Centrale Raad: bijzondere bijstand en draagkracht

Schulinck Nieuwsbrief Jurisprudentie WWB 2011/05

CRvB 25-01-2011, BP3443 WWB

Annotatie door Ingeborg Lunenburg
Draagkrachtregels over bijzondere bijstand vormen niet vaak een geschil in de jurisprudentie.

In deze zaak wijst het college de aanvraag om bijzondere bijstand af vanwege draagkracht uit het vastgestelde vermogen, onder toepassing van de beleidsregels. Namens belanghebbende dient zijn curator een aanvraag in voor de kosten van bewindvoering. Niet in geschil is dat het gaat om uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan. Naar aanleiding daarvan stelt het college onderzoek in naar de draagkracht van belanghebbende. Vaststaat dat het vermogen ten tijde van de aanvraag € 2.992,73 bedraagt en dat dit bedrag meer is dan de voor belanghebbende geldende bijstandsnorm. De beleidsregels van de gemeente in kwestie bepalen dat in voorkomende gevallen de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd moeten worden bestreden uit dat vermogen.

In deze noot ga ik in op drie punten waarop het college een zekere beoordelingsvrijheid of beoordelingsruimte heeft ten aanzien van het niet verlenen van bijzondere bijstand:

  1. het drempelbedrag;
  2. de vraag of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm of een inkomen op die hoogte; of
  3. de vraag of de kosten kunnen worden voldaan uit de langdurigheidstoeslag, het vermogen of het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm (hierna draagkracht).

Ik beantwoord daarbij de vraag of een belanghebbende met succes een beroep zou kunnen doen op mogelijke toekomstige (negatieve) ontwikkelingen in het inkomen of vermogen.

Het drempelbedrag
Het college is bevoegd te bepalen dat als de kosten binnen een periode van twaalf maanden niet meer dan € 122 bedragen, deze niet voor bijstandsverlening in aanmerking komen (art. 35 lid 2 WWB). Het college heeft hierdoor de mogelijkheid om bijzondere bijstandsverlening in ‘kruimelvoorzieningen’ tegen te gaan (TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 64-65). Het drempelbedrag kan ook lager worden vastgesteld. Uit deze bepaling volgt dat betrokkene gedurende een periode van twaalf maanden kosten bij elkaar kan sparen tot deze meer bedragen dan € 122 zonder dat hem wordt tegengeworpen dat in de kosten is voorzien. Dit is wezenlijk anders dan in de Abw het geval was. In artikel 41 Abw was bepaald dat voor zover de bijzondere bestaanskosten (laatstelijk) € 109 bedragen, deze geacht worden uit het sociaal minimum te kunnen worden voldaan (TK 1993-1994, 22 545, nr. 18, p. 45). Dit betekent dat slechts het meerdere van € 109 in aanmerking kwam voor bijzondere bijstand.

Bij mij is geen WWB-jurisprudentie bekend waarin het hanteren van een drempelbedrag in geschil is.

Jurisprudentie kosten voldoen uit de bijstandsnorm
In CRvB 15-09-2009, nr. 07/6946 WWB oordeelt de CRvB – gelet op de aan het college toekomende beoordelingsvrijheid – dat het in redelijkheid tot de conclusie heeft kunnen komen dat de kosten van zwemlessen kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm.

De beantwoording van de vraag of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm of een inkomen op die hoogte staat niet geheel op zichzelf. Ik meen dat beantwoording van die vraag in samenhang moet worden bezien met de vraag of sprake is van noodzakelijke kosten die voortvloeien uit de bijzondere omstandigheden. In bovengenoemde uitspraak stelt het college dat de kosten van zwemlessen noodzakelijke kosten zijn en dat deze – vanwege een medische indicatie – voortvloeien uit de bijzondere omstandigheden. Hoewel de zwemlessen medisch zijn geïndiceerd denk ik dat het college de aanvraag had kunnen afwijzen omdat het algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan zijn (vergelijk CRvB 27-05-2008, nr. 07/440 WWB). Slechts in geval sprake is van meerkosten door bijvoorbeeld extra zwemlessen of begeleiding daarbij, zouden het uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van bestaan kunnen zijn. Bij het beantwoorden van de vraag of daarvan sprake is heeft het college nadrukkelijk geen beoordelingsvrijheid (zie bijvoorbeeld CRvB 28-02-2006, nr. 05/379 WWB).

