Rechtbank Arnhem: boodschappendienst voorliggend?

Logo_rechtspraakSchulinck Nieuwsbrief jurisprudentie Wmo 2009/06

Rechtbank Arnhem 12-01-2009, BH3113

Annotatie door Ingeborg Lunenburg
Mijn oog viel in eerste instantie niet op iets opvallends in deze zaak maar eerder op de vertrouwde lijn alsof het gaat om een toekenning van huishoudelijke verzorging onder de AWBZ. Want, zo blijkt uit deze uitspraak, ook onder de Wmo gaat de boodschappendienst en de maaltijddienst vóór op het verlenen van een individuele Wmo-voorziening. Ik vraag me af of aan de gemeente de beoordelingsvrijheid toekomt om die lijn van de AWBZ zonder meer voort te zetten.

Bij de beantwoording van die vraag betrek ik jurisprudentie die onder de Wmo en AWBZ tot stand is gekomen en het gemeentelijk beleid in deze zaak. Daarna ga ik kort in op de vraag of mensen in aanmerking komen voor ‘begeleiding’ bij het doen van boodschappen of koken vanwege de aanscherping van de regels voor de functie Begeleiding in de AWBZ. Voor het wettelijk kader verwijs ik naar de uitspraak zelf. Ik laat in deze noot buiten beschouwing dat een tijdelijke indicatie voor koken en boodschappen doen kan worden gegeven voor het aanleren daarvan en in gevallen van een ernstig ontregeld huishouden.

Beoordelingsvrijheid
In deze zaak neemt de gemeente de beoordelingsvrijheid om de boodschappendienst en de maaltijddienst als voorliggend aan te merken op het verlenen van een individuele voorziening. De rechter zal dat moeten toetsen omdat de CRvB in CRvB 10-12-2008, nr. 08/3206 WMO (zie Nieuwsbrief Jurisprudentie Wmo 2009/02) oordeelt dat noch in de Wmo noch in de wetsgeschiedenis aanknopingspunten zijn te vinden voor een terughoudende beoordeling van een ter uitvoering van artikel 4 Wmo genomen besluit. Wel dient een dergelijk besluit in het individuele geval maatwerk te zijn.

Opvallend is dan ook dat de rechtbank in deze zaak die beoordelingsvrijheid niet toetst. In de Wmo-verordening is de weigeringsgrond neergelegd dat als een voorziening voor een persoon als de aanvrager algemeen gebruikelijk is daar geen recht op bestaat. De toelichting leert dat dit onder andere afhankelijk is van de aard van de voorziening en de financiële situatie van de aanvrager. In de nadere regels over de hulp bij het huishouden wordt de weigeringsgrond als volgt uitgewerkt: “onder andere maaltijddiensten en boodschappendiensten, mits aanwezig, zijn algemeen gebruikelijk”.

De voorzieningenrechter oordeelde eerder dat de boodschappendienst aanwezig is en dat die tegen betaling de boodschappen thuis bezorgt. De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt in de nadere regels niet in strijd is met de Wmo mits de boodschappendienst en maaltijddienst daadwerkelijk beschikbaar zijn en door de aanvrager financieel gedragen kunnen worden en adequate compensatie bieden. De rechtbank onderschrijft het standpunt van het college dat de boodschappendienst in dit geval een algemeen gebruikelijke voorziening is die in de weg staat aan het verstrekken van een voorziening daarvoor. Voorzover het gaat om de beschikbaarheid van de maaltijddienst is het beroep gegrond en zal het college aanvullend onderzoek moeten doen.

Het oordeel van de rechtbank is mijns inziens een marginale toets van de bepaling in de Wmo-verordening die voor de huishoudelijke verzorging in de nadere regels verder is uitgewerkt. De rechtbank oordeelt: “Gesteld noch gebleken is dat eiseres van de bezorgservice geen gebruik kan maken, dat zij deze niet financieel kan dragen of dat deze geen adequate compensatie biedt”. Hoewel de weigeringsgrond in de Wmo-verordening als ook de nadere regels weliswaar ruimte laten voor een individuele beoordeling moet ik constateren dat de toets van de rechtbank aan artikel 4 lid 2 Wmo schittert door afwezigheid. Immers, dat artikel bepaalt dat het college bij het verlenen van een voorziening rekening houdt met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager alsmede de capaciteit van de aanvrager uit het oogpunt van kosten om zelf maatregelen te kunnen treffen.

