Annotatie USZ: zijn de kosten van de personal trainer aan te merken als geneeskundige zorg?

USZ+OLCRVB:2016:1612: afwijzing van een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van het inhuren van een personal trainer.

Verschenen in USZ 2016/256 (Sdu uitspraken sociale zekerheid)

Inhoudsindicatie
Afwijzing bijzondere bijstand voor de kosten van het inhuren va een personal trainer als afval-coach. Geen voorliggende voorziening. College moet alsnog toetsen aan artikel 35.1 WWB.

Noot I.M. Lunenburg

1. Interessante geschillen over bijzondere bijstand kenmerken zich vaak door de kostensoort. In het bijzonder als het geschil betrekking heeft op (de afbakening van) het domein van de zorg. Dan moet de vraag beantwoord worden of art. 15 PW in de weg staat aan bijstandsverlening. De strekking van dat artikel is dat geen recht op bijstand bestaat indien er voor de betreffende kosten een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening. Er kan eveneens geen beroep op bijstand worden gedaan voor kosten die in de voorliggende voorziening niet worden vergoed als daar een bewuste keuze aan ten grondslag ligt, om deze kosten niet te vergoeden (bijv. CRvB 13 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU8263). In de onderhavige zaak is het de vraag of college art. 15 PW mocht toepassen als grondslag voor de afwijzing van de aanvraag.

2. Appellant vraagt bijzondere bijstand aan voor de kosten van het inhuren van een personal trainer als afval-coach; hij lijdt aan morbide obesitas en is bekend met een autistische stoornis (PDD-NOS). Aanleiding voor de aanvraag is – naar ik aanneem – het feit dat de tot nu toe gevolgde oefentherapie en dieetadvisering onvoldoende effect sorteren. Deze twee prestaties vallen onder de reikwijdte van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Het college wijst de aanvraag af en handhaaft dat besluit in een beslissing op bezwaar. Daaraan ligt ten grondslag dat de Zvw als een passende en toereikende voorliggende voorziening wordt aangemerkt. Hoewel het college erkent dat sprake is van een ernstige situatie en dat een (medische) behandeling voor de gezondheid en het sociaal functioneren nodig is, wordt daarin geen aanleiding gezien om met toepassing van art. 16 PW bijzondere bijstand te verlenen. Geen zeer dringende redenen, aldus het college.

3. Voor de toepassing van art. 15 lid 1 PW is het van belang om te weten wat de reikwijdte van de voorziening is. Want art. 15 lid 1 PW staat, zoals gezegd, in beginsel in de weg aan bijstandsverlening voor kosten die binnen de reikwijdte van de voorliggende voorziening vallen, ongeacht de vraag of deze daadwerkelijk een (gedeeltelijke) vergoeding voor deze kosten kent (zie bijv. CRvB 17 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK4230 over tandartskosten en CRvB 18 maart 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC7053 over ziekenvervoer). Vallen de kosten daarentegen buiten de reikwijdte van de voorziening, dan is de voorziening voor de betreffende kosten geen voorliggende voorziening en is art. 15 lid 1 PW dus geen afwijzingsgrond (zie bijv. CRvB 2 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3221, <<USZ>> 2014/379 m.nt. I.M. Lunenburg over dieetkosten en CRvB 11 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3731 over pedicurekosten).

4. De rechtbank volgt het college. Daarbij overweegt de rechtbank dat appellant een personal trainer wenst in te huren voor paramedische zorg, bestaande uit oefentherapie en dieetadvisering als bedoeld in art. 2.6 Besluit zorgverzekering (Bzv). Volgens de rechtbank ligt aan het buiten de voorziening laten van kosten van oefentherapie ter behandeling van de aandoening van appellant een bewuste keuze over de noodzakelijkheid van de voorziening ten grondslag. Dat geldt volgens de rechtbank ook voor de kosten van dieetadvisering. In wat appellant heeft aangevoerd – onder meer dat mensen met overgewicht meer risico lopen op hartfalen – levert geen zeer dringende reden op als bedoeld in art. 16 lid 1 WWB. Daarom komt de rechtbank niet toe aan de bespreking van de beroepsgronden die zien op de toepassing van art. 35 lid 1 WWB.

5. Appellant stelt hoger beroep in en voert onder meer aan dat een personal trainer geen paramedicus is maar een coach die één-op-één begeleiding geeft bij sporttraining/fitness, met als doel: afvallen. De daaraan verbonden kosten kunnen volgens appellant op zichzelf niet als (para)medische kosten worden aangemerkt, ze worden door geen enkele zorgverzekeraar vergoed.

6. De CRvB volgt het college en de rechtbank niet en ziet blijkbaar veel in hetgeen appellant aanvoert. De vraag of de kosten van een personal trainer überhaupt zijn aan te merken als paramedische zorg komt in zijn geheel niet aan bod. Sterker nog, de CRvB laat de precieze aard van de kosten juist in het midden. Dat vind ik wel jammer nu de rechtbank zich daar wel over heeft uitgelaten. Volgens de CRvB staat vast dat een vergoeding van deze kosten in ieder geval niet als prestatie in de Zvw of het Bzv wordt genoemd. Dat is op zichzelf genomen goed te volgen, want een dergelijke prestatie is nu eenmaal niet omschreven in de betreffende regelgeving. Verder meen ik ook dat de kosten van een personal trainer niet kunnen worden aangemerkt als paramedische zorg waaronder oefentherapie en/of dieetadvisering. De rechtbank heeft de te beantwoorden rechtsvraag volgens mij omgedraaid door te overwegen dat de personal trainer paramedische zorg biedt en dat daarom art. 15 PW van toepassing is.

7. Het is evenwel mogelijk dat de kosten van een bepaalde prestatie, zonder dat deze staat beschreven, toch ten laste gebracht mogen worden van de Zvw. Dat wil zeggen dat een huisarts, paramedicus of verpleegkundige geneeskundige zorg biedt als bedoeld in art. 2.4 lid 1 Bzv. De zorg wordt dan geschaard onder het criterium ‘plegen te bieden’ omdat de beroepsgroep dat in haar vastgestelde takenpakket heeft beschreven, het is een zorgstandaard (zie het rapport ‘Betekenis en beoordeling criterium ‘plegen te bieden’’ van het College voor zorgverzekeringen (Cvz), publicatienummer 268 (Herziene druk d.d. 28 januari 2009). Het behoeft geen toelichting dat appellant medisch gezien baat heeft bij het afvallen. Zou personal training gericht op het afvallen daar onder kunnen vallen? De handreiking van het Cvz ‘Zorgaanspraken voor kinderen met overgewicht en obesitas’ van 4 augustus 2015 (volgnummer 2015094593) geeft richting. Daarin staat dat begeleiding bij leefstijlinterventies beschreven staat in de standaarden voor huisartsenzorg. De begeleiding kan bestaan uit praktische interventies ter ondersteuning van de gedragsverandering. Deze ondersteuning kan blijkbaar ook aan de orde zijn bij zorg zoals fysio- en oefentherapeuten of diëtisten die plegen te bieden (art. 2.4 Bzv en art. 2.6 Bzv). Uit de uitspraak maak ik op dat een dergelijke begeleiding zich bij appellant wel heeft voorgedaan, maar dat deze zorg onvoldoende effect heeft gesorteerd. In de onderhavige zaak oordeelt de CRvB dan ook terecht dat een beoordeling van de aanvraag op grond van art. 35 is aangewezen.

©Ingeborg Lunenburg opleiding + advies

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*