Interessante jurisprudentie

Logo_rechtspraakJurisprudentie lezen verveelt nooit” was de titel van een eerder blog. In dit blog een paar uitspraken die ik heel aardig vond om te lezen. Deze keer bijzondere bijstand, co-ouderschap en terugvordering wegens beschikken over middelen uit een erfenis. Een volgende keer ga ik in op een aantal suggesties van lezers. Verder staat actuele jurisprudentie op de agenda tijdens de Studiedag WWB.

Bijzondere bijstand voor reiskosten
In CRVB:2014:172 oordeelt de Centrale Raad over de weigering van een aanvraag om bijzondere bijstand voor reiskosten. Belanghebbende vraagt bijzondere bijstand aan voor reiskosten:

  1. Voor bezoek aan contactavonden van de school van thuiswonende kinderen.
  2. Voor het bezoek aan de uithuisgeplaatste kinderen en aan de ziekenhuizen.

Het college weigert de reiskosten onder 1. en kent wel bijzondere bijstand toe voor de reiskosten genoemd onder 2. en handhaaft dat besluit in bezwaar. Daaraan ligt ten grondslag dat de reiskosten voor bezoek aan contactavonden van de school van thuiswonende kinderen (onder 1.) niet als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten in de zin van artikel 35 lid 1 WWB zijn aan te merken.

De Centrale Raad bevestigt de aangevallen uitspraak. De reiskosten die zien op het bezoek aan contactavonden op de school van haar thuiswonende kinderen zijn niet als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten in de zin van artikel 35 lid 1 WWB aan te merken. Iedere bijstandsgerechtigde met schoolgaande kinderen en een school op enige afstand van het woonadres ziet zich immers gesteld voor deze kosten. En die moeten in beginsel uit het inkomen op bijstandsniveau, met inbegrip van zogenoemde kindregelingen waaronder kinderbijslag, worden voldaan. Zie ook CRVB:2013:2125 voor een gelijkluidend oordeel.

Co-ouderschap
In CRVB:2013:2852 oordeelt de Centrale Raad over de vraag of op belanghebbende de door het college vastgestelde Richtlijn inzake co-ouderschap van toepassing is. Belanghebbende maakt niet aannemelijk  dat zijn dochter op basis van co-ouderschap of omgangsregeling volgens een vast en structureel patroon bij hem verbleef. Het college ziet dan ook geen aanleiding om de bijstand op grond van artikel 18 lid 1 WWB, deels naar de norm van de alleenstaande ouder toe te kennen. Daartoe overweegt het college dat geen vast en structureel patroon voor de co-ouderschap of omgangsregeling is op te maken.

De Centrale Raad onderschrijft het standpunt van het college. De gegevens die belanghebbende verstrekt over het aantal dagen per week dat zijn dochter bij hem verblijft zijn niet eenduidig. Uit de van elkaar afwijkende opgaven over welke dagen per week en aantal dagen waarop de dochter bij hem verblijft kan niet worden afgeleid dat in de beoordelingsperiode al sprake was van duidelijke afspraken tussen belanghebbende en zijn echtgenote en van een vast en structureel patroon. De omstandigheid dat, zoals belanghebbende aanvoert, bij huisbezoeken aan zijn woning is geconstateerd dat de kamer van zijn dochter was ingericht en haar kleding in de woning aanwezig was, betekent op zichzelf niet dat hij en zijn echtgenote ten tijde hier van belang duidelijke afspraken hadden over een vast en structureel patroon van verblijf van het kind bij hem. Daarvoor is evenmin een aanwijzing dat zijn dochter bij verschillende organisatie en instanties, zoals de apotheek, de bibliotheek en de ouderraad van haar school, staat geregistreerd op zijn adres. De richtlijn inzake co-ouderschap mist in zijn geval toepassing.

Overige jurisprudentie co-ouderschap
Er zijn meer interessante uitspraken over deze ‘leefvorm’. Door aangemerkt te worden als co-ouder wordt in ieder geval bereikt dat voor een deel van de week een hogere norm en een hoger vrij te laten vermogen geldt. Zie daarom ook
CRVB:2013:BZ8480CRVB:2012:BX4550, CRVB:2008:BG6935 en CRVB:2007:BA7357.