Uitgangspunten draagkrachtperiode
Artikel 35 lid 1 WWB bepaalt dat het college het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen moet vaststellen.

De duur van die periode kan afhankelijk zijn van de kostensoort (incidenteel of periodiek) waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd. Het begin van de draagkrachtperiode is afhankelijk van de vraag of het college bijzondere bijstand met terugwerkende kracht toekent en ook de draagkrachtperiode in het verleden vaststelt. Is dat het geval, dan kan met zekerheid worden vastgesteld wat het inkomen en vermogen is geweest en welk deel daarvan in aanmerking wordt genomen. Wordt de draagkrachtperiode daarentegen in de toekomst vastgesteld, dan kan het dus niet met zekerheid vaststaan of het inkomen en/of het vermogen in die (gehele) periode gelijk zal blijven.

Het college is verplicht een draagkrachtperiode vast te stellen en mag niet volstaan met slechts de vaststelling dat het vermogen – op het tijdstip van de aanvraag – het in aanmerking te nemen vermogen overschrijdt (zie CRvB 22-11-2005, nr. 03/6303 NABW).

Jurisprudentie draagkracht inkomen
In CRvB 27-05-2008, nr. 07/444 WWB oordeelt de CRvB dat het omschreven beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten gaat. Het beleid bepaalt dat als iemand een netto-inkomen (exclusief vakantietoeslag) boven bijstandsniveau heeft, 25% van dat meerdere als draagkracht word aangemerkt. De draagkracht wordt in beginsel vastgesteld voor een heel jaar en het draagkrachtjaar begint op de eerste dag van de maand waarin de bijzondere bijstand wordt aangevraagd of verleend. Het college vertelt ter zitting dat het rekening houdt met wijzigingen in het inkomen tijdens het draagkrachtjaar. Bij een nieuwe aanvraag om bijzondere bijstand wordt namelijk de draagkracht en een nieuwe draagkrachtperiode opnieuw vastgesteld. In deze zaak heeft het college – naar oordeel van de CRvB – gehandeld overeenkomstig zijn beleid en is niet gebleken van omstandigheden waarom daarvan moet worden afgeweken.

Jurisprudentie draagkracht vermogen
In de onderhavige zaak oordeelt de CRvB over de inhoud van het draagkrachtbeleid. Daarin is bepaald dat het aanwezige vermogen volledig moet worden aangewend voor de betaling van de kosten waarvoor bijzondere bijstand is aangevraagd, slechts een bedrag ter hoogte van de geldende bijstandsnorm blijft bij de vermogensvaststelling buiten beschouwing. Naar oordeel van de CRvB gaat dit beleid – de aan het college toekomende beoordelingsruimte – de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten en is niet gebleken van omstandigheden waarom daarvan moet worden afgeweken.

Rest het antwoord op de door mij geworpen vraag. Kan een belanghebbende met succes een beroep op mogelijke toekomstige (negatieve) ontwikkelingen ten aanzien van het inkomen of vermogen?

In beginsel meen ik van niet. Aan de WWB ligt het uitgangspunt ten grondslag dat een ieder primair zelf verantwoordelijk is voor de voorziening in het bestaan en de bijstand heeft een complementair karakter. Daaruit volgt dat aan de WWB het zogeheten actualiteitsbeginsel ten grondslag ligt. Dit beginsel leidt er toe dat bij de toepassing van de WWB geen rekening wordt gehouden met wat er in de toekomst zou kunnen gebeuren (zie CRvB 16-06-2009, nrs. 07/6025 WWB e.a.).

Vraagt belanghebbende echter opnieuw bijzondere bijstand aan in de (in de toekomst) vastgestelde draagkrachtperiode, dan zal het college de draagkracht opnieuw moeten beoordelen (vergelijk CRvB 22-11-2005, nr. 03/6303 NABW).

©Ingeborg Lunenburg opleiding + advies

Een gedachte over “Centrale Raad: bijzondere bijstand en draagkracht

  1. Pingback: Kostendelersnorm en bijzondere bijstand. Is het college bevoegd? – Ingeborg Lunenburg Opleiding + Advies

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*