op langdurigheidstoeslag
Is één van de gezinsleden op de peildatum uitgesloten van het recht op bijstand en daarmee dus ook voor de langdurigheidstoeslag op grond van artikel 11 of artikel 13 WWB , dan geldt het volgende. De rechthebbende partner (of rechthebbende gezinsleden) komt in aanmerking voor een langdurigheidstoeslag naar de hoogte die als alleenstaande, alleenstaande ouder of gezin zou gelden. Dit sluit aan op de systematiek van artikel 24 WWB. Wel geldt dat (alleen) het inkomen en vermogen van het niet-rechthebbende gezinslid meetelt bij de beoordeling of is voldaan aan de voorwaarden.

Tool uitvoering huishoudinkomenstoets
Bron: gemeenteloket 22 februari 2012
Het Landelijk Kenniscentrum Handhaving (LKC) heeft een tool ontwikkeld voor gemeenten om de huishoudinkomenstoets binnen de WWB snel en gemakkelijk uit te voeren. Deze tool was in eerste instantie alleen beschikbaar via Naleving.net. Op dit besloten platform wisselen gemeenten en ketenpartners informatie en ervaringen met elkaar uit over handhaving en handhavingsinstrumenten in het domein van werk en inkomen. Aan de hand van reacties van gemeenten is het instrument voor de huishoudinkomenstoets verder geactualiseerd. Ik heb de tool nog niet helemaal nagelopen, dus kan er nu nog niet veel over zeggen.

Jurisprudentie WWB
Zoals bekend heb ik een bijzondere belangstelling voor de bijzondere bijstand. Eerder schreef ik al eens dat je soms een procesdossier moet kennen om een volledig oordeel te kunnen vormen over een rechtsvraag. Een bijzondere kostensoort vond ik in CRvB 14-02-2012, BV6252 WWB. De uitspraak is nog geen 1,5 A4 lang, maar aardig om te vermelden. De gemeente in kwestie wijst een aanvraag van belanghebbende af voor de kosten van een cursus “omgaan met ambtenaren”. De Centrale Raad volgt het college en oordeelt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de kosten in het individuele geval noodzakelijk waren. Ik ben nieuwsgierig welke aanleiding de aanvrager had om een dergelijke cursus te volgen.

Verder heb ik nog een aantal aardige uitspraken gelezen, waarover een volgende keer meer.

Jurisprudentie Wmo
In mijn weblog van vorige week is de uitspraak CRvB 15-02-2012, BV5448 Wmo kort aan bod geweest. Een mooie uitspraak wat mij betreft, die binnenkort zeker zal verschijnen in de Schulinck Nieuwsbrief Jurisprudentie Wmo.

Waar ging het ook weer om in die zaak? Betrokkene (26 jaar) woont en studeert in de gemeente en heeft een visuele handicap. Hierdoor kan zij niet in het donker wandelen of fietsen. Zij is wel in staat gebruik te maken van het openbaar vervoer, maar na middernacht heeft zij een vervoersprobleem, omdat het openbaar vervoer dan niet rijdt. Omdat studentenactiviteiten zoals vergaderingen, feesten en gala’s geregeld tot na middernacht duren kan zij daaraan niet altijd in volle omvang deelnemen. Zij is afhankelijk van de mogelijkheden die anderen hebben om haar – achterop de fiets of met de auto – thuis te brengen. Dit is ook het geval bij haar werkzaamheden als vrijwilligster voor de Kindertelefoon.

Belanghebbende stelt dat zij er eens in de 2 à 3 weken niet in slaagt om het vervoersprobleem zelf op te lossen. De Centrale Raad oordeelt dat participatie in het studentenleven er in bepaalde situaties toe zal kunnen leiden dat er een vervoersbehoefte is op tijden dat er geen openbaar vervoer is. Het is de Centrale Raad echter niet gebleken dat de weigering van een vervoerskostenvoorziening er toe leidt dat van een aanvaardbare maatschappelijke participatie in het geval van betrokkene geen sprake is. Verder is betrokkene zelfredzaam gebleken door in de gevallen waarin er niet langer openbaar vervoer voorhanden is een beroep op haar partner en medestudenten te doen. Van een situatie dat dit in redelijkheid niet meer van haar zou kunnen worden gevergd is niet gebleken.

