De meervoudige kamer van de Raad laat zich uit over de vraag of de hoogte van een terugvordering in stand kan blijven (CRVB:2026:605).
Het college vordert de bijstand terug wegens schending van de inlichtingenverplichting (art. 17 lid 1 PW).
Uit onderzoek is namelijk gebleken dat appellante een gezamenlijke huishouding voert. Maar dan…
Winstwaarschuwing
Ongeveer 10 maanden vóór de zitting ontvangt het college per brief een winstwaarschuwing van de Raad. Daarin wordt het college gewezen op de uitspraken van de Raad in 2024 waarin de Raad een ruimere invulling dan voorheen heeft gegeven aan het begrip dringende redenen als bedoeld in art. 58 lid 8 PW. Ook heeft de Raad om stukken verzocht die zien op onderzoeken naar het voeren van een gezamenlijke huishouding in de jaren 2013 en 2015. Het college heeft daarop gereageerd en nadere stukken overgelegd.
Gezamenlijke huishouding
De Raad stelt (ook) vast dat in de periode 19 november 2019 tot en met 10 mei 2022 een gezamenlijke huishouding werd gevoerd in de zin van art. 3 lid 2 onder a PW. Appellante heeft geen recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande; de bijstand is terecht beëindigd met ingang van 11 mei 2022.
De terugvordering
De hoogte van de terugvordering bedraagt € 37.675,31. Ook hiervan stelt de Raad vast dat dit het bedrag is wat appelante ten onrechte heeft ontvangen. En als uitgangspunt geldt dat het college, bij een schending van de inlichtingenverplichting, verplicht is de bijstand die ten onrechte of tot een te hoog is ontvangen terug te vorderen (art. 58 lid 1 PW). Dit is alleen anders als sprake is van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien (art. 58 lid 8 PW).
Kan-bepaling
Het gaat bij deze bevoegdheid om een kan-bepaling. De beoordeling gaat over de vraag of het college in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid. Dat vraagt om een belangenafweging. En die is afhankelijk van toepassingsvoorwaarden. Eenvoudig gezegd: aan welke feiten of omstandigheden moet betekenis worden toegekend om wel of geen dringende redenen aan te nemen. In 2024 was daar de rechtspraak van Raad met voorbeelden over wat toepassingsvoorwaarden kunnen zijn (zie hierna).
Toepassing dringende redenen
Worden dringende redenen aangevoerd, dan vraagt dat om een belangenafweging van het college bij de besluitvorming. De Raad oordeelde in 2024 waaruit de belangenafweging kan bestaan op grond waarvan sprake kan zijn van dringende redenen als bedoeld in art. 58 lid 8 PW (CRVB:2024:2192, CRVB:2024:2193, CRVB:2024:2194 en CRVB:2024:2195). Het komt neer op het volgende. Bij een beslissing over deze bevoegdheid moet de bijstandverlenende instantie niet alleen rekening houden met onaanvaardbare sociale en financiële gevolgen van de terugvordering, maar moet het ook andere belangen en relevante feiten en omstandigheden in zijn afweging betrekken. Bijvoorbeeld: onredelijke (ernstige) financiële gevolgen, stilzitten bestuursorgaan (oplopen terugvordering), onderzoeks- en besluitvormingsperiode onnodig lang of eigen aandeel bestuursorgaan. De bestuursrechter toetst de beslissing ‘vol’ aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel.
Hoe zit het in deze uitspraak
Appellanten (meervoud wegens de medeterugvordering) hebben aangevoerd dat het college op grond van dringende redenen van terugvordering had moeten afzien. Het onderzoek door de sociale recherche heeft volgens hen lange tijd stilgelegen, waardoor de hoogte van de terugvordering ten onrechte is opgelopen. Deze beroepsgrond slaagt. Het valt binnen een van de voorbeelden die de Raad in de uitspraken van 2024 heeft genoemd (zie hiervoor). Aan deze omstandigheid moet dus betekenis worden toegekend. Wat is het verweer van het college?
College ziet geen dringende redenen
Het college heeft geen dringende redenen aangenomen om (gedeeltelijk) van terugvordering af te zien. Het volgende is daarover naar voren gebracht. De terugvordering is door de schending van de inlichtingenverplichting door appellante ontstaan. Met het bestreden besluit is al voldoende rekening gehouden met de lange duur van het onderzoek. Want zo stelt het college de bijstand is pas teruggevorderd vanaf 29 november 2019 en niet al vanaf een eerdere datum, terwijl appellanten al eerder een gezamenlijke huishouding voerden. Verder is volgens het college sprake van een complexe zaak waarnaar zeer grondig onderzoek is gedaan. En daardoor heeft het onderzoek lang geduurd. Ook de COVID 19-pandemie heeft een rol gespeeld, aldus het college.
Het oordeel van de Raad; het onderzoek heeft te lang geduurd
De Raad stelt vast dat het college weliswaar de tijd moet worden gegund om grondig onderzoek te doen. Maar de Raad is van oordeel dat het onderzoek in dit geval te lang heeft geduurd. Het gaat om 2 jaar en 4 maanden. In die periode heeft het onderzoek 16 maanden stilgelegen en in de laatste 6 maanden voor de besluitvorming waren er geen onderzoeksactiviteiten.