Voor een verdere beantwoording van de vraag of de boodschappendienst en de maaltijddienst voorliggend zijn op het verlenen van een individuele voorziening is een blik in de jurisprudentie relevant.

AWBZ jurisprudentie huishoudelijke verzorging
In CRvB 28-06-2007, nrs. 07/2153 AWBZ e.a. stelt de CRvB, conform het beleid, dat belanghebbende een beroep kan doen op de maaltijdservice en dat daarmee vaststaat dat belanghebbende gelet op zorgbehoefte en uit oogpunt van doelmatige zorgverlening niet is aangewezen op een ophoging van de normtijden. In CRvB 31-01-2007, nr. 04/5823 AWBZ komt de CRvB tot een soortgelijk oordeel.

In rechtbank Arnhem 29-12-2005, nr. AWB 05/2570 AWBZ oordeelt de rechtbank dat belanghebbende terecht niet is geïndiceerd voor zorg waarvoor een algemeen gebruikelijke voorziening aanwezig is. Hoewel belanghebbende gelijk krijgt dat dat een inbreuk is op de persoonlijke levenssfeer oordeelt de rechtbank dat deze inbreuk gerechtvaardigd is nu het aanwenden van schaarse collectieve middelen prevaleert boven het belang van de bescherming in zijn privacy.

Wmo jurisprudentie huishoudelijke verzorging
In rechtbank Arnhem 29-08-2008, nr. AWB 07/4915 treedt het college in zijn algemeenheid niet buiten de grenzen van een redelijke wetstoepassing door het Protocol Indicatiestelling voor Huishoudelijke Verzorging als beleid te hanteren. Het college moet, gelet op artikel 3:4 lid 2 Awb, wel onderzoeken of er in het individuele geval sprake is van omstandigheden waarin onverkorte toepassing van het beleid leidt tot schending van de compensatieplicht als bedoeld in artikel 4 lid 1 Wmo.

In rechtbank Almelo 07-08-2008, nr. 07/1349 WMO (zie Nieuwsbrief Jurisprudentie Wmo 2008/18) oordeelt de rechtbank dat het college voor de omvang van de huishoudelijke verzorging gebruik mag maken van (de inhoud) van het CIZ Protocol. Echter om de omstandigheden van het individu mee te wegen zoals het protocol voorschrijft en besloten ligt in artikel 4 lid 2 Wmo moet het college een zorgvuldig onderzoek doen naar de zorgbehoefte. In Vzr. rechtbank Groningen 29-06-2007, nrs. AWB 07/501 WMO e.a. oordeelt de voorzieningenrechter dat uit artikel 4 lid 2 Wmo een zelfstandige onderzoeksverplichting voortvloeit voor het college. In Vzr. rechtbank Roermond 31-05-2007, nr. 07/584 WMO V1 (zie Nieuwsbrief Jurisprudentie Wmo 2008/17) oordeelt de voorzieningenrechter dat het college voor de vaststelling dat een voorziening voor de persoon van de aanvrager algemeen gebruikelijk is acht moet blijven slaan op de persoonskenmerken, behoeften en financiële mogelijkheden van de aanvrager.

Bij mij is geen AWBZ of Wmo jurisprudentie bekend waar toch een indicatie voor (meer) uren huishoudelijke verzorging moest worden gegeven ondanks het feit dat de boodschappendienst en/of de maaltijddienst aanwezig waren.

Ik verwacht eerlijk gezegd dat het uitgangspunt onder de Wmo dat de boodschappendienst en de maaltijddienst vóór gaan op het verlenen van een individuele voorziening, in beginsel houdbaar is, mits gemotiveerd (artikel 4 Wmo en artikel 26 Wmo) en alleen als de beperkingen sec betrekking hebben op ‘het voeren van een huishouden’. Immers, belanghebbende wordt in aanvaardbare mate gecompenseerd in zijn zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie door de aanwezigheid van voorzieningen. En tot 1 januari 2007 waren zowel ‘zelfredzaamheid’ als ook ‘participatie’ doelstellingen in de AWBZ. Dus de vertrouwde lijn mag in beginsel voorgezet worden.

Als het gaat om een vervoersvoorziening houdt dat uitgangspunt zeker geen stand (CRvB 22-10-2008, nr. 07/2278 WVG). Zo zal het college ook gehouden zijn de beperkingen te compenseren als die ondervonden worden in het normale gebruik van de woning. Dat kan een (eenvoudige) aanpassing van de keuken zijn (CRvB 01-02-2006, nr. 03/2988 WVG). Ik ken geen jurisprudentie waarin in geschil is dat de maaltijddienst vóór gaat op het verlenen van een dergelijke woonvoorziening.

