Bijschrijving is een middel, maar is het inkomen of vermogen?

Geschillen in de rechtspraak over middelen zijn talrijk. Recent was er een uitspraak die best een blog update waard is (CRVB:2020:2584). Het gaat over een niet gemelde bijschrijving op een bankrekening en de gevolgen hiervan.

Algemeen over middelen
Als eerste moet de vraag worden beantwoord of het inkomens- of vermogensbestanddeel als middel kan worden gekwalificeerd waarover betrokkene beschikt of redelijkerwijs kan beschikken (art. 31 lid 1 PW). Het tweede lid bepaalt wat niet tot de middelen van de belanghebbende wordt gerekend.
Vervolgens moet de vraag worden beantwoord hoe het middel in aanmerking wordt genomen: is het inkomen (art. 32 PW) of is het vermogen (art. 34 PW).
Heeft belanghebbende verzuimd hiervan mededeling te doen aan het college dan heeft hij zijn inlichtingenplicht geschonden (art. 17 lid 1 PW). Naast een herziening- of intrekkingsbesluit en bijbehorende terugvordering1 kan daarnaast een bestuurlijke boete worden opgelegd (art. 18a PW).

Wat was hier aan de hand
Appellant ontvangt een (aanvullende) bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande en hij werkte ten tijde hier van belang voor werkgever X (X). Het college stelt een onderzoek in naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand en vraagt onder meer bankafschriften op. Tijdens het gesprek met appellant blijkt dat hij geen opgave had gedaan van een bijschrijving op zijn bankrekening ter hoogte van € 360. De bijschrijving is afkomstig van X, met als omschrijving ‘lening’ (bijschrijving).

Primair besluit
Het college heeft over twee maanden € 180 op de uitkering in mindering gebracht, zo blijkt uit de uitkeringsspecificaties. Daarnaast legt het college een boete op omdat hij geen of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt over de bijschrijving op zijn bankrekening. Daarbij is sprake van recidive; de hoogte van de boete bedraagt 150% van het benadelingsbedrag (€ 360).

Bezwaar: grondslag bestreden besluiten
Appellant maakt bezwaar tegen de uitkeringsspecificaties en het college handhaaft het primaire besluit in bezwaar. Daaraan ligt ten grondslag dat bij de vaststelling van de bijstand nog geen rekening was gehouden met het door appellant feitelijk ontvangen bedrag van € 360. Met toepassing van art. 58 lid 4 PW heeft het college daarom in twee maanden alsnog € 180 per maand met de algemene bijstand van appellant verrekend.
Voor wat betreft de bestuurlijke boete is hier sprake van recidive; de hoogte van de boete bedraagt 150% van het benadelingsbedrag; dat is € 360. Uitgaande van normale verwijtbaarheid stelt het college de boete vast op: 50% van € 540: dat is € 270.

Begrijpelijk dat betrokkene kiest om verder de procedure in te gaan, de gevolgen van het niet melden van de bijschrijving liegen er niet om.

Beroep
De rechtbank verklaart het beroep tegen de bestreden besluiten ongegrond.

Hoger beroep
Appellant stel hoger beroep in.

Gronden verrekening
Appellant voert aan dat de bijschrijving een lening was die specifiek aan hem is verstrekt om een deurwaarder te betalen. Hij ontvangt de bijschrijving en maakt het bedrag op dezelfde dag over aan de deurwaarder. Hij heeft daarom niet over het geld beschikt. Ook is er volgens appellant geen benadeling. De vermogenspositie van hem is immers niet gewijzigd, omdat in de plaats van de schuld die hij heeft voldaan aan de deurwaarder een schuld aan X is gekomen. Het college noch de samenleving lijdt bij een dergelijke transactie schade. Doordat het college de bijschrijving kwalificeert als lening in plaats van als gift, is appellant in een extreem nadelige positie gekomen. De gift zou immers niet zijn aangemerkt als een middel. Mede omdat ook nog een boete is opgelegd is de verrekening dan ook niet proportioneel.

Redactionele opmerking algemeen
Uit de aangevoerde gronden maak ik op dat appellant alles een beetje op één hoop lijkt te gooien voor wat betreft het middelenbegrip, of het middel in aanmerking genomen moet worden, en zo ja, op welke wijze.

Redactionele opmerking over de gift
Nu de bijschrijving onder vermelding van een lening is overgemaakt kan de beoordeling dat sprake is van een gift niet tot een succes leiden. Immers, een lening is in art. 31 lid 2 PW niet uitgezonderd van het middelenbegrip (bijv. CRVB:2014:3872).
Voor de geïnteresseerde lezer. Uit de rechtspraak blijkt namelijk dat als betrokkene voldoende aannemelijk maakt (of aantoont) dat er geen sprake is van inkomen indien het middel met een bepaalde bestemming of voor een bepaald doel is gegeven én dat het ook volledig is besteed waar het voor is gegeven (CRVB:2015:818).

