Verschenen in USZ 2026/100 (Sdu Uitspraken Sociale Zekerheid)
Inhoudsindicatie
Het college heeft de middelen niet mogen aanmerken als inkomen en de bijstand ook niet mogen afstemmen. Appellant heeft aannemelijk gemaakt dat het leningen voor levensonderhoud betreft.
Noot I.M. Lunenburg
- In de hier opgenomen uitspraak worden maar liefst vier geschillen door de meervoudige kamer van de CRvB beslecht. Het gaat om drie aanvragen om bijstand en een terugvordering van ten onrechte ontvangen bijstand. Het oordeel van de CRvB over de afwijzing van twee aanvragen en het terugvorderingsbesluit brengt geen nieuws onder de zon en blijft daarom onbesproken in deze noot. De toekenning van bijstand op de derde aanvraag is wel het bespreken waard. Want het college stemt de bijstand af onder toepassing van art. 18 lid 1 Pw, omdat de broer van appellant de maandelijkse huurlasten voor hem heeft betaald. En verder heeft het college de bijstand verminderd met het door appellant ontvangen leefgeld van zijn broer omdat het als inkomen wordt aangemerkt (art. 32 lid 1 Pw). In deze noot ga ik in op de vraag waarom dat niet terecht is. Ik sluit af met een reactie op een overweging die de CRvB het college nog meegeeft.
- Appellant komt tegen de afwijzing van de derde aanvraag om bijstand in beroep en krijgt de rechtbank aan zijn zijde. Volgens de rechtbank heeft appellant aangetoond dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde en in zijn levensonderhoud voorzag door te lenen van zijn broer. In de nieuwe beslissing op het bezwaar wordt alsnog bijstand toegekend. Zoals gezegd wordt deze bijstand verlaagd met het bedrag van de huurlasten die de broer van appellant voor hem aan de verhuurder betaald (art. 18 lid 1 Pw). En omdat appellant ook leefgeld van zijn broer heeft ontvangen, heeft het college de bijstand daarmee verminderd. Deze middelen worden door het college aangemerkt als inkomen (art. 32 lid 1 Pw). Volgens het college is een lening niet uitgezonderd van het middelenbegrip (art. 31 lid 2 Pw). Ook overigens vindt het college dat er geen sprake is van een geldlening. Want er zijn geen concrete afspraken gemaakt over de terugbetaling daarvan aan zijn broer én er is nog niet begonnen met terugbetalen. Appellant komt in hoger beroep en voert aan dat voor de betaling van de huur als ook het leefgeld sprake is van een lening die moet worden terugbetaald. Daarover heeft hij tijdens de procedure meerdere verklaringen van zijn broer en ook bankafschriften overgelegd waar dat uit blijkt. Deze (hoger) beroepsgrond slaagt.
- De CRvB begint met het leefgeld. Als hoofdregel geldt dat als een betrokkene voldoende middelen voor de kosten van levensonderhoud heeft door geld te lenen, hij geen recht op bijstand heeft.[1] Maar dit kan anders zijn als het gaat om een periode waarin de betrokkene geen of niet voldoende inkomen heeft en daardoor afhankelijk is van geldleningen om in zijn bestaan te voorzien. Er kan dan toch recht op bijstand bestaan als de betrokkene aannemelijk maakt dat hij niet een ander toereikend inkomen heeft én dat de leningen zijn verstrekt voor het levensonderhoud. Niet alleen feitelijk niet beschikken over (voldoende) inkomen speelt een rol bij het moeten aangaan van een lening. Ook als betrokkene kan voorzien dat hij in zo’n situatie terecht gaat komen, kan aanleiding zijn om te (gaan) lenen voor het levensonderhoud.[2] Maar daarmee zijn we er nog niet. Want een voorwaarde om dan toch bijstand toegekend te krijgen is ook dat de betrokkene aannemelijk moet maken van wie, wanneer, op welke wijze en tot welk bedrag hij de lening heeft ontvangen. Ook mag geen onduidelijkheid bestaan dat het bedrag moet worden terugbetaald. De afspraak tussen de crediteur en betrokkene moet bij de betaling blijken, en niet later. Een bankafschrijving onder vermelding van lening voor levensonderhoud zal in beginsel volstaan.[3] De hiervoor aangehaalde uitspraak is, kort gezegd, gebaseerd op het gegeven dat een betrokkene in afwachting is van inkomen en tot dat moment een lening aangaat ter overbrugging. Ook is in die uitspraak door de CRvB overwogen dat zo’n situatie vergelijkbaar is met de situatie waarin een betrokkene een voorschot van de bijstandverlenende instantie ontvangt in afwachting van een beslissing op de aanvraag (art. 52 lid 1 Pw). In beide situaties moet de betrokkene de lening dan wel het voorgeschoten geld terugbetalen. Hieruit volgt dat als een betrokkene over een geleend bedrag kan beschikken dus niet betekent dat hij niet in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert.[4]
