De Wmo bij Kassa van de Vara, begrenzing van het Bmo en de CRvB over de WIJ

Televisie gekeken afgelopen zaterdag?
De Wmo was geagendeerd bij Kassa van de Vara. Aan tafel zaten mr. Paula Breedveld van Stichting de ombudsman, Rolf Smid van de Landelijke Chronische en Gehandicapten Raad en wethouder Kamsteeg van de gemeente ZwijndrechtProgramma kijken?

Ik vond de inhoud van uitzending eerlijk gezegd teleurstellend. Als eerste werd een voorbeeld in beeld gebracht van een echtpaar, in bezit van een rolstoelbus. De gemeente in kwestie weigert de aanpassingen aan de bus vanwege een te hoog inkomen van het echtpaar. Los van de kwestie dat inkomensgrenzen niet zijn toegestaan, komt het primaat van het Collectief Vervoer niet ter sprake. Daarmee geeft dit voorbeeld een vertekend beeld van de uitvoering van de compensatieplicht door gemeenten. Daarnaast merk ik op dat een vervoersvoorziening is bestemd voor regionaal gebruik en niet voor het buitenland. Wel kunnen zich uiteraard bijzondere omstandigheden voordoen waardoor het primaat voor het Collectief Vervoer niet wordt toegepast. In dat geval kan een financiële tegemoetkoming zijn aangewezen voor het gebruik van de rolstoelbus en kunnen mogelijk ook de aanpassingen aan de bus worden gerealiseerd.

Ten tweede werd wethouder Kamsteeg – mijns inziens – onterecht aangesproken door Rolf Smid van de CG-Raad vanwege het vragen van een eigen bijdrage. Betoogt werd dat gemeenten meer rekening moeten houden met het besteedbaar inkomen van aanvragers om voorzieningen. Maar daar zit hem nu net de crux van het verbod op inkomensgrenzen en de eigen bijdrage. De CRvB oordeelt dat de wetgever bewust heeft gekozen voor het eigen bijdragesysteem ter voorkoming van stapeling van inkomenseffecten. Zoals bekend kan de gemeente binnen de kaders van het Besluit maatschappelijke ondersteuning voor alle voorzieningen een eigen bijdrage vragen. Het CAK bepaalt echter of er sprake is van samenloop met de AWBZ, tot welk bedrag een eigen bijdrage kan worden opgelegd en voor hoe lang dat gebeurt voor zover het Bmo dat toelaat. Het bedrijven van inkomenspolitiek blijft daarmee voorbehouden aan het Rijk. Als een aanvrager bijvoorbeeld drie voorzieningen krijgt toegekend waarvoor – conform het beleid – een eigen bijdrage wordt gevraagd, dan geldt het volgende. Mogelijk zal het CAK voor slechts één voorziening een eigen bijdrage opleggen omdat daarmee het gemaximeerde bedrag al is bereikt.

Verder laat ik uitzending voor wat het is.

Begrenzing van het Bmo
In mijn weblog van vorige week schreef ik dat het Bmo zijn begrenzingen kent. Ik ga kort in op een aantal van die begrenzingen.

Maximering bedragen
Artikel 4.1 lid 1 Bmo bepaalt de kaders waarbinnen de gemeente een eigen bijdrage of eigen aandeel in de kosten mag vragen (hierna bijdrage). Daarvoor geldt eerst een gemaximeerde bijdrage als iemand een (fiscaal) inkomen heeft. De hoogte van die bijdrage is afhankelijk van de leefvorm en de leeftijd. Daarnaast kan een inkomensafhankelijke bijdrage gelden. Boven de bepaalde grens en afhankelijk van de leefvorm en leeftijd geldt 15% van het meerdere inkomen per vier weken als bijdrage.

Kostprijs
De gemeente mag niet meer vragen dan de kostprijs van de voorziening (zie onder meer Staatsblad 2006, 450, p. 17). Het antwoord op de vraag wat nu precies onder kostprijs wordt verstaan is nog niet uitgeprocedeerd tot de CRvB. Aangenomen wordt dat daaronder in ieder geval het bedrag wordt verstaan dat  de gemeente – conform het Bestek – betaald aan de leverancier van de zorg of de voorziening. Dit betekent dat als de gemeente voorzieningen in eigen depot heeft, het moet uitrekenen wat de hoogte van de (resterende) kostprijs van een voorziening is. Daaruit volgt ook dat als een voorziening is afgeschreven, geen bijdrage meer mag worden gevraagd. Wel kan voor het onderhoud een bijdrage worden gevraagd.