Mr. dr. Matthijs Vermaat stelt zich in zijn noot bij rechtbank Almelo 07-08-2008, nr. 07/1349 WMO (Nieuwsbrief Jurisprudentie Wmo 2008/17) op het volgende standpunt:

“Kant-en-klaar maaltijden, maaltijdvoorziening, boodschappendienst of bezorging aan huis die voorliggend zijn op het verlenen van een individuele voorziening borduurt verder op de AWBZ. Dat lijkt de doelstelling van de Wmo uit het oog te verliezen omdat het doen van boodschappen of zelf koken juist activiteiten zijn die tot de normale deelname aan het maatschappelijk verkeer behoren.”

In eerste instantie onderschrijf ik zijn standpunt dus niet. Of heeft hij toch een punt zeker nu per 1 januari 2009 de AWBZ pakketmaatregelen in werking zijn getreden?

Die maatregelen houden kort gezegd in dat de omschrijvingen van de AWBZ-zorg zijn verhelderd en afgebakend om de kosten van de AWBZ beheersbaar te houden. De doelstelling ‘participatie’ is geschrapt uit alle AWBZ aanspraken. Participatie behoort, volgens de staatssecretaris, niet (meer) tot AWBZ-zorg maar tot andere domeinen zoals familie en andere relaties van betrokkenen, de Wmo, onderwijs en de eigen verantwoordelijkheid. De drie zorgfuncties: Ondersteunende begeleiding, Activerende begeleiding en Behandeling zijn teruggebracht naar twee zorgfuncties, namelijk Begeleiding en Behandeling.

De regering heeft in ieder geval geen aanleiding gezien de Wmo te wijzigen vanwege die maatregelen. Daaruit concludeer ik dat als er aanspraak bestaat op maatschappelijke ondersteuning die binnen het huidige kader van de wet ligt (zie ook Staatsblad 2008, nr. 533, p. 14).

AWBZ Begeleiding nieuwe stijl
De AWBZ functie Begeleiding is gericht op het bevorderen, het behoud of het compenseren van zelfredzaamheid van de verzekerde. De Begeleiding is bedoeld voor verzekerden die zonder deze begeleiding zouden moeten verblijven in een instelling of zouden verwaarlozen. De aanspraak wordt beoordeeld op de soort beperkingen en de ernst daarvan. Alleen matige en zware beperkingen op de volgende terreinen geven aanspraak op een indicatie voor de functie Begeleiding:

  • Sociale redzaamheid
  • Bewegen en verplaatsen
  • Probleemgedrag
  • Psychische problemen
  • Geheugen- en oriëntatiestoornissen

Het CIZ beoordeelt de mate van beperkingen aan de hand van scores op het gebied van: stoornissen, beperkingen en participatieproblemen (ICF). Wordt iemand ‘licht’ bevonden dan valt hij buiten de aanspraak van de AWBZ. Scores op de terreinen: huishoudelijk leven, maatschappelijke participatie en psychisch welbevinden geven geen aanspraak op de functie Begeleiding. Beperkingen op het huishoudelijk leven en maatschappelijke participatie vallen immers onder de Wmo. Beperkingen in het psychisch welbevinden geven toegang tot de Zorgverzekeringswet maar kunnen wel mede bepalend zijn voor de omvang van een indicatie voor de functie Begeleiding.

Gemeenten kunnen meer te maken krijgen met personen die niet sociaal redzaam zijn wat kan blijken uit beperkingen op het gebied van het huishoudelijk leven. Of het college compensatieplicht heeft voor ‘begeleiding’ met het koken en de boodschappen doen en dus niet kan volstaan met de boodschappendienst en de maaltijddienst durf ik op voorhand niet te stellen. Wel vraag ik me af of iemand met dergelijke beperkingen in zijn sociale redzaamheid niet thuishoort in het domein van de AWBZ omdat die situaties zeker tot verwaarlozing zullen leiden. Een kwestie van een juiste indicatie?

Maatschappelijke ondersteuning in de prestatievelden volgens artikel 1 lid 1 onder g onderdeel 2°, 3° en 5° Wmo zou in andere voorkomende gevallen voldoende soulaas kunnen bieden als die velden zijn ingevuld en iedereen van elkaar weet wat hij doet. Uit mijn werkpraktijk blijkt dat dat nog volop in ontwikkeling is.

©Ingeborg Lunenburg opleiding + advies

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*