Financieel draagkrachtigen, eigen mogelijkheden, eigen verantwoordelijkheid: zelfredzaam

Eindelijk dan weer een weblog! Ik heb gekozen om een uitspraak op te nemen waar volgens mij nog door menigeen over geschreven zal gaan worden. Ook heb ik overigens een annotatie geschreven bij deze uitspraak.

De gemeente in kwestie zal in haar nopjes zijn met de uitkomst.

In Rechtbank Arnhem 18-12-2012, BY6913 Wmo oordeelt de rechtbank over de weigering van een aanvraag om hulp bij het huishouden.

Belanghebbende is eind 2011 verhuisd uit haar woning naar een wooncomplex waar zij alle hulp en zorg krijgt die zij nodig heeft, zij het dat voor huishoudelijke hulp een aanvraag moet worden gedaan op grond van de Wmo. Vast staat dat belanghebbende, die hoogbejaard is, zelf niet in staat is het huishoudelijk werk te doen.

Het college weigert de aanvraag en handhaaft dat besluit in bezwaar. Daaraan ligt primair ten grondslag dat huishoudelijke hulp, gelet op de bij belanghebbende aanwezige financiële middelen in de vorm van inkomen en vermogen algemeen gebruikelijk is. Subsidiair stelt het college zich op het standpunt dat het bedrag dat belanghebbende aan woonkosten besteedt niet in verhouding staat met het bedrag dat aan huishoudelijke hulp nodig is. Onder woonkosten wordt in deze zaak zo blijkt één rekening verstaan voor het wonen en alle hulp en zorg die belanghebbende nodig heeft. Zij heeft – aldus het college – de bewuste keuze gemaakt om in een wooncomplex te gaan wonen waarvan de kosten hoog zijn. Daarom moet zij in staat worden geacht de kosten van huishoudelijke hulp zelf te betalen.

De rechtbank oordeelt als volgt. In de toelichting op de Verordeningsbepaling “algemeen gebruikelijk” staat:

“Evenals onder de Wet voorzieningen gehandicapten het geval was, is het ook onder de Wet maatschappelijke ondersteuning niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarover de aanvrager, gezien zijn individuele situatie, ook zonder zijn handicap of beperking, zou kunnen beschikken. Deze voorzieningen worden als algemeen gebruikelijk beschouwd. Wat in een concrete situatie als algemeen gebruikelijk te beschouwen is, hangt af van de geldende maatschappelijke normen van het moment van de aanvraag. (…). Om duidelijk te maken wat in de wet verstaan wordt onder dit begrip is de begripsomschrijving vanuit de jurisprudentie in de verordening opgenomen. Het gaat daarbij om voorzieningen:

    • die in de reguliere handel verkrijgbaar zijn;
    • die niet speciaal voor gehandicapten bedoeld zijn;
    • die niet aanzienlijk duurder zijn dan vergelijkbare producten met hetzelfde doel.”

De rechtbank acht deze uitleg van het begrip algemeen gebruikelijk op zich genomen niet in strijd met de wet.

Primaire grondslag besluit
De rechtbank kan het standpunt van het college dat huishoudelijke hulp, gelet op het inkomen en vermogen van belanghebbende algemeen gebruikelijk is niet volgen. Immers, door een voorziening op basis van inkomen en vermogen algemeen gebruikelijk te achten legt het college – impliciet – een inkomens- en vermogenstoets aan bij de beoordeling van het recht op een Wmo voorziening. Onder verwijzing naar CRvB 18-01-2012, LJN BV1309 overweegt de rechtbank dat hiervoor, anders dan door middel van het opleggen van een eigen bijdrage bedoeld in artikel 15 Wmo, en het op artikel 19 Wmo gebaseerde eigen aandeel, geen ruimte is. Dit betekent dat het primaire standpunt van het college geen stand kan houden.

Subsidiaire grondslag besluit
De rechtbank begrijpt – mede gelet op wat het college betoogt in zijn verweerschrift – het subsidiaire standpunt van het college aldus dat belanghebbende, voldoende zelfredzaam geacht wordt om de beperking op te heffen door op eigen kosten huishoudelijke hulp in te schakelen. Dit is bepaald in artikel 4 aanhef en onderdeel c van de Verordening.

Ik heb de betreffende bepaling en de toelichting opgezocht en deze luidt als volgt:

“Artikel 4 Algemene weigeringsgronden Geen voorziening wordt toegekend: c. indien de aanvrager zelf in staat is om de beperkingen op te heffen. De toelichting luidt: Hierbij gaat het om beperkingen die door de aanvrager eenvoudig en zonder meerkosten zelf kunnen worden gecompenseerd. Bijvoorbeeld als de beperking kan worden weggenomen door het meubilair op een andere wijze neer te zetten.”

De rechtbank kan het college volgen in het subsidiaire standpunt. Anders dan belanghebbende betoogt is het begrip “zelfredzaam” als bedoeld in artikel 4 aanhef en onder c, van de Verordening – naar het oordeel van de rechtbank – niet uitsluitend van toepassing in gevallen als genoemd in de toelichting op deze bepaling. De rechtbank verwijst naar de geschiedenis van totstandkoming van de Wmo TK 2005/06, 30 131, nr. 29, p. 10. Daaruit blijkt dat de reikwijdte van het begrip zelfredzaamheid individueel is bepaald en afhankelijk van individuele behoeften.