Twee jaar termijn
Artikel 4.4 Bmo bepaalt dat geen eigen bijdrage wordt opgelegd door het CAK als binnen twee jaar na aanvang van de maatschappelijke ondersteuning voor de te betalen eigen bijdrage geen beschikking dan wel voorlopige beschikking tot vaststelling van deze bijdrage is verzonden. Dit zou betekenen dat als gemeenten pas later eigen bijdragebeleid gaan voeren, niets meer mag worden gevraagd als de voorziening twee jaar voor in werking treden van nieuw eigen bijdragebeleid is verleend.

In rechtbank Haarlem 22-12-2011, nr. AWB 11/4105 WMO (bron: Schulinck Handboek Wmo) oordeelt de rechtbank als zodanig. In Rechtbank Arnhem 08-09-2011, BT6586 Wmo oordeelt de rechtbank dat toepassing van nieuw beleid (het vragen van een eigen bijdrage) op een voorziening die al eerder is toegekend niet in strijd komt met het vertrouwensbeginsel. In die zaak werd de eigen bijdrage echter binnen twee jaar na het verlenen van de voorziening opgelegd. Verder bepaalt artikel 4.4 Bmo dat het CAK geen eigen bijdrage mag opleggen als binnen een jaar nadat de aanbieder van de maatschappelijke ondersteuning de naam, het adres en de woonplaats alsmede de omvang van de maatschappelijke ondersteuning heeft aangeleverd en het CAK de naam, het adres en de woonplaats niet heeft teruggevonden in de gemeentelijke basisadministratie.

Opgemerkt wordt dat dit niet de achtergrond is van deze bepaling. Een belangrijk verschil tussen de AWBZ en de Wmo is dat voor de AWBZ de eigen bijdrage ‘van rechtswege’ van toepassing is en voor de Wmo afhankelijk is van het vigerende beleid. Uit de letterlijke bepaling van artikel 4.4 Bmo zou dan volgen dat gemeenten zonder eigen bijdragebeleid, geen nieuw beleid kunnen toepassen op bestaande voorzieningen die meer dan twee jaar geleden zijn verleend. Daarvan ben ik (nog) niet overtuigd.

Zie verder Staatsblad 2006, 450, p. 24-25: “Dit artikel komt overeen met artikel 16a, vierde lid, van het Bijdragebesluit zorg. Artikel 16a is met het koninklijk besluit van 20 september 2005 tot wijziging van het Bijdragebesluit zorg houdende invoering van een termijn waarbinnen de beschikking tot vaststelling van de eigen voor zorg zonder verblijf wordt genomen, alsmede enkele technische wijzigingen (Stb. 471) in het Bijdragebesluit zorg opgenomen. De reden voor invoering van artikel 16 was dat het CAK de eigen bijdrage niet kon opleggen omdat de verzekerde niet in de gemeentelijke basis administratie (GBA) te vinden was of omdat er nog een gerechtelijke procedure liep tegen de hoogte van de vaststelling van het verzamelinkomen. Dezelfde uitzondering die voor de desbetreffende eigen bijdrage AWBZ geldt, is met artikel 4.4 ook voor de eigen bijdrage WMO die door het CAK wordt vastgesteld en geïnd, geregeld. Deze bepaling heeft geen betrekking op de door de gemeente vastgestelde financiële tegemoetkoming. Het is de gemeente die de hoogte daarvan vaststelt, rekeninghoudend met het aandeel in de kosten die voor rekening van de aanvrager van de maatschappelijke ondersteuning kunnen blijven. Indien betrokkene niet in het GBA te vinden is, kan een financiële tegemoetkoming niet worden vastgesteld. Dat geldt ook indien er nog discussie is over zijn verzamelinkomen. Een regeling als die van artikel 4.4 is bij de financiële tegemoetkoming dan ook zinloos. Omdat het CAK de eigen bijdragen voor de Wmo en de AWBZ vaststelt en de gemeente de hoogte van de financiële tegemoetkomingen, zullen het CAK en de gemeente goede afspraken moeten maken over de uitvoering van de anticumulatie indien aan een persoon of zijn echtgenoot zowel een financiële tegemoetkoming als een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget is verleend.” Zie verder ook Staatsblad 2008, 346, p. 5 en Staatsblad 2009, 555, p. 8.

