Verschenen in USZ 2026/155 (Sdu Uitspraken Sociale Zekerheid)
Inhoudsindicatie
Betrokkene had deze bijzondere bijstand aangevraagd voor een deel van de huur van zijn onzelfstandige woonruimte omdat hij niet in aanmerking komt voor huurtoeslag. De vraag in deze zaak is of de wetgever in de Wet op de huurtoeslag (Wht) een bewuste beslissing heeft genomen over de noodzaak van vergoeding van huurkosten van een onzelfstandige woonruimte. Anders dan de rechtbank, volgt de Raad het standpunt van het college dat de wetgever een bewuste keuze heeft gemaakt om de gevraagde kosten niet te vergoeden. Dit volgt uit de wetsgeschiedenis van de Wht en de voorlopers van die wet. Het college krijgt gelijk en de aangevallen uitspraak wordt vernietigd. De afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand blijft dan ook in stand.
Noot I.M. Lunenburg
- Of de voorliggende voorziening als bedoeld in art. 15 lid 1 Pw in de weg staat aan bijstandsverlening kan een complexe juridische puzzel zijn.[1] En dan specifiek of art. 15 lid 1 2de volzin Pw kan worden toegepast voor de afwijzing van een aanvraag om bijzondere bijstand. Want met de tweede volzin van dat artikel heeft de wetgever tot uitdrukking gebracht dat de keuze die in de voorliggende voorziening is gemaakt bepalend is voor de bevoegdheid om wel of geen bijzondere bijstand te mogen verlenen. Het gaat daarbij niet om de noodzaak van de kosten op zich, maar om de noodzaak van het vergoeden van bepaalde kosten in het algemeen of in een specifieke situatie. Het vorengaande blijkt uit de wetsgeschiedenis bij de totstandkoming van art. 15 lid 1 Pw.[2] Louter budgettaire redenen zijn overigens niet een keuze dat het niet noodzakelijk (meer) is om kosten niet te vergoeden.[3] In dat geval mist art. 15 lid 1 Pw toepassing en moet de aanvraag worden beoordeeld op grond van art. 35 lid 1 Pw.
- De puzzel kent wee stappen. Als eerste draagt de bijstandverlenende instantie de bewijslast of sprake is van een voorliggende voorziening; dit gelet op de aard van de kosten.[4] Dat wil zeggen de vergoeding van kosten hoort (principieel) daar thuis; ze vallen binnen de reikwijdte. Als sprake is van een voorliggende voorziening, volgt de tweede stap. Hierin wordt, in beginsel, onderzocht wat de reden is waarom de kosten door de voorliggende voorziening niet of niet geheel worden vergoed. Denk in dat verband ook aan kosten die ooit wel voor (gedeeltelijke) vergoeding in aanmerking kwamen, maar door een (landelijk) politieke weging is geschrapt.[5] Het kan ook om kosten gaan waarvan de wetgever van meet af aan voor ogen heeft gehad dat deze niet onder de reikwijdte van een bepaalde wet vallen. In dat geval gaan we terug naar stap 1; er is geen sprake van een voorliggende voorziening. Een voorbeeld van een voorliggende voorziening voor huurkosten is de Wet op de huurtoeslag (Wht).
- In de hier opgenomen uitspraak gaat het om huurkosten van een onzelfstandige woonruimte. Voor de onzelfstandige woonruimte ontvangt betrokkene van de Belastingdienst geen huurtoeslag meer en daarom doet hij een aanvraag om bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag. Het college legt de juridische puzzel en stelt zich op het standpunt dat de Wht een voorliggende voorziening is (art. 15 lid 1 Pw). En ook dat in die voorliggende voorziening een bewuste keuze is gemaakt om de huurkosten verbonden aan een onzelfstandige woonruimte niet in aanmerking te brengen voor huurtoeslag (art. 15 lid 1 2de volzin Pw). Dat wil zeggen, er bestaat geen noodzaak om huurkosten van een onzelfstandige woonruimte te vergoeden met huurtoeslag. En omdat inkomensbeleid voorbehouden is aan het Rijk, mag dat beleid niet met de verlening van bijzondere bijstand worden doorkruist, aldus het college. De rechtbank denkt er anders over. De puzzel wordt door de rechtbank anders (uit)gelegd.