- Niet in geschil is dat appellant geen of niet voldoende inkomen had, zodat hij afhankelijk was van geldleningen voor zijn levensonderhoud. Het college stelt dat voor appellant geen daadwerkelijke terugbetalingsverplichting geldt; het blijkt nergens uit. Het college stelt zich namelijk op het standpunt dat de terugbetaling afhankelijk is gesteld van een onzekere toekomstige gebeurtenis; het weer ontvangen van een uitkering. Nu bij het aangaan van de lening niet is gesproken over de termijn en de wijze van terugbetaling, is geen sprake van een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting. Dat standpunt gaat van tafel. De CRvB wijst erop dat onder de voorwaarden zoals genoemd onder punt 3 niet (ook) de eis wordt gesteld dat bij het aangaan van de lening concrete afspraken worden gemaakt over de terugbetaling daarvan. Nu appellant nog geen bijstand heeft ontvangen mocht van hem ook nog niet verwacht worden dat hij deze lening al had terugbetaald.
- De CRvB gaat verder met de huurbetalingen die door de broer rechtstreeks aan de verhuurder worden betaald. Ook dat is niet in geschil. De uitkomst laat zich raden. Ook voor de huurbetalingen was sprake van een lening, die moet worden terugbetaald. Appellant heeft dus geen substantiële besparing gehad die aanleiding gaf om de bijstand af te stemmen, aldus de CRvB. Het college heeft het leefgeld dat appellant van zijn broer heeft ontvangen ten onrechte als inkomen aangemerkt. En het college heeft ook de bijstand ten onrechte afgestemd door de huurbetalingen op de bijstand in mindering te brengen. De CRvB stelt vast dat appellant voldoet aan de voorwaarden zoals genoemd onder 3 om voor bijstand in aanmerking te komen. Dit betekent dat het college bijstand over de periode van zeven maanden zal moeten nabetalen naar de volle voor appellant geldende norm. Al met al een nauwgezette uiteenzetting van de CRvB over de vaststelling van het recht op bijstand van appellant over die periode.
- Tot slot. De CRvB geeft het college nog een overweging mee. Namelijk dat aan het alsnog uitbetalen van de ingehouden bijstand de voorwaarde mag worden verbonden dat appellant de leningen aan zijn broer hiermee terugbetaalt. En dat het college dat mag controleren. Eerder heeft de CRvB dat als volgt toegelicht, bezien vanuit de onder punt 3 genoemde vergelijkbare situatie dat het bijstandverlenend orgaan na een aanvraag maar voor een besluit daarop een voorschot zou hebben verstrekt.[5] Wordt in een situatie en periode bijstand naar de toepasselijke norm verleend en de leningen worden niet terugbetaald, zal de betrokkene achteraf gezien over die periode (toch) hebben beschikt over meer middelen dan de voor hem toepasselijke bijstandsnorm. Buiten de voorwaarde dat een betrokkene in bijstandbehoevende omstandigheden moet verkeren om voor bijstand in aanmerking te komen, kent de Participatiewet geen voorwaarden waaronder de bijstand wordt verleend. Er kunnen wel verplichtingen aan de bijstand worden verbonden (art. 55 Pw). Stel, de schulden van appellant aan zijn broer worden niet afbetaald. Zou het college de uitbetaalde bijstand dan kunnen terugvorderen onder toepassing van art. 58 lid 2 onder f onderdeel 1° Pw?
[1] Bijv. CRvB 22 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9138, <<USZ>> 2013/70.
[2] CRvB 30 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1551, <<USZ>> 2024/280, m.nt. Red.
[3] Bijv. CRvB 15 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3188, <<USZ>> 2015/353, m.nt. H.W.M. Nacinovic, CRvB 23 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2905.
[4] CRvB 23 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:734, <<USZ>> 2021/152.
[5] Zie de uitspraak uit 2015 onder voetnoot 3.
Yes, handgeschreven; zonder AI-:)