Erfenis en terugvordering van bijstand
In CRVB:2014:26 oordeelt de Centrale Raad over de vraag of het college bevoegd is de gemaakte kosten van bijstand en van bijzondere bijstand van belanghebbende terug te vorderen wegens het feitelijk kunnen beschikken over het erfdeel.

Als uitgangspunt geldt dat de aanspraak op erfdeel ontstaat op het tijdstip van overlijden erflater (CRVB:2011:BP1575 en vergelijk CRVB:2008:BG4110). Voor de grondslag van terugvordering is van belang dat aan betrokkene bijstand wordt verleend op het moment van ontstaan van een dergelijke aanspraak.

De belanghebbende in kwestie ontving ten tijde van de aanspraak bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder jonger dan 21 jaar en verder is aan haar bijzondere bijstand toegekend.

Beschikken
Uit onderzoek blijkt dat een bankrekening sinds 2002 op naam van haar staat en ook ten tijde van de bijstandsverlening aan haar een positief saldo kende. Belanghebbende erft het geld op deze rekening van haar grootvader, die in 1998 is overleden. Bij notariële akte was bepaald dat belanghebbende daarover pas vanaf haar 23e verjaardag kan beschikken. Op 18 november 2008 krijgt belanghebbende feitelijke de beschikking over het geld op de rekening. Het college vordert de gemaakte kosten van bijstand en van bijzondere bijstand van haar terug. Vaststaat dat het college belanghebbende bijstand heeft verleend en dat zij toen een aanspraak had op middelen uit de nalatenschap van haar grootvader, waarover zij nog niet kon beschikken. Niet in geschil is dat het vermogen van belanghebbende op het moment van de bijstandsverlening zowel in 2003 als 2005 de grens van het vrij te laten vermogen overschreed.

Bevoegdheid tot terugvordering
Anders dan belanghebbende meent, is het college daarom bevoegd om met toepassing van artikel 58 lid 1 aanhef en onder f sub 1° WWB de over deze perioden gemaakte kosten van bijstand van haar terug te vorderen. Belanghebbende kan niet worden gevolgd in haar betoog dat het college in afwijking van het advies van de commissie voor de bezwaarschriften ten onrechte heeft nagelaten om bij de vermogensvaststelling te onderzoeken of zij schulden had. Zoals het college in het bestreden besluit terecht opmerkt, heeft zij indertijd bij het aanvragen van bijstand geen melding gemaakt van schulden. Voor het doen van nader onderzoek bestond daarom geen aanleiding. Bovendien heeft belanghebbende, nadat zij daartoe door de rechtbank in de gelegenheid is gesteld, de door haar in beroep gestelde schulden niet met bewijstukken kunnen staven.

Belanghebbende kan evenmin worden gevolgd in haar betoog dat het college in afwijking van het advies van de commissie voor de bezwaarschriften ten onrechte heeft nagelaten om het bestreden besluit voor wat betreft de terugvordering van de bijzondere bijstand nader te motiveren. Onmiskenbaar is dat door de erfenis de draagkracht van haar in de periode waarover de bijzondere bijstand is verleend, fors zou zijn toegenomen. Gelet hierop, kon er ook voor haar geen misverstand over bestaan dat het college op grond van artikel 58 lid 1 aanhef en onder f sub 1° WWB bevoegd was ook de verleende bijzondere bijstand terug te vorderen. Anders dan belanghebbende aanvoert, is de vordering niet verjaard. De rechtbank overweegt met juistheid dat er geen aanknopingspunten zijn dat het college al voor 2009 op de hoogte was van het feit dat zij een bankrekening op haar naam had staan met daarop een aanzienlijk geldbedrag.

Gelijkheidsbeginsel
Niet geschoten is altijd mis. Maar een beroep op het gelijkheidsbeginsel is zelden succesvol. Zo ook in deze zaak. Het college heeft van de moeder, die ook een erfdeel heeft ontvangen, geen bijstand teruggevorderd. Dat vloeit voort uit het feit dat zij, anders dan belanghebbende, bijstand heeft genoten gedurende een periode die is gelegen voor het overlijden van de grootvader van belanghebbende. Van vergelijkbare gevallen is daarom geen sprake.

©Ingeborg Lunenburg opleiding + advies

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*