Verschenen in USZ 2026/109
Inhoudsindicatie
Het niet meewerken aan huisbezoeken kan appellante niet worden tegengeworpen door het ontbreken van een redelijke grond. Het college mocht het recht op bijstand niet intrekken en terugvorderen. Ook aan de afwijzing van de aanvraag is de grond komen te ontvallen. Het recht op bijstand loopt gewoon door.
Noot I.M. Lunenburg
- In de hier opgenomen uitspraak oordeelt de meervoudige kamer van de CRvB over een intrekking en terugvordering en over de afwijzing van een nieuwe aanvraag die daarna wordt ingediend. De grondslag van de bestreden besluiten is dat appellante niet heeft meegewerkt aan huisbezoeken waardoor het recht op bijstand, volgens het college, niet (meer) kon worden vastgesteld. Waarom is de uitspraak het bespreken waard? Er kan lering getrokken worden over hoe om te gaan met vermoedens die aanleiding kunnen zijn om te twijfelen aan de juistheid of volledigheid van de door een betrokkene verstrekte noodzakelijke gegevens, voordat een belastend besluit wordt genomen.
- Wat speelde er in deze zaak? Appellante ontvangt bijstand naar de norm voor een alleenstaande van gemeente X. Die gemeente krijgt een melding van gemeente Y dat de dochter van appellante veelal in gemeente X verblijft, zo bleek uit pintransacties. Daardoor is bij gemeente Y, die een daklozenuitkering aan de dochter verstrekte, het vermoeden gerezen dat de dochter bij appellante zou verblijven. Gemeente Y heeft gemeente X verzocht appellante op te roepen of eventueel een huisbezoek af te leggen. Gemeente X geeft gehoor aan dat verzoek. Een handhavingsspecialist start een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. Gemeente Y is onderwijl voortvarend te werk gegaan; aan de handhavingsmedewerker is verteld dat de daklozenuitkering van de dochter was beëindigd met als reden dat het centrum van haar persoonlijk leven zich afspeelde bij appellante in gemeente X.
- De gemeente X roept appellante een maand na ontvangst van de melding van gemeente Y op voor een gesprek. De handhavingsspecialist maakt een rapport op van dat gesprek. Appellante verklaart dat haar dochter wel eens bij haar slaapt, maar dat zij niet bij haar woont. De handhavingsspecialist confronteert appellante vervolgens met het gegeven dat de gemeente Y de daklozenuitkering van haar dochter heeft beëindigd omdat zij meer bij appellante in gemeente X zou verblijven. Daarop vult appellante haar verklaring aan met dat haar dochter wel op haar adres verblijft, maar blijft er bij dat zij niet bij haar woont. Volgens appellante slaapt haar dochter ook wel eens op andere plekken. De handhavingsspecialist kondigt nog de controlemogelijkheid aan van een huisbezoek. En 4,5 maand na ontvangst van de melding van gemeente Y volgt een onaangekondigd huisbezoek. Na een bedenktijd weigert appellante medewerking te verlenen aan het huisbezoek. Volgens het college is daardoor het recht op bijstand niet vast te stellen. Ook weigert zij medewerking te verlenen aan een ander huisbezoek, dit nadat appellante een nieuwe aanvraag om bijstand had gedaan; de aanvraag is om die reden afgewezen. Mocht appellante medewerking weigeren aan het afleggen van die huisbezoeken? Volgens de rechtbank niet; de bestreden besluiten blijven in stand. Appellante stelt hoger beroep in.
- In hoger beroep wordt onder meer aangevoerd dat een redelijke grond bij de aanvang van het af te leggen van huisbezoek ontbrak. Die grond slaagt. Het afleggen van een huisbezoek is een verstrekkend controlemiddel want hiermee wordt inbreuk gemaakt op het privéleven van een betrokkene in de zin van art. 8 lid 1 EVRM. En dat is in beginsel niet toegestaan (art. 8 lid 2 EVRM). Tenzij zo’n inbreuk gerechtvaardigd is. Zonder rechtvaardiging kunnen geen gevolgen worden verbonden aan het niet meewerken aan een huisbezoek. De inbreuk op het huisrecht is gerechtvaardigd als daar een aanleiding voor is; een redelijke grond.[1] Wanneer is dat het geval? Er bestaat een redelijke grond voor een huisbezoek als voorafgaand aan (vóór of uiterlijk bij aanvang van) het huisbezoek duidelijk is dat redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door de betrokkene verstrekte gegevens die van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand én duidelijk is op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden daaraan kan worden getwijfeld. De CRvB benadrukt nog eens dat een redelijke grond (lees: de rechtvaardiging voor de inbreuk) meer omvat. Ook moeten de verstrekte gegevens niet op een andere effectieve en voor de betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd.[2] Dat gaat over de toetsing aan de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit. Al deze overwegingen tezamen maken de kwalificatie van de redelijke grond volledig en pas dan kan het weigeren van medewerking gevolgen hebben voor (de voortzetting van) het recht op bijstand.
