Verschenen in USZ 2026/191 (Sdu Uitspraken Sociale Zekerheid)
Inhoudsindicatie
Bijzondere bijstand voor de eerste huur en kosten woninginrichting in de vorm van een lening. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij voorafgaand aan haar aanvraag al geruime tijd maandelijks te weinig geld overhield om voor de kosten van de eerste maand huur te kunnen reserveren.
Noot I.M. Lunenburg
- De hier opgenomen uitspraak gaat over een toekenning van bijzondere bijstand voor kosten waar appellante voor had moeten reserveren, maar dat niet heeft gedaan. De aanvraag wordt niet afgewezen maar het college verstrekt de bijzondere bijstand in de vorm van een lening. Het geschil gaat over de vraag of het college in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die bevoegdheid. In deze noot ga ik in op de bijzondere omstandigheden bedoeld in art. 35 lid 1 Pw en de toepassingsvoorwaarden om de bijzondere bijstand in de vorm van een lening te kunnen verstrekken op grond van art. 48 lid 2 onder b Pw en art. 51 lid 1 Pw.
- De kosten in deze zaak zijn aan te merken als algemeen voorkomende noodzakelijke bestaanskosten; ze zijn voorzienbaar. Als uitgangspunt geldt daarom dat ze bestreden moeten worden uit het eigen inkomen. Een betrokkene wordt geacht daarvoor te reserveren. Dat wil niet zeggen dat voor dergelijke kosten nooit recht op bijzondere bijstand kan bestaan. Op grond van art. 35 lid 1 Pw kan dat recht alleen bestaan voor zover de betrokkene door bijzondere omstandigheden wordt geconfronteerd met kosten waarin de algemene bijstandsnorm niet voorziet of met kosten waarin de norm wel voorziet maar die hij door bijzondere omstandigheden niet uit de norm kan betalen. De omstandigheid dat de betrokkene al dan niet de mogelijkheid heeft gehad te reserveren voor de kosten, is een aspect dat bij de bijzondere omstandigheden moet worden beoordeeld.[1] Het ontvangen van een inkomen op bijstandsniveau is overigens geen bijzondere omstandigheid. Want het voorziet in alle (periodiek en incidenteel) voorkomende algemeen noodzakelijke bestaanskosten. Dat wil zeggen: de bestaanskosten die kunnen worden gerekend tot het op minimumniveau algemeen gangbare bestedingspatroon.[2] De Kredietbank kan een voorliggende voorziening zijn als bedoeld in art. 15 lid 1 Pw als betrokkene een lening kan afsluiten voor kosten waar bijzondere bijstand voor wordt aangevraagd.[3] De Kredietbank kan vaststellen dat betrokkene geen aflossingscapaciteit heeft en het verzoek om de lening om die reden afwijzen. Maar dat betekent niet zonder meer dat betrokkene geen ruimte heeft om te reserveren.[4] Keuzes die inhouden dat mogelijkheden tot reserveren voor voorzienbare kosten worden beperkt waarvoor later bijzondere bijstand wordt aangevraagd, kunnen betrokkenen worden tegengeworpen.[5] Welke omstandigheden kunnen wel een gebrek aan reserveringsruimte met zich meebrengen?
- Een omstandigheid die vaak wordt aangevoerd is dat op schulden moest worden afgelost. In 2023 heeft de CRvB de rechtspraak verruimd. Aflossen op schulden kan een bijzondere omstandigheid zijn die tot verlening van bijzondere bijstand moet leiden; maar de lat ligt (nog steeds) heel hoog.[6] Ook de periode waarover betrokkene geacht wordt te reserveren voor de kosten waar bijzondere bijstand voor wordt aangevraagd speelt een rol; die kan te kort zijn gelet op de omvang van de noodzakelijk kosten.[7] Verder kan een cumulatie van kostensoorten een rol spelen om bijzondere omstandigheden aan te nemen. Hoe het ook zij, het ligt op de weg van de aanvrager om een gebrek aan reserveringsruimte aannemelijk te maken met objectieve en verifieerbare gegevens.[8] Appellante is in de op haar rustende bewijslast niet geslaagd. De CRvB overweegt dat de omstandigheid dat zij moest rondkomen van een zogenoemde daklozenuitkering, weliswaar doet vermoeden dat appellante op dat moment weinig bestedingsruimte had, maar het rechtvaardigt op zichzelf bezien nog niet de conclusie dat zij niet had kunnen reserveren.
- Voor de kosten van de eerste huur acht de CRvB het volgende van belang. De kosten bedroegen € 326,92. Volgens de CRvB was dit bedrag niet zodanig dat, zonder nadere onderbouwing, moet worden aangenomen dat het bedrag niet te reserveren was. Appellante heeft daartegenover enkel gesteld dat zij voorafgaande aan het verkrijgen van een woning spaarde voor gebruiksgoederen, die heeft aangeschaft en opgeslagen in een schuur. Verder bleek dat appellante ervoor heeft gekozen om een auto te kopen met een geschatte waarde van € 1.500,-. De CRvB oordeelt dat zij daarmee haar mogelijkheden heeft beperkt om te reserveren voor de voorzienbare kosten van de eerste huur. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellante, uit een oogpunt van toepassing van de Pw blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. En dan de kosten van woninginrichting. Ter zitting van het hoger beroep heeft het college verklaard, dat appellante niet meer wordt tegengeworpen dat zij voor een deel van de kosten van woninginrichting niet had gereserveerd. De CRvB constateert dat daarmee (dus wel) is voldaan aan de voorwaarden van art. 35 lid 1 Pw; de noodzakelijke kosten van woninginrichting vloeien voort uit bijzondere omstandigheden. In geschil is (gebleven) of het college de bijzondere bijstand voor de kosten van de eerste huur en de woninginrichting in de vorm van een lening mocht verstrekken.