Uit de genoemde rapporten blijkt dat het onderzoek is gestart naar aanleiding van een melding op 16 januari 2020. De sociaal rechercheur heeft toen dossieronderzoek verricht en administratief vooronderzoek gedaan. Op 16 januari 2020 zijn bij de belastingdienst diverse gegevens over appellanten opgevraagd en verkregen. Op 17 februari 2020 zijn bankafschriften van appellant gevorderd en op 30 april 2020 zijn die verkregen. Vervolgens heeft het onderzoek stilgelegen en is dat pas hervat op 1 en 2 september 2021 met het opvragen van overige gegevens. Op 6 oktober 2021 heeft appellante nog bankafschriften verstrekt en heeft een gesprek met haar plaatsgevonden. Nadien is tot 14 april 2022 niet gebleken van onderzoeksactiviteiten.
Dat het onderzoek is vertraagd als gevolg van de belemmeringen in verband met de COVID 19-pandemie, kan worden aangenomen, maar die rechtvaardigen niet de lange duur van het onderzoek. Volgens de Raad is hierbij van belang dat die belemmeringen tijdens de pandemie niet steeds even intensief zijn geweest en onverlet laten dat het college in elk geval enig onderzoek had kunnen doen, zoals het opvragen van nadere gegevens.
Dat het college de bijstand al vanaf een eerdere datum dan 29 november 2019 had kunnen intrekken en terugvorderen, staat niet vast.
- Op de handen zitten wordt duur betaald
Een aantal omstandigheden die het college naar voren brengt zijn goed te begrijpen. Maar stilzitten, terwijl dat niet nodig was, dus niet. Ik kan me eventuele frustratie van het college in kwestie best voorstellen. Want linksom of rechtsom er blijft van sprake van een doorlopende schending van de inlichtingenverplichting. Maar het niet voortvarend handelen wordt het college (zwaar) aangerekend. Het zij zo.- Gezamenlijke huishouding niet vastgesteld
Ik vermoed dat het college de wederzijdse zorg niet heeft vastgesteld over de periode vóór 29 november 2019. Ik neem wel aan dat appellanten hoofdverblijf hadden in de dezelfde woning. Maar dat is nu eenmaal niet voldoende.
Niet voldaan aan de toepassingsvoorwaarden voor een redelijke uitoefening van de bevoegdheid
De Raad komt tot de slotsom dat het onderzoek te lang heeft geduurd. En de Raad stelt ook vast dat het college zijn eigen aandeel in het oplopen van het terugvorderingsbedrag ten onrechte niet in de belangenafweging heeft betrokken. De terugvordering van appellante in bestreden besluit is ten onrechte ongewijzigd gehandhaafd en komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking.
College krijgt wat hij vraagt….
Welk vervolg wordt aan deze uitkomst gegeven? De Raad zal met het oog op een definitieve geschilbeslechting en mede gelet op het verzoek van het college daartoe ter zitting, zelf in de zaak voorzien. Er zijn namelijk geen losse eindjes. De Raad acht het, gelet op de totale vertraging in het twee jaar en vier maanden jaar durende onderzoek, redelijk om de periode waarover de bijstand van appellante wordt teruggevorderd met één jaar te verminderen en de hoogte van de terugvordering dienovereenkomstig te verlagen. De Raad sluit voor het bedrag van de verlaging om praktische redenen aan bij het bedrag ter hoogte van de bruto terugvordering over het jaar 2021. De terugvordering over dit jaar bedraagt € 16.033,47 bruto. Daarmee resteert nog een terug te vorderen bedrag van (€ 37.675,31 – € 16.033,47=) € 21.641,84 bruto.
Had de uitkomst anders kunnen zijn?
Ja, dat denk ik zeker. Ik zie drie opties.
- Zou het college hebben vastgesteld dat ook vóór 29 november 2019 sprake was een gezamenlijke huishouding, dan zou het afzien van terugvordering over die periode meegewogen kunnen worden bij de redelijke uitoefening van de bevoegdheid om niet af te zien van terugvordering wegens dringende redenen. Maar de Raad oordeelt in r.o. 4.8.3 dat niet vaststaat dat het college al vanaf een eerdere datum dan hiervoor genoemd het recht op bijstand kon intrekken en bij gevolg daarvan kon terugvorderen.
- Zit nooit stil, handel voortvarend binnen de beschikbare en geschikte mogelijkheden. Dit behoeft geen toelichting.
- Het college had ook zelf (gemotiveerd) een periode kunnen voorstellen waarmee het de hoogte van de terugvordering matigt. Bijvoorbeeld de laatste 6 maanden (voor de besluitvorming) waarin het college ook heeft stilgezeten. In dat geval had de Raad moeten beoordelen of het college daarmee voldoet aan een redelijke uitoefening van de bevoegdheid.
Al met al ook nog een dubbele dure les gelet op de kostenveroordeling van totaal € 5.068,-
Yes, handgeschreven; zonder AI-:)
