Centrale Raad: categorisch weigeren kinderopvang te regelen

Logo_rechtspraakDe Raad doet een uitspraak over de afwijzing van een aanvraag van een belanghebbende jonger dan 27 jaar wegens het categorisch weigeren om kinderopvang te regelen en deel te nemen aan een re-integratietraject (CRVB:2014:3352).

De uitspraak is bijzonder omdat het gaat over een nieuwe uitsluitingsgrond die sinds 1 juli 2012 voor jongeren van kracht is. In deze zaak art. 13 lid 2 onder d WWB. Het college is bevoegd de jongere tot 27 jaar uit te sluiten van het recht op algemene bijstand als uit houding en gedragingen ondubbelzinnig blijkt dat hij de verplichtingen van art. 9 lid 1 of art. 55 WWB niet wil nakomen. Helemaal nieuw is dit overigens niet. De Wet investeren in jongeren kende een dergelijke mogelijkheid ook in art. 42 lid 1 onder c WIJ (zie CRVB:2014:2895).

Waar gaat het over
Betrokkene, geboren op [geboortedag] 1986, meldt zich op 16 maart 2012 voor het aanvragen van bijstand op grond van de WWB. Zij was een alleenstaande moeder van twee kinderen, geboren op 19 september 2008 en 13 november 2009. Om die reden beroept betrokkene zich tijdens het poortgesprek op 20 maart 2012 op haar zorgplicht. Op 22 maart 2012 dient betrokkene de aanvraag om bijstand en heeft zij gesproken met een klantmanager. Tijdens dat gesprek geeft zij te kennen dat zij zelf voor de kinderen wil zorgen en geen kinderopvang wil zoeken. De klantmanager wijst betrokkene op haar inspanningsverplichtingen.

Kinderopvang regelen
Tijdens een gesprek op 26 maart 2012 stemt betrokkene in met deze verplichtingen. In haar geval houden die in dat zij in de zoektermijn van vier weken kinderopvang moet regelen en zich moet oriënteren op vrijwilligerswerk. Betrokkene maakt bij deze gelegenheid kenbaar dat het voor haar een probleem is om de workshop op 2 april 2012 bij te wonen, omdat ze geen oppas heeft, en dat ze dus met haar twee kinderen zal komen. De klantmanager houdt betrokkene voor dat zij verplicht is om de workshop bij te wonen, dat betrokkene echter niet met haar kinderen kan komen en dat betrokkene ook naar de volgende workshop kan gaan, zodat zij nog een week langer de tijd heeft om kinderopvang te regelen. Betrokkene zegt daarop dat ze dat niet wil en verschijnt op 2 april 2012 met haar kinderen op de workshop. De klantmanager stuurt betrokkene en haar kinderen vervolgens weg.

Nieuw gesprek
Op 19 april 2012 spreekt betrokkene opnieuw met de klantmanager. Tijdens dat gesprek legt de klantmanager aan betrokkene uit wat het traject ‘Flex Werkt’ inhoudt en betrokkene verklaart het volgende. Haar oudste kind gaat in september 2012 naar school. Zij heeft beide kinderen ingeschreven voor de peuterspeelzaal voor een aantal uren per week. Betrokkene weigert haar kinderen in te schrijven bij een kinderopvang of gastouder, omdat ze vindt dat haar kinderen onvoldoende Nederlands spreken om duidelijk te maken of er iets aan de hand is. Zij wil/kan op dit moment niet werken, omdat ze voor de kinderen wil zorgen. Pas als de jongste naar de basisschool gaat, wil ze gaan werken. Ze wil vrijwilligerswerk doen, omdat zij dit ziet als iets vrijblijvends, en wil geen traject via de gemeente volgen.

Besluit op de aanvraag
Bij besluit van 16 mei 2012 wijst het college de aanvraag om bijstand af op de grond dat uit de houding en het gedrag van betrokkene ondubbelzinnig blijkt dat zij de verplichtingen als bedoeld in art. 9 lid 1 WWB niet wil nakomen. Daarbij neemt het college in aanmerking dat betrokkene kenbaar maakt niet beschikbaar te zijn voor re-integratieactiviteiten, omdat zij de zorg voor haar kinderen laat prevaleren.