- De CRvB stelt vast dat er bij aanvang van het huisbezoek geen redelijke grond bestond. Dat heeft te maken met de aanleiding voor de bestreden besluiten. Dat was de melding van gemeente Y aan gemeente X (zie punt 2). De CRvB constateert dat uit de melding niet blijkt waar dat vermoeden op is gebaseerd. Wel blijkt dat de gemeente Y juist verzoekt om daar onderzoek naar te doen zodat deze gemeente met de uitkomsten daarvan rekening kan houden in de besluitvorming. Een soort twee vliegen in één klap. Want als het vermoeden met concrete feiten en omstandigheden wordt bevestigd, dan zal het niet alleen gevolgen hebben voor de daklozenuitkering van de dochter maar mogelijk ook voor de bijstandsverlening aan appellante. En omdat het hier (ook) gaat om een belastend besluit moet gemeente X aannemelijk maken dat er een feitelijke en juridische grondslag bestond voor de besluitvorming.[3]
- De CRvB legt ook de vinger concreet op de zere plek; het opgemaakte rapport (zie punt 3) deugt niet. De verklaring van appellante dat haar dochter bij haar verblijft moet, volgens de CRvB, worden bezien in het kader van de dakloosheid van de dochter. Appellante heeft immers ook verklaard dat haar dochter op andere plekken verblijft. Uit het opgemaakte rapport blijkt niet hoe vaak de dochter bij appellante verbleef. Ook maakt de weergave in het rapport niet duidelijk wat er precies is gevraagd en ook blijkt niet dat hierop is doorgevraagd. Er ontbreekt dus op basis van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden de vermeende schending berust. Je zou kunnen zeggen dat niet aan het eerste vereiste van de redelijke grond is voldaan. Maar daar laat de CRvB het niet bij. Het tijdsverloop tussen de door appellante afgelegde verklaring en het onaangekondigde huisbezoek is namelijk 3,5 maand. Gelet daarop had gemeente X zich vóór aanvang van het huisbezoek moeten vergewissen wat de situatie op dat moment was. En dat is niet gebeurd. Was dat wel gedaan dan was zeker naar voren gekomen dat het besluit tot beëindiging van de daklozenuitkering van de dochter door de voorzieningenrechter van de rechtbank was geschorst met als reden dat daarvoor een onvoldoende feitelijke grondslag was. De CRvB komt tot de slotsom dat het college het recht op bijstand ten onrechte heeft ingetrokken en bij gevolg daarvan de kosten van bijstand heeft teruggevorderd. Daarmee is aan de afwijzing van de aanvraag ook de grond ontvallen. Het recht op bijstand voor appellante loopt gewoon door.
- Tot slot. Het afleggen van een huisbezoek is doorgaans bedoeld ter controle van de woon- en leefsituatie. En daarom bevreemdt mij iets in de uitspraak. De CRvB noemt in r.o. 4.4.4 van de uitspraak twee keer dat het college had moeten vaststellen of de woonsituatie van appellante wel die van een alleenstaande was. Maar dat verandert helemaal niet als gemeente X vaststelt dat de dochter hoofdverblijf heeft in dezelfde woning als appellante. Immers ouders en kinderen kunnen niet gelijkgesteld worden met gehuwden (art. 3 lid 2 onder a Pw).[4] Appellante blijft een alleenstaande. Wel kan de kostendelersnorm van toepassing zijn (art. 22a Pw).
[1] Bijv. CRvB 8 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1376, <<USZ>> 2018/176, CRvB 21 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4063.
[2] Bijv. CRvB 9 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2224, <<USZ>> 2019/214.
[3] Bijv. CRvB 4 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3854.
[4] Zie r.o. 4.6 in CRvB 19 oktober 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO1231, <<USZ>> 2010/352.
Yes, handgeschreven; zonder AI-:)