- In de onderliggende rechtbankuitspraak[6] stelt de rechtbank vast dat de huurkosten van betrokkene niet op één lijn kunnen worden gesteld met de vaste rechtspraak waarin de CRvB oordeelt dat in de Wht een bewuste keuze is gemaakt om voor huurkosten geen huurtoeslag te verstrekken. Bijvoorbeeld in geval van een te hoge rekenhuur of bij een medebewoner die geen rechtmatig verblijf houdt in Nederland.[7] Want volgens de rechtbank is in de totstandkomingsgeschiedenis van de Wht of de voorlopers van deze wet niet gebleken dat expliciet een standpunt is ingenomen over de noodzakelijkheid van huurtoeslag bij onzelfstandige woonruimtes. De door de wetgever wenselijk geachte praktische, uitvoeringstechnische en budgettaire overwegingen om alleen bij zelfstandige woonruimtes huurtoeslag mogelijk te maken houden niet een bewuste beslissing over niet noodzakelijke (huur)kosten in als bedoeld in art. 15 lid 1 2de volzin Pw, aldus de rechtbank. Onder verwijzing naar de wetgeschiedenis bij de totstandkoming van art. 15 Pw is onder meer vermeld dat of een voorliggende voorziening gezien haar aard en doel, passend en toereikend is, afhankelijk is van de omstandigheden en mogelijkheden van het individuele geval, en dat dit mede wordt bepaald door hetgeen naar maatschappelijk inzicht aanvaardbaar wordt geacht.[8] Door niettemin, in het kader van art. 15 Pw, zonder meer uit te gaan van de keuze die in het kader van de Wht is gemaakt wordt door het college ook miskend dat de (bijzondere) bijstand een vangnetfunctie heeft. En daarom acht de rechtbank het niet aanvaardbaar dat het college de aanvraag heeft afgewezen op de grond dat er sprake is van een toereikende en passende voorliggende voorziening. Ik concludeer dat de rechtbank teruggaat naar stap 1 (zie onder punt 2).[9] Het college is het met de aangevallen uitspraak van de rechtbank niet eens. Hoe wordt de puzzel door de CRvB gelegd?
- Voor ik in ga op het oordeel van de CRvB in de hier opgenomen uitspraak, even een stapje terug naar eerdere rechtspraak van de CRvB uit 2024 (hierna: 2024-uitspraken) over de toepassingsvoorwaarde van art. 15 lid 1 2de volzin Pw.[10] De geschillen in de 2024-uitspraken gingen over een afwijzing van een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van een MiraDry-behandeling en tandheelkundige hulp. De vraag die voorlag was of het college de aanvragen mocht afwijzen onder toepassing van art. 15 lid 1 2de volzin Pw. Dat wil zeggen: is in de Zorgverzekeringswet (Zvw) een bewuste keuze gemaakt dat het niet noodzakelijk is deze kosten te vergoeden? De CRvB stelt vast dat de dekking van de in de Zvw geregelde verzekering dwingendrechtelijk is en bij of krachtens die wet is geregeld. De verzekerde prestaties en zorgvormen staan in de Zvw. De inhoud en omvang van deze prestaties zijn uitgewerkt in lagere regelgeving: het Besluit zorgverzekering (Bzv) en de Regeling zorgverzekering (Rzv). Daarin staan de zorginhoudelijke criteria waaronder aanspraak op een prestatie bestaat.
- De pakketsamenstelling in de Zvw is de uitkomst van een politieke weging waarin onder meer de betaalbaarheid van het stelsel op langere termijn wordt betrokken.[11] Zo’n politieke weging wordt gebaseerd op de zogenoemde pakketprincipes, namelijk: noodzakelijke zorg, werkzame zorg, doelmatige zorg en zorg die niet voor eigen rekening kan komen. Zoals onder punt 1 al is gezegd staan louter budgettaire redenen om kosten buiten de vergoedingensfeer van de voorliggende voorziening te laten niet aan bijstandsverlening in de weg. Maar volgens de CRvB is het moeilijk voor te stellen dat ervoor wordt gekozen om op zichzelf noodzakelijke zorg niet in de Zvw op te nemen enkel en alleen vanwege budgettaire redenen. De CRvB introduceert de vooronderstelling als uitgangspunt. De bijstandverlenende instantie hoeft, als het gaat om medische kosten die binnen de reikwijdte van de Zvw vallen, in beginsel niet te onderzoeken waarom medische zorg niet is opgenomen in het zorgpakket.[12] De bijstandverlenende instantie mag uitgaan van een vooronderstelling en de aanvraag afwijzen onder toepassing van art. 15 lid 1 2de volzin Pw.
- Terug naar de hier opgenomen uitspraak. Ook hier wordt de juridische puzzel door de CRvB gelegd die in essentie overeenkomt met de in punten 5 en 6 genoemde 2024-uitspraken. De CRvB stelt vast dat uit de wetgeschiedenis van de Wht en de voorlopers daarvan, te weten de Wet individuele huursubsidie (Wih) en de Huursubsidiewet (Hsw) volgt dat de wetgever niet alleen om budgettaire redenen, maar ook om andere redenen de bewuste keuze heeft gemaakt om de huurkosten van onzelfstandige woonruimtes niet te vergoeden. De andere redenen zijn gelegen in:
- dat er vaak sprake van slechte kwaliteit omdat niet over minimale voorzieningen wordt beschikt;
- het voorkomen van huurprijsopdrijving en bescherming tegen onredelijke huurprijzen;
- de uitvoeringstechnische, in het bijzonder administratieve, belemmeringen;
- de omstandigheid dat subsidiëring van onzelfstandige woonruimtes niet doelmatig gecontroleerd kan worden, waardoor het risico op fraude te groot wordt.
