Verplaatsen hoofdverblijf. Op wie rust de bewijslast?

De Raad deed recent een interessante uitspraak die we zeker gaan bespreken tijdens de online Studiedag Participatiewet Eisen aan de bewijzen op 8 december.
Er zijn natuurlijk ook allerlei variaties denkbaar!

Waar gaat het om
In CRVB:2020:2585 oordeelt de meervoudige kamer van de Raad over de situatie waarin appellant het college verzoekt om een wijziging van de norm.

Kostendelersnorm
Appellant ontvangt bijstand volgens de norm voor een alleenstaande ouder waarop de kostendelersnorm wordt toegepast. Aan de toepassing van de kostendelersnorm ligt ten grondslag dat appellant zijn woning deelt met drie andere personen van 21 jaar en ouder, te weten zijn ouders en zijn broer. Zijn ouders huurden de woning op het uitkeringsadres. Hij woont samen met zijn ouders en zijn broer.

Verblijf in buitenland
Zijn ouders hebben gedurende een aantal periodes in Marokko verbleven waar zij ook een woning hebben. Gedurende de periodes blijven de ouders ingeschreven staan in de BRP en worden de vaste lasten door hen betaald.

Wijziging norm
Voor de periodes dat zijn ouders in het buitenland verbleven verzoekt appellant het college om de norm te wijzigen, in die zin dat het college niet met vier maar met twee kostendelende medebewoners rekening moet houden. Daarbij voert hij aan dat zijn ouders in de te beoordelen periodes hun hoofdverblijf naar Marokko verplaatsten, zodat zij tijdens hun verblijf in Marokko niet hun hoofdverblijf op het uitkeringsadres hadden.

Waar is het hoofdverblijf?
De Raad oordeelt dat het hoofdverblijf van een betrokkene daar ligt waar zich het zwaartepunt van het persoonlijk leven bevindt. Dit moet worden vastgesteld aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden. Behalve de aanwezigheid van de betrokkene in de betreffende woning, zijn ook feiten en omstandigheden van belang die een licht werpen op de leefwijze van de betrokkene, zoals de plaats waar hij zijn post ontvangt en behandelt, waar hij zijn administratie bewaart, waar zijn kleding en verzorgingsproducten en andere persoonlijke spullen zich bevinden en waar hij zijn vrienden en familie ontvangt. Vergelijk de uitspraak CRVB:2019:3467.

Langdurig verblijf in Marokko
Appellant betoogt in dit verband dat zijn ouders telkens langdurig in Marokko verbleven. Volgens de Raad treft dit betoog geen doel. De vraag of een verblijf in een woning kortdurend of tijdelijk is, moet worden beantwoord aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden. De duur van het verblijf is bovendien slechts één van de omstandigheden waaruit het hoofdverblijf kan worden afgeleid. De duur van de verblijfsperiodes van de ouders in Marokko, is op zichzelf niet zodanig dat alleen al op grond daarvan moet worden aangenomen dat zij tijdens hun verblijf in Marokko niet hun hoofdverblijf op het uitkeringsadres hadden.

Verblijf in andere woning
Appellant stelt zich verder op het standpunt dat, kort gezegd, zijn ouders hun hoofdverblijf in de te beoordelen periodes in Marokko hadden omdat zij daar ook een woning hadden. Aan hun verblijf in Marokko zou om die reden in die periodes dezelfde (juridische) status moet worden toegekend als aan het verblijf in Nederland. Appellant ondersteunt dit betoog door te verwijzen naar de uitspraak CRVB:2012:BY3206. Dit standpunt is volgens de Raad niet juist.
Het bezit van een woning brengt op zichzelf niet mee, dat de betrokkene daar het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven heeft. De uitspraak waarnaar appellant verwijst betrof een andere rechtsvraag, namelijk waar de woonplaats van een betrokkene was. Hier ligt de vraag voor waar het hoofdverblijf van een betrokkene is. Nu die rechtsvragen niet beoordeeld worden naar hetzelfde criterium, is de door appellant aangehaalde uitspraak niet van betekenis bij de beoordeling van het hier bestreden besluit.

Belastend besluit?
Appellant voert verder aan dat het besluit tot toepassing van de kostendelersnorm een voor de betrokkene belastend besluit is, waarbij op het bijstandverlenend orgaan de bewijslast rust. Het is aan het bijstandverlenend orgaan om de nodige kennis over de relevante feiten te verzamelen. De Raad oordeelt dat ook deze grond niet slaagt.

Op wie rust de bewijslast
De bewijslast over het hoofdverblijf van zijn ouders rust in dit geval op appellant. Het gaat hier namelijk om een verzoek om een begunstigend besluit tot normwijziging. Vergelijk de uitspraak CRVB:2019:2296.

Dit betekent dat het aan appellant is om aannemelijk te maken dat het zwaartepunt van het persoonlijk leven van zijn ouders zich gedurende de hier te beoordelen periodes niet bevond in de woning op het uitkeringsadres. Hierin is appellant niet geslaagd. Het enkele gegeven dat zijn ouders in de te beoordelen periodes in Marokko in een eigen woning verbleven, maakt niet dat zij daarmee het zwaartepunt van hun persoonlijk leven daar hadden. De duur van de verblijfsperiodes leidt in dit geval niet tot een andere conclusie. In dit verband is tevens van betekenis dat zijn ouders de huur voor de woning op het uitkeringsadres doorbetaalden gedurende hun verblijf in Marokko, evenals andere vaste lasten. Verder bleven zijn ouders in de te beoordelen periodes op het uitkeringsadres ingeschreven in de BRP. Het ter zitting door appellant ingenomen standpunt dat een mens nu eenmaal zijn hoofdverblijf altijd met zich meedraagt, waar hij ook verblijft, miskent dat het hoofdverblijf wordt bepaald door concrete feiten en omstandigheden en is daarom niet juist.

Geen wijziging norm
Het dagelijks bestuur heeft met juistheid aangenomen dat de ouders van appellant hun hoofdverblijf in de te beoordelen periodes niet in Marokko hadden. Niet is in geschil dat daaruit volgt dat zij hun hoofdverblijf wel op het uitkeringsadres hadden. Het dagelijks bestuur is daarom terecht de ouders in de te beoordelen periodes blijven aanmerken als kosten delende medebewoners van appellant. Het dagelijks bestuur mocht de aanvraag om de normswijziging dus afwijzen.

©Ingeborg Lunenburg opleiding + advies

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*

dertien − 4 =