De Raad: ruime definitie middelenbegrip
Gelet op het aanvullende karakter van de bijstand wordt in art. 31 lid 1 PW een ruime definitie gehanteerd van het begrip middelen. Tot de middelen worden in beginsel alle inkomens- en vermogensbestanddelen gerekend die kunnen worden aangewend voor de noodzakelijke kosten van het bestaan. Het gaat niet alleen om de middelen waarover de betrokkene feitelijk beschikt, maar ook om die middelen waarover de betrokkene redelijkerwijs kan beschikken. Dit vloeit voort uit de eigen verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.

De Raad: beschikken
De term beschikken moet zo worden uitgelegd dat dit ziet op de mogelijkheid voor de betrokkene om een bezitting feitelijk aan te wenden om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Dit is vaste rechtspraak (CRVB:2013:CA0086).
Appellant stelt enkel, maar maakt niet aannemelijk dat de bijschrijving hem niet vrijelijk ter beschikking stond, zodat hij dat geld ook had kunnen aanwenden voor zijn levensonderhoud. De omstandigheid dat hij de bijschrijving op zijn bankrekening direct heeft benut om de deurwaarder te betalen betekent ook niet dat hij niet kon beschikken over die bijschrijving, maar wijst juist op het tegendeel. Mede gelet op de vermelding ‘lening’ op de bijschrijving en op de brief van X aan appellant, waarin X schrijft appellant € 360 tegen vergoeding van wettelijke rente te hebben geleend, staat vast dat de bijschrijving een lening is, en niet een gift is, als bedoeld in art. 31 lid 2 aanhef en onder m PW. Een geldlening is in art. 31 lid 2 PW niet uitgezonderd van het middelenbegrip. Dat bij een aannemelijk gemaakte lening de schuldenlast van de betrokkene toeneemt, is – in gevallen als hier waarin geen sprake is van een als vermogen aan te merken middel – niet van belang. Hetzelfde geldt voor de vraag of aan de lening een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting is verbonden.

Redactionele opmerking over kwalificatie
Hier gaat het me eigenlijk een beetje te snel. In de uitspraak lees ik geen concrete overweging waaruit blijkt op grond waarvan de bijschrijving niet als vermogen kan worden aangemerkt. Dat wil zeggen: kan de bijschrijving, waarvan de bron duidelijk is, naar zijn aard gelijk worden gesteld met inkomen als bedoeld in art. 32 lid 1 PW? Gebleken is dat appellant het bedrag op dezelfde dag heeft overgemaakt naar de deurwaarder. Dat zal hij zeker hebben gedaan om te voorkomen dat de kosten nog verder op zouden lopen en om eventueel beslag op zijn inkomen te voorkomen. De Raad oordeelt echter dat appellant enkel stelt maar niet aannemelijk maakt dat de bijschrijving hem niet vrijelijk ter beschikking stond.
Als ik de gronden tegen de verrekening lees kan daaruit worden opgemaakt dat de bijschrijving2 geen wijziging heeft aangebracht in de vermogenspositie. Misschien had appellant er goed aan gedaan concreter aan te voeren dat als al sprake is van een middel, dat dit door het college als vermogen aangemerkt had moeten worden (vergelijk CRVB:2015:1429).
Of heeft de Raad (ook) bedoeld dat het enkele feit dat appellant het bedrag zelf heeft overgemaakt naar de deurwaarder al betekent dat vrijelijk over de bijschrijving kan worden beschikt? En vrijelijk besteden betekent dan ook in te zetten voor het levensonderhoud. Tja…

Bestuurlijke boete
De gronden en het oordeel over de bestuurlijke boete laat ik buiten bespreking. Wel merk ik op dat als het middel (de bijschrijving) aangemerkt zou zijn als vermogen dit niet hoeft te betekenen dat hiermee de vermogensgrens zou zijn overschreden: dus geen benadelingsbedrag.

Tot slot
Ik wil nog wijzen op CRVB:2018:948. In deze uitspraak was sprake van diverse bijschrijvingen op de bankrekening van betrokkene. Zo ook een bijschrijving van € 700 van een bankrekening van de heer D. Appellante verklaart dat dit een betaling betreft voor een gehoorapparaat voor zoon C. Nu bij de bijschrijving is vermeld ‘voor zoon C’ en appellante korte tijd daarna hetzelfde bedrag heeft overgemaakt naar zoon C, wordt de bijschrijving niet als middel aangemerkt.

©Ingeborg Lunenburg opleiding + advies 


  1. of verrekening zoals hier het geval was 

  2. de beoogde vermogenstoeval 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*

een × 4 =