De CRvB stelt vast dat uit de wetsgeschiedenis van de Hsw, Wih en Wht volgt dat de wetgever telkens voor ogen heeft gestaan dat het niet noodzakelijk wordt bevonden om huurkosten van onzelfstandige woonruimtes voor huurtoeslag in aanmerking te brengen.[13] Ook hier gaat het om politieke wegingen, net als bij de pakketsamenstelling van de Zvw. De CRvB komt dan ook tot de slotsom dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de aanvraag niet had mogen afwijzen op grond van art. 15 lid 1 2de volzin Pw.
- Nog iets ter afronding. Sinds 1 januari 2026 zijn wijzigingen in de Wht in werking getreden (Stb. 2025, 16). Ze hebben als doel om het instrument huurtoeslag te vereenvoudigen.[14] Ongewijzigd is gebleven dat geen aanspraak bestaat op huurtoeslag voor onzelfstandige woonruimten. De belangrijkste wijziging is dat de maximale huurgrens is afgeschaft waardoor meer huurders voor huurtoeslag in aanmerking komen. Dit alles-of-niets criterium heeft plaatsgemaakt voor een huurgrens die als rekenplafond dient. Dat wil zeggen: huurkosten (vanaf de basishuur) onder dat plafond zijn subsidiabel en daarboven niet. Dat heeft gevolgen voor de verlening van bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag. Heeft de wetgever met de wijziging van de Wht beoogd dat huurkosten boven het rekenplafond niet noodzakelijk zijn om te vergoeden met huurtoeslag? Is dat het geval, dan is de bijstandverlenende instantie bevoegd om een aanvraag om bijzondere bijstand voor huurkosten die boven het rekenplafond liggen af te wijzen onder toepassing van art. 15 lid 1 2devolzin Pw.
Yes, handgeschreven; zonder AI- 🙂
©Ingeborg Lunenburg opleiding + advies
[1] Zie bijv. CRvB 7 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1477, <<USZ>> 2025/296, m.nt. I.M. Lunenburg.
[2] Zie Kamerstukken II 1976/77, 14199, nr. 3, p. 10, Kamerstukken II 1989/90, 21644, nr. 3, p. 12-13 en 21-23, Kamerstukken II 1990/91, 21644, nr. 10, p. 2-3, Kamerstukken II 1995/96, 24772, nr. 3, p. 9 en Kamerstukken II 2002/03, 28870, nr. 3, p. 46.
[3] Zie r.o. 4.6 CRvB 26 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2313, <<USZ>> 2025/37, m.nt. Red. De CRvB baseert het standpunt op Kamerstukken II 1990/91, 21644, nr. 10, p. 2-3, Kamerstukken II 1995/96, 24772, nr. 3, p. 4-5, Kamerstukken II 2002/03, 28870, nr. 3, p. 46.
[4] Bijv. CRVB 26 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2435, <<USZ>> 2025/36.
[5] Bijv. CRvB 13 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM2959 (vergoeding brillenglazen).
[6] Rb. Rotterdam 15 juli 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:6493.
[7] Bijv. CRvB 29 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1251, CRvB 5 januari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:10.
[8] Kamerstukken II 2002/03, 28870, nr. 3, p. 46.
[9] Vgl. CRvB 10 december 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2771, <<USZ>> 2014/9 waarin de CRvB oordeelt dat de Wht voor huurkosten die de eerste gebroken maand betreffen geen passende en toereikende voorziening is.
[10] CRvB 26 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2313, <<USZ>> 2025/37, m.nt. Red. en CRvB 26 november 2024, ECLI:CRVB:2024:2435, <<USZ>> 2025/36.
[11] Kamerstukken II 2003/04, 29763, nr. 3, p. 2, 7-8, 38-42.
[12] Zie bijv. ook CRvB 17 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK4230 (tandartskosten).
[13] Kamerstukken II 1974/75, 13493, nr. 2, p. 35, Kamerstukken II 1983/84, 18539, nr. 3, p. 38-39, Kamerstukken II 1974/75, 13493, nrs. 1-2, Kamerstukken II 1996/97, 25090, nr. 3, p. 2-3, Kamerstukken II 1996/97, 25090, nr. 3, p. 2-3, Kamerstukken II 1996/97, 25090, nr. 6, p. 36, Kamerstukken II 2024/25, 36608, nr. 6, p. 22.
[14] Kamerstukken II 2022/23, 36311, nr. 3, p. 1.
