Wetsvoorstel Maatregelen Wet werk en bijstand openbaar

overheid.nlWetsvoorstel maatregelen WWB en andere wetten
Een eerste blog over het kersverse wetsvoorstel. Voor mij zijn de voorbereidingen op de  Studiedag WWB 2013-2014 op 10 februari 2014 dan ook begonnen. Het nieuwe jaar goed beginnen? Schrijf je dan in.

De Raad van State heeft in week 38 advies gegeven over het wetsvoorstel. En op 12 november was het dan eindelijk openbaar. Zoals bij een ingrijpende wetswijziging als deze gebruikelijk is doet het veel stof opwaaien in de media.

Bestaat er nog ruimte voor maatwerk in de WWB, vraagt Josan van Hoof (hoofdredacteur van KluwerSchulinck) zich af. VNG en Divosa hebben scherpe kritiek op het wetsvoorstel welke op 1 juli 2014 beoogd is in werking te treden. De Raad van State is (ook) kritisch over het wetsvoorstel. Zo betwijfelt de Afdeling bijvoorbeeld of met het opleggen van een van plicht tot tegenprestatie en het uniformeren van arbeidsverplichtingen de doelstelling van de activerende werking van de WWB wordt bereikt. Het wetsvoorstel is overigens mede op basis van het advies van de Afdeling op onderdelen aangepast.

Centrale regels
Uit het wetsvoorstel blijkt in ieder geval dat in het politieke klimaat van decentralisatie het Rijk voor een aantal kwesties toch de vinger in de pap wil houden. Dat heeft onder meer te maken met verschillende onderzoeken die zijn uitgevoerd door de Inspectie voor werk en inkomen (thans Inspectie SZW). Dit is niet nieuw, we zagen de dwingend voorgeschreven regels al geïntroduceerd op 1 januari jl. in de plicht tot terugvordering bij schenden inlichtingenplicht, de verplichte bestuurlijke (recidive)boete, de bij wet ingeperkte vrijheid tot kwijtschelding van schulden als gevolg daarvan en het verbod op schuldhulpverlening in bepaalde situaties.

Plicht tot het leveren van een tegenprestatie
Veel media-aandacht voor deze symboolpolitiek zou ik denken. Hoewel ik in het wetsvoorstel lees dat het opschrift van het huidige artikel 9 WWB wijzigt in “verplichtingen” is de maatregel wegens het niet nakomen van de plicht tot het leveren van een tegenprestatie buiten de lijst van geüniformeerde verplichtingen geplaatst (zie voorgesteld artikel 18 lid 4 WWB). De regering meent dat het opdragen van een dergelijke verplichting afhankelijk is van de lokale situatie; het college heeft namelijk beleidsvrijheid op een aantal punten, aldus de regering.

Opdracht gemeenteraad
Verder geldt dat de gemeenteraad de opdracht krijgt een verordening op te stellen over het opdragen van een tegenprestatie (voorgesteld art. 8 lid 1 onderdeel c WWB). De verlaging van de bijstand wegens het niet of onvoldoende voldoen aan de opgedragen plicht tot tegenprestatie wordt neergelegd in de afstemmingsverordening, net zoals dat thans ook het geval is.
De regering meent tot slot dat de verplichte tegenprestatie niet op gespannen voet staat met het EVRM. We zullen de jurisprudentie op dit punt verder moeten afwachten.

Geüniformeerde maatregel
Voorgesteld artikel 18 lid 4 WWB bepaalt in welke gevallen het college in ieder geval de bijstand verlaagd gedurende drie maanden 100%. Let wel het gaat om verplichtingen (gedragingen) die niet worden nagekomen. Het college heeft op basis artikel 18 lid 6 WWB de plicht de op te leggen maatregel of opgelegde maatregel af te stemmen op de omstandigheden van belanghebbende (of zijn gezin) en diens mogelijkheden om middelen te verwerven, als, gelet op bijzondere omstandigheden, dringende redenen daartoe noodzaken. Denk in dit verband aan een beoordeling of belanghebbende de verplichting ’naar vermogen’ is nagekomen. Onder ‘naar vermogen’ worden de krachten en bekwaamheden van iemand en de verrichte inspanningen op zichzelf verstaan. Daaronder vallen volgens de regering ook de lokale omstandigheden. Opvallend vind ik de uitleg in het Nader rapport waarin de regering stelt dat met het niet nakomen van de genoemde verplichtingen (gedragingen) een verwijtbaar onnodig beroep op bijstand wordt gedaan. Dat het college zwaar mag optreden tegen het evident niet nakomen van verplichtingen en dat dit in elke gemeente gelijk is vind ik op zich geen verkeerde zaak.

Tekortschietend besef
Het is alleen de vraag of een belanghebbende die bijvoorbeeld niet solliciteert wel een baan had kunnen krijgen waardoor – volgens de regering – verwijtbaar een onnodig beroep op bijstand wordt gedaan. Dit roept bij mij de vraag of wat het verschil is met het tekortschietend besef van verantwoordelijkheid zoals in artikel 18 lid 2 WWB blijft staan. In voorkomende gevallen staat het recht op bijstand ten principale vast.

Inkeerbepaling
De regering neemt het standpunt van de Afdeling over dat het weigeren van de bijstand voor drie maanden een punitieve sanctie is. Het wetsvoorstel is dan ook aangepast qua terminologie: geen weigering maar een maatregel gedurende drie maanden met een reparatoir karakter. Om dit kracht bij te zetten is de ‘inkeerbepaling opgenomen’. Dit betekent dat een belanghebbende weer bijstand gaat ontvangen zodra deze daarom heeft verzocht en uit diens houding en gedrag ondubbelzinnig blijkt dat hij de geüniformeerde verplichtingen van het voorgestelde artikel 18 lid 4 WWB nakomt. Belanghebbende krijgt hiermee naar oordeel van de regering de kans tot herstel van de onrechtmatige situatie. Uit de bepaling volgt dat de inkeerbepaling slechts is voorbehouden voor de verplichtingen van voorgesteld artikel 18 lid 4 WWB. Het lijkt er op dat als een belanghebbende in de tweede maand van de verlaging laat zien dat hij tot ‘inkeer’ is gekomen, het college de verlaging niet voortzet. De vraag is hoe zich dit verhoudt tot de toepassing van de ‘ten hoogste termijn’ van drie maanden in artikel 18 lid 3 WWB.

Twee nieuwe verplichtingen
Zoals gezegd luidt de aanhef van artikel 9 WWB “Verplichtingen”. Er worden twee verplichtingen aan de WWB toegevoegd. Als eerste is dat de plicht zich te onthouden van zeer ernstige misdragingen in artikel 9 en ten tweede de plicht om aan te tonen dat aan de geüniformeerde verplichtingen is voldaan in artikel 18 lid 4 WWB.

Afstemmingsverordening
In deze verordening is alleen nog ruimte voor de verlaging die geldt bij tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, het niet of onvoldoende nakomen van de nadere verplichtingen en van de opgedragen plicht tot tegenprestatie.

In een volgend blog komt de kostendelersnorm aan bod.

©Ingeborg Lunenburg opleiding + advies

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*