Citaat TK 2005/06, 30 131, nr. 29, p. 10
“De regering verstaat onder zelfredzaamheid het vermogen om het leven in te richten zonder dat hulp van anderen nodig is. Dat laat naar het oordeel van de regering onverlet dat soms ondersteuning nodig is om vervolgens zelf het leven in te kunnen richten. Daartoe strekt de Wmo. Zelfredzaamheid kan dus ook ruimer worden geïnterpreteerd. De reikwijdte van het begrip zelfredzaamheid is individueel bepaald en afhankelijk van indivi-duele behoeften. Onder maatschappelijke participatie verstaat de regering het aangaan van sociale verbanden zowel te eigen bate (materieel via werk bijvoorbeeld en immaterieel via vrienden en kennissen) als ten gunste van anderen (vrijwilligers, mantelzorgers).”

De rechtbank overweegt verder dat zelfredzaamheid in direct verband staat met de begrippen eigen mogelijkheden en eigen verantwoordelijkheid. De rechtbank verwijst in dit verband in het bijzonder naar de hierna volgende passage uit de memorie van toelichting bij de Wmo: TK 2004/05, 30 131, nr. 3, p. 7:

“De regering wil met dit wetsvoorstel ook stimuleren dat mensen die dat kunnen, meer dan nu het geval is, zelf oplossingen bedenken in de eigen sociale omgeving voor problemen die zich voordoen. De regering stelt daarom een aantal historisch gegroeide vanzelfsprekendheden in zorg en ondersteuning ter discussie en doet een groter beroep op de eigen draagkracht. Het is de overtuiging van de regering dat gemeenten heel goed kunnen zorgdragen voor een goed samenhangend stelsel van ondersteuning voor burgers die niet goed in staat zijn in bepaalde situaties zelf of samen met anderen oplossingen te realiseren. Het gaat dan bijvoorbeeld om zaken als het huishouden op orde houden, sociale ondersteuning bieden, het huis aanpassen en vervoer met een rolstoel of scootmobiel.”

Uit de hier vermelde passage en ook overigens uit de toelichting van de Verordeningsbepaling leidt de rechtbank af dat de compensatieplicht van het college eerst dan aan de orde komt wanneer de belanghebbende geen in redelijkheid van hem te vergen mogelijkheden heeft om zelf of in samenwerking met anderen een oplossing voor zijn probleem op één van de resultaatsgebieden van artikel 4 lid 1 Wmo, te realiseren. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de tekst noch de toelichting op de wet, dat de begrippen zelfredzaamheid en eigen verantwoordelijkheid niet mede betrekking kunnen hebben op de inzet van de eigen financiële middelen van de belanghebbende, mits bij de beoordeling van de vraag of in redelijkheid kan worden gevergd deze aan te wenden om een oplossing voor het probleem te realiseren, alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank voldoende gebleken dat belanghebbende voldoende mogelijkheden heeft om zelf voor een oplossing te zorgen. Blijkens de brochure van het betreffende wooncomplex die zich onder de gedingstukken bevindt wordt het gehele pakket aan zorg geboden; van huishoudelijke hulp tot en met intensieve verpleging en verzorging. Verder volgt uit de brochure dat voor alle hulp en zorg slechts een rekening wordt verstuurd. De rechtbank leidt hieruit af dat huishoudelijke hulp vanuit de organisatie van het betreffende wooncomplex wordt geboden en dat belanghebbende ook naar de financiële en administratieve afwikkeling geen omkijken heeft.

Daarnaast beschikt belanghebbende, blijkens het zich eveneens onder de gedingstukken bevindende fiscaal rapport inkomstenbelasting 2010 over aanzienlijke financiële middelen. Gesteld noch gebleken is dat deze middelen ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet meer aanwezig waren. Evenmin gesteld of gebleken is dat belanghebbende overigens zodanige financiële lasten heeft (bijvoorbeeld in de vorm van eigen bijdragen voor zorg) dat er sprake is van een cumulatie van lasten als gevolg waarvan door de wetgever niet beoogde en ongewenste inkomenseffecten optreden. Gelet op de hierboven vermelde omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat het college geen compensatieplicht heeft met betrekking tot het verstrekken van een voorziening op grond van de Wmo in de vorm van huishoudelijke hulp. De aanvraag is terecht afgewezen.

Wil je mijn annotatie bij deze uitspraak lezen? Klik dan hier.

©Ingeborg Lunenburg opleiding + advies

2 gedachten over “Financieel draagkrachtigen, eigen mogelijkheden, eigen verantwoordelijkheid: zelfredzaam

  1. Mooie uitspraak die weer mogelijkheden biedt. Hopelijk gaat de klant in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. Voor mij is de casus wel redelijk bijzonder, oftewel de verordeningsbepaling van de gemeente is niet heel vaak direct toepasbaar voor de gebruikte afwijzing. Het is wel zeer slim om je verordening indien nodig aan te passen. Blijkens de brochure van het betreffende wooncomplex die zich onder de gedingstukken bevindt wordt het gehele pakket aan zorg geboden; van huishoudelijke hulp tot en met intensieve verpleging en verzorging. Verder volgt uit de brochure dat voor alle hulp en zorg slechts een rekening wordt verstuurd. Zo’n situatie is dus denk ik geen dagelijkse praktijk.

    Diederik Kooyman- 02-01-2013

  2. Met belangstelling gelezen. Mag een gemeente wel of niet een inkomens- en vermogenstoets doen bij beoordeling recht op een WMO voorziening? Recent voor cliënten aanvraag hulp bij het huishouden aangevraagd en diverse documenten m.b.t. het inkomen moeten bijsluiten (bewijs van 3 maanden bijschrijving AOW en pensioen). Op basis daarvan bij een cliënt én hulp bij het huishouden én aanvraag scootmobiel afgewezen. Mag dit?

    Y. de graaf- 11-03-2013

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*

twee × drie =