Uit de uitspraak moet worden geconcludeerd dat het college niet alle problemen hoeft op lossen, ook al kan iemand daardoor niet in volle omvang participeren gelet op zijn persoonskenmerken en behoeften. In de onderhavige zaak is het eens in de 2 à 3 weken niet kunnen voorzien in een vervoersprobleem geen reden om te hoeven compenseren. In eerdere jurisprudentie kwam ook al naar voren dat het college niet aan alle levende wensen van de aanvrager hoeft te voldoen. In noem er een paar.

“De rechtbank is gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting van oordeel dat verweerder een voldoende zorgvuldig onderzoek heeft ingesteld naar de persoonlijke leefsituatie van eiser en zijn wensen en mogelijkheden om medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan en hoe belangrijk het hierbij voor eiser is dat hij kan beschikken over een racetandem. De rechtbank stelt aan de hand van de gegevens uit het onderzoek van verweerder vast dat eiser voor wat betreft zijn sociale contacten niet alleen aangewezen behoeft te zijn op zijn racetandem. Eiser kan immers naar de sportschool en is lid van de showdownvereniging. Daarbij is gebleken dat eiser inmiddels enige hand- en spandiensten verricht bij de fietsvereniging. Dit is bevestigd door de informatie van eiser ter zitting. De rechtbank begrijpt dat eiser het liefst buiten wil fietsen en dat het gebruik van een racetandem de mogelijkheden voor eiser om buiten te sporten ook daadwerkelijk zal vergroten, maar niet kan worden gezegd dat een racetandem in het geval van eiser moet worden beschouwd als een voorziening, die gericht is op het ontmoeten van medemensen en op basis daarvan aangaan van sociale verbanden.”

“Verweerder heeft eiser een handbewogen rolstoel en een elektrische rolstoel toegekend. De rechtbank is op grond van de beschikbare gegevens van oordeel dat eiser daarmee voldoende in staat is tot maatschappelijke participatie in de zin van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wmo. Daartoe wordt verwezen naar hetgeen eiser ter zitting heeft verklaard over zijn maatschappelijke activiteiten en contacten. Voorts wordt overwogen dat het compensatiebeginsel ziet op compensatie van beperkingen bij maatschappelijke participatie en niet op het opheffen van álle beperkingen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser aan artikel 4, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wmo geen recht kan ontlenen op een sportrolstoel.”

“Appellante heeft aangevoerd dat een fiets voor haar geen geschikt vervoermiddel is om een park te bezoeken, een tocht van een paar uur te maken of om een middag te winkelen. Er is daarmee niet voldaan aan het compensatiebeginsel. Appellante heeft haar stelling dat een fiets (waaronder de Raad ook een fiets met hulpmotor of brommer begrijpt) voor haar geen geschikt vervoermiddel is niet onderbouwd, zodat de Raad reeds hierom deze beroepsgrond afwijst. Daarbij wijst de Raad erop dat een scootmobiel blijkens de Beleidsregels WMO gemeente Tilburg een vervoersvoorziening is, in aanvulling op de regiotaxi, voor korte afstandsvervoer, als een gewone fiets, snorfiets of brommer niet adequaat zijn. Niet gebleken is dat een fiets voor dit korte afstandsvervoer geen geschikt vervoermiddel is. Van schending van artikel 26 van de Wmo is naar het oordeel van de Raad geen sprake. Het College heeft in het besluit van 8 januari 2009 uiteengezet dat appellante beperkt is in haar mobiliteit op de langere afstanden en dat zij daarvoor de regiotaxi kan gaan gebruiken. Voor de korte afstanden kan zij gebruik maken van een fiets, al dan niet met hulpmotor. Hierin ligt besloten dat zij met deze voorzieningen normaal maatschappelijk kan participeren. Het door appellante gestelde jarenlange kluizenaarsbestaan is geen omstandigheid op grond waarvan het College met toepassing van artikel 8.1 van de Verordening een scootmobiel zou moeten verstrekken. Met de regiotaxi en de fiets kan zij zich op zowel de korte als de wat langere afstanden vervoeren, zodat de combinatie van haar vervoersmogelijkheden niet dwingen tot een kluizenaarsbestaan.”

©Ingeborg Lunenburg opleiding + advies

Een gedachte over “Update website, Casus Coach, WWB-2012 en jurisprudentie

  1. k vind het interessant dat de CRvB het criterium ‘aanvaardbare maatschappelijke participatie’ gebruikt. Ik ben benieuwd of zij dit vaker zal doen.

    Diederik Kooyman- 07-03-2012

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*