- Art. 35 lid 1 Pw biedt geen ruimte voor de beoordeling of betrokkene zich verwijtbaar heeft gedragen en of dit verwijtbaar gedrag ertoe heeft geleid dat hij een beroep op de bijzondere bijstand moet doen. In geval van bijzondere bijstand moet die beoordeling plaats vinden in het kader van de vaststelling in welke vorm deze wordt verleend (art. 48 lid 2 onder b Pw).[9] Ook als het om een tegenwettelijke begunstigende toekenning gaat.[10] Vast staat dat de noodzaak tot bijstandsverlening voor deze kosten het gevolg is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan (zie punt 4). Daarmee wordt voldaan aan de bevoegdheidsvoorwaarde om de bijzondere bijstand in de vorm van een lening te verstrekken. Het gaat om een kan-bepaling en geen dwingendrechtelijk voorschrift. Dit brengt mee dat het college bij de uitoefening van die bevoegdheid een belangenafweging moet maken. De gevolgen van het besluit om de bijstand in de vorm van een geldlening te verlenen mogen daarbij niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen (art. 3:4 lid 2 Awb). In de beleidsregels is niets opgenomen over de uitoefening van deze bevoegdheid. De vraag die beantwoord moet worden is of het college in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid. De CRvB oordeelt van wel. Daarvoor is van belang dat het om een tegenwettelijk begunstigende toekenning gaat. Appellante voldoet namelijk niet aan de toepassingsvoorwaarden van art. 35 lid 1 Pw, maar krijgt toch bijzondere bijstand toegekend. De CRvB acht ook van belang dat de norm voor een alleenstaande ouder die appellante op enig moment ontving hoog genoeg was om de eerste huur te betalen, en er was geen sprake van dubbele huur. Bovendien had het college aan appellante voor die periode ook nog een woonkostentoeslag ter hoogte van € 112,71 als gift toegekend. Dat appellante deze kosten, waarvoor zij had moeten reserveren, achteraf gespreid (terug)betaalt, is niet onevenredig.
- Mocht het college de bijzondere bijstand voor de inrichtingskosten ook in de vorm van een geldlening verstrekken? Zoals onder punt 4 is gezegd is alleen die vraag in geschil. De grondslag van het besluit is art. 51 Pw. In lid 1 van dat artikel is bepaald dat bijzondere bijstand voor noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen kan worden verleend in de vorm van een geldlening. Aan de bevoegdheidsvoorwaarde is voldaan, het gaat hier om duurzame gebruiksgoederen. Dat was overigens niet in geschil. Maar ook hier gaat het om een kan-bepaling wat om een belangenafweging vraagt. Kon het college in redelijkheid gebruik maken van de bevoegdheid? De CRvB oordeelt dat dit het geval is. Het oordeel van de CRvB is gebaseerd op de wetgeschiedenis bij de totstandkoming van art. 51 Pw. De strekking daarvan is dat een inkomen op bijstandsniveau in beginsel hoog genoeg is om voor de kosten van aanschaf, vervanging en reparatie van gebruiksgoederen met een duurzaam karakter te reserveren, dan wel achteraf gespreid te betalen.
- In het kader van de belangenafweging speelt in deze zaak de inhoud van de beleidsregels ook een rol. Want daarin is bepaald dat op grond van individuele omstandigheden van de persoon of het gezin de bijzondere bijstand voor gebruiksgoederen als gift kan worden verleend. Deze mogelijkheid staat overigens ook in lid 1 van art. 51 Pw (om niet). De beleidsregels voorzien niet in wat voor soort individuele omstandigheden dat kunnen zijn. De CRvB stelde ter zitting die vraag aan het college. Het antwoord was dat gedacht kan worden aan de situatie dat iemand vanwege de aflossing van niet-verwijtbare schulden niet of onvoldoende in staat is om op de lening af te lossen. De CRvB stelt vast dat in geval van appellante hiervan niet is gebleken. Want zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat daaraan wordt voldaan. Zij heeft weliswaar op het aanvraagformulier ingevuld dat zij op dat moment aflost op schulden, maar heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit gaat om niet-verwijtbare schulden en ook niet dat zij niet in staat is om de vastgestelde aflossingsbedragen te voldoen.
[1] Bijv. CRvB 17 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:154.
[2] CRvB 10 juli 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA9218, <<USZ>> 2007/249, CRvB 17 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:251, <<USZ>>2017/103, m.nt. H.W.M. Nacinovic, CRvB 16 september 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1457, <<USZ>> 2026/7.
[3] Bijv. CRvB 5 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR1155.
[4] CRvB 10 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2447, <<USZ>> 2025/62.
[5] Bijv. CRvB 29 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3293, <<USZ>> 2015/354.
[6] CRvB 21 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2263, <<USZ>> 2024/11, m.nt. I.M. Lunenburg.
[7] CRvB 29 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1620, <<USZ>> 2018/213, m.nt. I.M. Lunenburg, CRvB 18 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:478, <<USZ>> 2014/114.
[8] Bijv. CRvB 15 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:129.
[9] Bijv. CRvB 2 maart 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL7308, <<USZ>> 2010/120.
[10] Vgl. r.o. 4.6 in CRvB 8 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU4465, <<USZ>> 2011/339.
Yes, handgeschreven; zonder AI-:)
