Annotatie USZ: bijzondere bijstand verzekering gehoorapparaat. Voorliggende voorziening?

CRVB:2018:1759. Beoordeling aanvraag bijzondere bijstand kosten verzekering gehoorapparaat. Is art. 15 lid 1 tweede volzin PW wel van toepassing?

Verschenen in USZ 2018/233 (Uitspraken Sociale Zekerheid)

Inhoudsindicatie
Weigering bijzondere bijstand voor kosten verzekering gehoorapparaat: bewuste keuze buiten voorziening laten dus voorliggende voorziening als bedoeld in art. 15 lid 1 PW. Eveneens valt orthopedisch schoeisel binnen voorliggende voorziening. Geen dringende redenen.

Noot door I.M. Lunenburg
1. Art. 15 lid 1 PW is een veel voorkomende weigeringsgrond bij aanvragen om bijzondere bijstand. In de hier opgenomen uitspraak oordeelt de CRvB onder meer over de vraag of het college de aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van de verzekering voor het gehoorapparaat terecht heeft geweigerd op grond van art. 15 lid 1 tweede volzin PW. Deze uitspraak is het bespreken waard, omdat ik me in dit geval afvraag of de aanvraag niet op grond van art. 35 lid 1 PW beoordeeld had moeten worden.

2. Art. 15 PW bepaalt de bevoegdheid tot bijstandsverlening in relatie tot de voorliggende voorziening. Dat artikel bepaalt dat geen recht op bijstand bestaat voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die – gezien haar aard en doel – wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt (bijv. CRvB 18 maart 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC7053). Dat wil overigens niet zeggen dat bijstandsverlening per definitie is uitgesloten. Alleen in geval van zeer dringende redenen als bedoeld in art. 16 lid 1 PW is bijstand mogelijk indien vaststaat dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is (bijv. CRvB 17 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:678, <<USZ>> 2015/144, m.nt. I.M. Lunenburg). De toets van art. 16 lid 1 PW is bijzonder streng en leidt voor belanghebbenden zelden tot honorering van de aanvraag (bijv. CRvB 14 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:613 en CRvB 23 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4375).

3. In de Zorgverzekeringswet (Zvw), het Besluit zorgverzekering (Bzv) en de Regeling zorgverzekering (Rzv) staat wat onder het verzekerde pakket valt en onder welke zorginhoudelijke criteria er recht bestaat op een prestatie. Het antwoord op de vraag of art. 15 lid 1 tweede volzin PW in de weg staat aan bijstandsverlening wordt dan ook gegeven door de bepalingen in de Zvw en de daarop gebaseerde lagere regelgeving. Zijn de kosten te kwalificeren als ‘medische zorg’, dan liggen de bewuste keuzes van de wetgever voor het: wel, niet of slechts deels vergoeden van de kosten vast (bijv. CRvB 19 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3009, <<USZ>> 2011/166 m.nt. Red en CRvB 17 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK4230). Dat geldt ook voor de kosten van de eigen bijdrage voor een hoorapparaat (CRvB 23 februari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL5460). Dat wil zeggen dat het college voor de kosten in beginsel geen bijzondere bijstand kan toekennen. Slechts in een aantal gevallen kunnen niet-medische kosten in aanmerking komen voor vergoeding op grond van de Zvw. Het gaat om kosten die direct verband houden met het gebruik van de toegekende prestatie. Zo kan een tegemoetkoming worden verleend in de redelijk te achten gebruikskosten voor hulphonden (art. 2.10 lid 4, 2.12 lid 4 en 2.1.3 lid 5 Regeling zorgverzekering). Ook voor de met thuisdialyse samenhangende kosten kan een verzekerde voor vergoeding van kosten in aanmerking komen (art. 2.6 aanhef en onder hh Regeling zorgverzekering). Denk in dit verband aan het aanpassen van de woning en de kosten van elektriciteit (art. 2.29 Regeling zorgverzekering). Omdat sprake is van uitputtende wet- en regelgeving neem ik om die reden aan dat de kosten van bijv. batterijen voor het gebruik van een gehoorapparaat of lenzenvloeistof voor het gebruik van lenzen niet voor bijstandsverlening in aanmerking komen. Daar staat art. 15 lid 1 tweede volzin PW aan in de weg.

4. Terug naar uitspraak. Appellante wenst in aanmerking te komen voor de kosten van een verzekering in geval het gehoorapparaat voor haar minderjarige zoon kapot gaat. Zij stelt dat daar een reëel risico op bestaat en zij niet beschikt over draagkracht om in deze kosten te voorzien. De minderjarige zoon is dus niet om medische redenen aangewezen op een dergelijke verzekering én er is ook geen verband met het gebruik van het gehoorapparaat.

5. De enkelvoudige kamer van de CRvB oordeelt dat art. 15 lid 1 tweede volzin PW in de weg staat aan bijstandsverlening voor de kosten van een verzekering voor het gehoorapparaat. Als ik het goed begrijp is de redenatie van de CRvB daarbij dat de wetgever in de Zvw noch in de daarop gebaseerde lagere regelgeving heeft geregeld dat dergelijke kosten onder het verzekerde pakket vallen; de wet- en regelgeving heeft om die reden een uitputtend karakter. Daarom is er geen plaats voor bijzondere bijstandverlening. Daarin volg ik de CRvB niet. Ik meen dat art. 15 lid 1 tweede volzin PW in dit geval toepassing mist omdat er geen medische redenen zijn (en/of gebruik gerelateerde kosten) op grond waarvan een dergelijke verzekering is aangewezen. Dat is overigens ook wat appellante heeft aangevoerd. Het bevreemdt mij dan ook te meer dat de CRvB voor zijn oordeel vergelijkenderwijs CRvB 31 augustus 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN7953, <<USZ>> 2010/326 aanhaalt. In die uitspraak gaat het onder meer om de weigering van een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van een computer en een aangepaste stoel onder toepassing van art. 15 lid 1 tweede volzin WWB (ongewijzigd in de PW). De afwijzing van de aanvraag is volgens de CRvB terecht. In r.o. 4.2.3 en 4.3.3 van de uitspraak overweegt de CRvB daarover het volgende. Omdat appellant in kwestie stelt om medische reden te zijn aangewezen op een computer en een aangepaste stoel (maar dus niet voldoet aan de zorginhoudelijke criteria van wet- en regelgeving), vloeit hieruit voort dat voor de kosten de Zvw in beginsel als een aan de WWB voorliggende, toereikende en passende voorziening moet worden beschouwd. De vergelijking gaat met de hier opgenomen uitspraak gaat zoals gezegd niet op.

6. De kosten van de verzekering voor een gehoorapparaat vallen niet binnen de reikwijdte van het zorgdomein (vergelijk CRvB 3 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1612, <<USZ>> 2016/256, m.nt. I.M. Lunenburg, en CRvB 2 oktober 2014, ELCI:NL:CRVB:2014:3221, <<USZ>> 2014/379, m.nt. I.M. Lunenburg). Dat wil zeggen dat een beoordeling op grond van art. 35 lid 1 PW was aangewezen. Of dat voor appellante tot een andere uitkomst zou hebben geleid betwijfel ik overigens. Het is echter wel zo dat art. 15 PW slechts gepasseerd kan worden ingeval sprake is van zeer dringende redenen (art. 16 PW). En dat is, zo blijkt uit de rechtspraak van de CRvB, een vele male strengere toets dan die van art. 35 PW.

©Ingeborg Lunenburg opleiding + advies

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*