Is er een actueel spoedeisend belang en kan de rechtbankuitspraak wel in stand blijven?
De voorzieningenrechter van de Raad geeft antwoord op de vragen (CRVB:2026:299).
Wat is de aanleiding?
Het college trekt het recht op bijstand in onder toepassing van art. 54 lid 3 PW. Volgens het college heeft verzoeker de inlichtingenverplichting van art. 17 lid 1 PW geschonden omdat hij verschillende ondernemingen in het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK) op zijn naam heeft staan. Het college stelt zich op het standpunt dat hij voor zijn ondernemingen op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht en hij daaruit een inkomen heeft genoten. Verzoeker geeft geen inzicht in de aard en omvang van die activiteiten en de inkomsten. En daarom kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld, aldus het college.
Voorzieningenrechter van de rechtbank
De voorzieningenrechter van de rechtbank wijst een verzoek om een voorlopige voorziening af en het beroep van verzoeker tegen het bestreden besluit is ongegrond verklaard. Hoger beroep wordt ingesteld.
De te beoordelen periode
De voorzieningenrechter markeert de te beoordelen periode. Ná de datum van de intrekking van het recht op bijstand heeft verzoeker nog een onderneming in het handelsregister van de KvK op zijn naam gezet. Dat gegeven blijft in het midden. Ik begrijp dat zo. Als onder meer een actueel spoedeisend belang wordt aangenomen dan zal het college bijstand moeten (na)betalen vanaf de datum van de intrekking van het recht. In ieder geval tot de Raad beslist in de bodemprocedure.
Belastend besluit
Hoe zat dat ook al weer? Intrekking van het recht op bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast in beginsel op de bijstandverlenende instantie om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan. Wat houdt de bewijslast in? Het college moet aannemelijk maken dat de betrokkene de inlichtingenverplichting heeft geschonden, wat de schending inhoudt én dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Dat is vaste rechtspraak, en daar gaat het voor gemeenten nog al eens mis (bijv. CRVB:2020:3302, CRVB:2025:1572). In deze zaak is duidelijk wat de schending die verzoeker wordt tegengeworpen inhoudt: het niet melden van de aard en omvang van op geld waardeerbare activiteiten en de daarmee verband houdende inkomsten. Maar is dat wel juist?
Heeft verzoeker de inlichtingenverplichting geschonden?
De vraag is of het op naam hebben of zetten van bedrijven in het handelsregister van de KvK een schending van de inlichtingenverplichting oplevert. De voorzieningenrechter constateert dat de meeste ondernemingen van verzoeker ruim voor de intrekkingsdatum van het recht op bijstand zijn opgericht en al bij het college bekend waren. Wat dat betreft dus geen schending van de inlichtingenverplichting. Ik maak daar ook uit op dat dit gegeven voor het college kennelijk geen beletsel vormde om bijstand te verlenen. Jammer genoeg blijkt uit de uitspraak niet wat nu de aanleiding was om over te gaan tot intrekking van het recht op bijstand.
Was de opschortprocedure ingezet?
In de beslissing op het bezwaar is de grondslag van het primaire besluit gewijzigd. Art. 54 lid 4 PW was de grondslag. Dat impliceert dat het college de opschortprocedure van art. 54 lid 1 PW heeft gehanteerd. Ik vermoed dat de 8-weken-termijn bedoeld in dat lid was verstreken. En dat het college daarom gehouden was om een inhoudelijk oordeel te vellen. Dat brengt mee dat de grondslag van het bestreden besluit gewijzigd moest worden. Hoe het ook zij, de procedure heeft voor het college waarschijnlijk niks opgeleverd.
Wel of geen recht op bijstand?
De voorzieningenrechter overweegt verder dat de enkele registratie van een of meerdere ondernemingen in de KvK nog niet betekent dat daarmee ook aannemelijk is gemaakt dat verzoeker in te de beoordelen periode op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht. Dan wel dat in verband daarmee inkomsten zijn genoten waardoor verzoeker geen of minder recht op bijstand heeft. In die zin dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld (bijv. CRVB:2013:2565).
Geen bewijsvermoeden
De inschrijving bij de KvK levert geen bewijsvermoeden op in die zin dat een betrokkene beschikt of redelijkerwijs kan beschikken over middelen. Wel moet uit een inschrijving bij de KvK worden afgeleid dat de betrokkene het oogmerk heeft zich als zelfstandige te vestigen om daarmee inkomsten te verwerven (CRvB:2010:BN6344).Wel een relevant gegeven
Een inschrijving bij de KvK is daarmee een voor de bijstand relevant gegeven waarvan een betrokkene melding moet doen bij het college. Maar heeft het niet melden gevolgen voor het recht op bijstand?
Onderzoek kunnen vaststellen recht op bijstand ontbreekt
Ter zitting bracht het college geen feiten en omstandigheden naar voren op grond waarvan aannemelijk is dat door verzoeker op geld waardeerbare activiteiten zijn verricht. En uit het dossier blijkt niet dat het college daar onderzoek naar heeft gedaan. Als er al sprake is van een schending van de inlichtingenverplichting, is door het college niet aannemelijk gemaakt dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Aldus de voorzieningenrechter. Er is dus meer voor nodig dan de enkele inschrijving bij de KvK. Zou het college aannemelijk maken dat verzoeker activiteiten heeft verricht die te maken hebben met de onderneming(en), dan is sprake van op geld waardeerbare activiteiten (bijv. CRVB:2019:1880).
Actueel spoedeisend belang en kan de rechtbankuitspraak wel in stand blijven?
Er is niet gebleken van in aanmerking te nemen inkomen of vermogen. Uit een dagvaarding blijkt ook de reële en urgente dreiging van uithuiszetting. Volgens de de voorzieningenrechter bestaat er verder een redelijke mate van waarschijnlijkheid dat de rechtbankuitspraak, waartegen hoger beroep in ingesteld, niet in stand kan blijven. Al met al ziet de voorzieningenrechter aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Die bestaat er uit dat het college aan verzoeker bijstand moet verlenen ter hoogte van de toepasselijke norm. Dit tot de datum waarop uitspraak wordt gedaan in de bodemprocedure. Het college moet op de dag van de uitspraak een deel van de na te betalen bijstand rechtstreeks aan de verhuurder betalen. Dit ter aflossing van de huurachterstand. Of we deze kwestie nog weer tegenkomen op rechtspraak.nl valt nog te bezien.
Yes, handgeschreven; zonder AI-:)
