Annotatie USZ: Zijn de kosten van een smartphone noodzakelijk?

CRVB:2026:385

Verschenen in USZ 2026/134 (Sdu Uitspraken Sociale Zekerheid)

Inhoudsindicatie
Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat in zijn geval het kunnen beschikken over een smartphone noodzakelijk is, maar wel aannemelijk gemaakt dat een gewone mobiele telefoon noodzakelijk is. Van bijzondere omstandigheden is evenwel geen sprake. Appellant heeft zijn standpunt dat hij niet kon reserveren voor de kosten van € 25,- namelijk niet gespecificeerd en niet met controleerbare en verifieerbare gegevens onderbouwd.

Noot I.M. Lunenburg

  1. Mobiele telefoons en specifiek de smartphones zijn niet meer weg te denken uit onze samenleving. Het beschikken over een smartphone zou je algemeen gangbaar kunnen noemen. Maar kunnen de kosten daarvan in aanmerking komen voor bijzondere bijstand? In de hier opgenomen uitspraak oordeelt de CRvB over de opgeworpen vraag. En dat is overigens niet voor het eerst.[1] In deze noot ga ik op de vraag of de kosten in aanmerking komen voor bijzondere bijstand en of het nog verschil maakt of de aanvraag wordt gedaan voor een mobiele telefoon of een smartphone.
  2. Appellant heeft twee aanvragen om bijzondere bijstand gedaan voor de kosten van smartphones, dit ter vervanging van de exemplaren die kapot waren gegaan. Op het formulier van aanvraag 1 vermeldt appellant dat zijn smartphone de hitte van 39 graden niet heeft overleefd. Die aanvraag wordt door het dagelijks bestuur gekwalificeerd als een verzoek om vergoeding van schade en wijst de aanvraag af onder toepassing van art. 14 onder c Pw. Omdat deze afwijzingsgrond niks nieuws brengt, ga ik er in deze noot niet verder op in. Aanvraag 2 is gedaan nadat een reserve smartphone kapot is gegaan. Het dagelijks bestuur stelt zich in het algemeen op het standpunt dat de kosten van vervanging van een smartphone en oplader behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, die in beginsel moeten worden bestreden uit het inkomen. In geval van appellant gaat het volgens het dagelijks bestuur echter niet om noodzakelijke kosten. Aanvraag 2 van appellant wordt op die grond afgewezen. Is dat juist?
  3. Zijn de kosten van een mobiele telefoon of smartphone noodzakelijke kosten in de zin van art. 35 Pw? Die vraag is van belang omdat alleen noodzakelijke kosten in aanmerking kunnen komen voor bijzondere bijstand (art. 35 lid 1 Pw). De kosten van een mobiele telefoon zijn (algemeen voorkomende) noodzakelijke kosten van het bestaan.[2] Zie verder punt 4. Is dat ook het geval voor een smartphone? Daarvoor gaan we eerst even terug in de tijd. Een smartphone is, naast een telefoon, ook een digitaal hulpmiddel en voor wat betreft het smartdeel te vergelijken met een computer of laptop. Tot begin 2019 oordeelde de CRvB dat de kosten van digitale hulpmiddelen, zoals een computer, geen noodzakelijke kosten zijn in de zin van art. 35 lid 1 Pw. Die lijn is sindsdien gewijzigd. De CRvB stelde in 2019 vast dat de samenleving in belangrijke mate is gedigitaliseerd. En dat computer- en internetgebruik ingebed is in het dagelijks leven, en de overheid en maatschappelijke organisaties onderwijl aansturen op digitale communicatie. Het voorhanden hebben van een digitaal hulpmiddel, zoals een computer of laptop, is daartoe onontbeerlijk. De kosten hiervan moet in het kader van de Pw als noodzakelijk worden aangemerkt.[3]
  4. Zoals onder punt 2 is gezegd, is voor appellant een smartphone niet noodzakelijk, aldus het dagelijks bestuur. Dat standpunt is juist, zo stelt de CRvB in de hier opgenomen uitspraak vast. Want appellant heeft bijzondere bijstand ontvangen voor de aanschaf van een computer. Hij beschikte dus al over een digitaal hulpmiddel waarmee hij toegang tot het internet heeft. Het ligt op de weg van appellant om aannemelijk te maken dat naast een computer ook nog een smartdeel op een mobiele telefoon nodig is.[4] Daarin is hij niet geslaagd. Het dagelijks bestuur heeft subsidiair nog iets toegevoegd aan de motivering van de afwijzing van aanvraag 2. Zou een aanvraag om een gewone mobiele telefoon zijn gedaan, dan liggen de kosten van een eenvoudige mobiele telefoon rond de € 25,-. Zo bleek uit onderzoek van het dagelijks bestuur. En omdat geen sprake is van bijzondere omstandigheden kan niet tot verlening van bijzondere bijstand worden overgegaan.
  5. Bij incidentele algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben de bijzondere omstandigheden betrekking op de vraag of betrokkene daarvoor heeft kunnen reserveren, dan wel met gespreide betaling achteraf (de lening). Tot eind 2023 was het vaste rechtspraak dat het ontbreken van voldoende reserveringsruimte door schulden geen bijzondere omstandigheid in de zin van art. 35 lid 1 Pw opleverde.[5] De CRvB zette de deur tot bijstandsverlening vervolgens op een kier.[6] Want onder bepaalde omstandigheden kan een gebrek aan reserveringsruimte als gevolg van schulden toch wel een bijzondere omstandigheid zijn die tot verlening van bijzondere bijstand moet leiden. Het ligt dan wel op de weg van de betrokkene om een gebrek aan reserveringsruimte aannemelijk te maken; specifiek en met objectieve en verifieerbare gegevens.[7] 
  6. Appellant was ten tijde van de aanvraag tot de wettelijke schuldsaneringsregeling toegelaten en ontving steun van de voedselbank. Deze omstandigheden doen vermoeden dat hij op dat moment heel weinig bestedingsruimte had. Maar het rechtvaardigt op zichzelf bezien nog niet de conclusie dat hij niet voor de kosten van een eenvoudige mobiele telefoon had kunnen reserveren. Dat geldt ook voor het feit dat het vastgestelde vrij te laten bedrag hoger was dan het inkomen van appellant en dat daarom ook geen inhoudingen voor aflossing van zijn schulden plaatsvonden. Appellant heeft zijn standpunt dat hij niet kon reserveren namelijk niet gespecificeerd en niet met controleerbare en verifieerbare gegevens onderbouwd. Terwijl hij hier door de CRvB expliciet toe is uitgenodigd.
  7. Nog een opmerking ter afronding. Net als de aflossing op schulden kunnen ook een cumulatie van kostensoorten een aanslag zijn op de reserveringsmogelijkheid.

[1] CRvB 28 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1593.
[2] CRvB 5 oktober 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO1031, CRvB 27 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1853.
[3] CRvB 5 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:850, <<USZ>> 2019/113.
[4] CRvB 8 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3059.
[5] Bijv. CRVB 24 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2318.
[6] CRvB 21 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2263, <<USZ>> 2024/11, m.nt. I.M. Lunenburg.
[7] Bijv. CRvB 15 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:129.

Yes, handgeschreven; zonder AI-:)

©Ingeborg Lunenburg opleiding + advies

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*