Bezwaar
Betrokkene maakt bezwaar tegen dit besluit. Tijdens de hoorzitting op 20 augustus 2012 verklaart betrokkene, in antwoord op de haar voorgelegde vragen, dat zij pas beschikbaar is voor re-integratie als haar beide kinderen naar school gaan – vanaf september 2013 -, dat zij eerder niet beschikbaar is, ook niet voor vrijwilligerswerk en dat zij niet bereid is haar jongste kind naar de kinderopvang te brengen. Bij faxbericht van 21 augustus 2012 bericht de toenmalige gemachtigde van betrokkene het college dat betrokkene beschikbaar zal zijn voor re-integratieactiviteiten. Naar aanleiding van een daags na dat faxbericht ingediende nieuwe bijstandsaanvraag verleent het college betrokkene met ingang van 22 augustus 2012 bijstand. Het college handhaaft het besluit in een beslissing op bezwaar. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Hoger beroep
Belanghebbenden1 voeren in hoger beroep, samengevat, aan dat betrokkene nimmer uitdrukkelijk kenbaar heeft gemaakt dat zij niet bereid zou zijn deel te nemen aan een op arbeidsinschakeling gerichte voorziening als bedoeld in art. 9 lid 1 aanhef en onder b WWB. Zij heeft slechts haar bezorgdheid geuit over de zorg voor haar kinderen, die zouden moeten worden ondergebracht bij de kinderopvang of een gastouder. Betrokkene had het hier heel moeilijk mee, omdat de kinderen enorm aan haar hingen. Zij vond het uit dit oogpunt juister en kindvriendelijker om te wachten tot ook het jongste kind vier jaar zou worden. Het is te kort door de bocht om er dan maar vanuit te gaan dat sprake is van een houding waaruit ondubbelzinnig blijkt dat de verplichting om een voorziening als hiervoor bedoeld niet zal worden nagekomen. belanghebbenden verzoeken verder het college te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente.

Het oordeel van de Raad
De te beoordelen periode loopt in dit geval van 16 maart 2012, de datum waarop betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen, tot en met 16 mei 2012, de datum van het afwijzingsbesluit. Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag of uit de houding en het gedrag van betrokkene ondubbelzinnig blijkt dat betrokkene de in art. 9 lid 1 aanhef en onder b WWB opgenomen verplichting gedurende de te beoordelen periode niet wilde nakomen.

Nieuw artikelonderdeel 
Het betreffende artikelonderdeel is per 1 januari 2012 in de WWB opgenomen bij de Wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden (Stb. 2011, 650). Uit het algemene gedeelte van de memorie van toelichting bij deze wet (TK 2010/11, 32 815, nr. 3, p. 17 en 18) komt naar voren dat met de wetswijziging onder meer werd beoogd alleenstaande ouders maximaal te stimuleren om aan het arbeidsproces deel te nemen. Daarbij wijst de wetgever erop dat “[O]ok voor alleenstaande ouders geldt dat zij er in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor zijn om, door middel van werk, financieel op eigen benen te staan. Wanneer zij een beroep doen op bijstand wil de regering hen activeren om te gaan werken.”

Kinderopvang regelen
Gelet hierop mocht van betrokkene worden verlangd dat zij kinderopvang zou regelen, zodat zij een op haar arbeidsinschakeling gerichte voorziening zou kunnen gaan volgen. Tussen partijen is niet in geschil dat het in de te beoordelen periode voor betrokkene mogelijk was geweest om haar kinderen onder te brengen bij een instelling voor kinderopvang of bij een gastouder.

Uitdrukkelijk en zonder voorbehoud
Vaststaat dat betrokkene tijdens de diverse met haar gevoerde gesprekken telkenmale uitdrukkelijk en zonder voorbehoud kenbaar maakt geen kinderopvang te willen regelen, omdat zij zelf voor haar kinderen wilde zorgen. Betrokkene blokkeert hiermee deelname aan een re-integratietraject en ook de mogelijkheid om vrijwilligerswerk te verrichten. Verder verklaart betrokkene tijdens het gesprek van 19 april 2012 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud dat zij geen re-integratietraject via de gemeente wilde gaan volgen, ook niet het tijdens dat gesprek aangeboden traject ‘Flex Werkt’. Betrokkene heeft deze verklaring ondertekend. Tijdens de hoorzitting bevestigt betrokkene wat zij eerder tijdens de gesprekken op 22 en 26 maart 2012 en op 19 april 2012 had verklaard.

Categorisch weigeren
Door categorisch te weigeren kinderopvang te regelen en deel te nemen aan een re-integratietraject heeft betrokkene er ondubbelzinnig blijk van gegeven de in art. 9 lid 1 aanhef en onder b WWB opgenomen verplichting niet te willen nakomen. Dat betrokkene op 2 april 2012 met haar kinderen is verschenen om een workshop bij te wonen en haar kinderen heeft ingeschreven bij een peuterspeelzaal, doet aan haar weigerachtige houding niet af.

Wijzigen houding
Pas met het genoemde faxbericht, dus na te beoordelen periode heeft betrokkene deze houding gewijzigd. Uit het voorgaande volgt dat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen. Dit brengt mee dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Omdat het hoger beroep niet slaagt volgt uit art. 8:73 lid 1 Awb dat veroordeling tot vergoeding van schade niet mogelijk is, zodat het daartoe strekkende verzoek van belanghebbenden wordt afgewezen.

©Ingeborg Lunenburg opleiding + advies


  1. de erven en/of rechtverkrijgenden van betrokkene 

Een gedachte over “Centrale Raad: categorisch weigeren kinderopvang te regelen

  1. Pingback: Centrale Raad: ondubbelzinnig niet willen voldoen aan arbeidsverplichting? – Ingeborg Lunenburg Opleiding + Advies

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*