Periode gemaximeerd
Artikel 4.1 lid 5 Bmo bepaalt de regels als de voorziening bestaat uit het verschaffen in eigendom van een roerende zaak dan wel een bouwkundige of woontechnische aanpassing van een woning die in eigendom is van de aanvrager. In dat geval kan gedurende maximaal negenendertig perioden van vier weken een eigen bijdrage in rekening worden gebracht dan wel bij de vaststelling van de hoogte van de financiële tegemoetkoming gedurende maximaal die periode een met toepassing van de daarvoor geldende regels berekende bedrag in mindering worden gebracht. Deze bepaling roept de nodige vragen op. Ik noem er een paar.

  • Mag van de huurder van een woning voor meer dan negenendertig perioden een bijdrage worden gevraagd? Of is bedoeld juist helemaal geen bijdrage te vragen?
  • Geldt voor een voorziening in bruikleen ook een gemaximeerde periode? Of wordt bruikleen niet als bezitsverschaffing aangemerkt?
  •  Mag het eigen aandeel in kosten in rekening worden gebracht bij de aanvrager?

CRvB oordeelt over de Wet investeren in jongeren
Tot 1 januari 2012 hadden jongeren recht op een werkleeraanbod. Dit aanbod vormde de toegang tot een toereikende inkomen. Dat wil zeggen: kan de jongere geen werkleeraanbod uitvoeren of genereert het geen of onvoldoende inkomen, dan bestaat recht op een inkomensvoorziening. Geen recht op een werkleeraanbod bestaat als de jongere uit Rijks kas bekostigd onderwijs volgt (artikel 23 lid 1 aanhef en onder a WIJ). Een werkleeraanbod is aan de orde als regulier onderwijs en reguliere arbeid geen oplossing bieden voor de jongere. Het reguliere onderwijs dat direct door het Rijk wordt bekostigd is een passende en toereikende voorliggende voorziening (artikel 42 lid 1 onder b WIJ). Dat onderwijs biedt aan jongeren een scala aan leermogelijkheden met een bijbehorende inkomensvoorziening. Een werkleerrecht is in die situatie niet nodig omdat de jongere al een opleiding volgt.

Hoewel de WIJ is ingetrokken per 1 januari 2012 is het wel heel aardig jurisprudentie te lezen over boeiende geschillen. Er is veel discussie geweest over de volgende vraag. Heeft een belanghebbende die uit Rijks kas bekostigd onderwijs volgt recht op een inkomensvoorziening? Rechtbanken oordeelden daar verschillend over. In CRvB 24-01-2012 BV1981 WIJ oordeelt de CRvB over bovengenoemde vraag.

De onderliggende rechtbankuitspraak is Rechtbank Breda 07-02-2011 BQ0193 WIJ. Wat ging het om in die zaak. Belanghebbende was ten tijde van belang ingeschreven als studerende bij de Erasmus Universiteit in Rotterdam en moest nog een tentamen doen en een scriptie afmaken. Vanwege het bereiken van de maximale periode studiefinanciering bestond er voor belanghebbende geen recht meer op studiefinanciering. Niet in geschil is dat de jongere uit Rijks kas bekostigd onderwijs volgt.

Het college in kwestie wijst een aanvraag om inkomensvoorziening af en handhaaft dat besluit in bezwaar. Daaraan ligt ten grondslag dat als geen recht bestaat op een werkleeraanbod ook geen recht bestaat op een inkomensvoorziening. De rechtbank oordeelt dat de omstandigheden waaronder een jongere geen recht heeft limitatief zijn opgesomd in artikel 42 lid 1 WIJ. Nu de WSF-2000 niet kan worden aangemerkt als passende en toereikende voorliggende voorziening, kan artikel 42 lid 1 onder b WIJ niet als grondslag dienen voor de afwijzing. De CRvB gaat hierin mee en oordeelt als volgt. Als het al de bedoeling is geweest van de wetgever, dat het recht op werkleeraanbod een voorwaarde is voor het recht op inkomensvoorziening, dan had dat moeten onverkort moeten blijken uit de wettekst.

De CRvB ziet niet in waarom de inkomensvoorziening niet tot verlengstuk wordt van de WSF-2000 of verwordt tot een verkapte vorm van studiefinanciering. Wel merkt de CRvB op dat als een inkomensvoorziening wordt toegewezen, dat de verplichting tot arbeidsinschakeling geldt. Worden die verplichtingen niet of onvoldoende nagekomen, dan kan het college het recht op inkomensvoorziening respectievelijk intrekken (art. 42 lid 1 aanhef en onder c WIJ) of afstemmen (art. 41 lid 1 aanhef en onder a WIJ).

©Ingeborg Lunenburg opleiding + advies

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*