Verschenen in USZ 2026/93 (Sdu Uitspraken Sociale Zekerheid)
Inhoudsindicatie
Aanvraag 1 ten onrechte afgewezen; recht is vast te stellen. De bijstand toegekend op aanvraag 2 mocht worden afgestemd wegens een substantiële besparing.
Noot I.M. Lunenburg
- In de hier opgenomen uitspraak worden twee geschillen door de meervoudige kamer van de CRvB beslecht. Het gaat om twee aanvragen; de eerste aanvraag wordt afgewezen en de tweede aanvraag wordt wel toegekend maar de bijstand wordt afgestemd (verlaagd) wegens een substantiële besparing die appellant volgens het college heeft. In deze noot ga ik in op de afwijzing van de aanvraag (punten 2, 3 en 4), de afstemming van de bijstand (punten 5, 6, 7 en 8) en tot slot een relevante wetswijzing van de Pw sinds 1 januari 2026 (punt 9).
- De aanvrager om bijstand moet aannemelijk maken dat wordt voldaan aan de voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen. De bewijslast dat hij verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden bedoeld in art. 11 lid 1 Pw rust op de aanvrager. Het college op zijn beurt beoordeelt het ‘bewijs’ dat door de aanvrager is aangedragen. Appellant vraagt bijstand aan omdat zijn relatie verbroken is en hij nu zonder inkomen zit (aanvraag 1). Het college vraagt om een aantal verklaringen en gegevens. Maar met wat appellant overgelegd neemt het college geen genoegen en wijst de aanvraag af en handhaaft dat besluit in de beslissing op bezwaar. Daaraan ligt ten grondslag dat appellant de bijstandbehoevende omstandigheden niet aannemelijk heeft gemaakt waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Volgens het college heeft appellant namelijk onvoldoende gegegevens overgelegd over de manier waarop hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien in de periode van vijf maanden voorafgaand aan de aanvraag en zijn vermogenstoestand (de auto die op zijn naam geregistreerd staat). Het college heeft de rechtbank aan zijn zijde; het bestreden besluit blijft in stand. Appellant is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank en komt hiertegen in hoger beroep (zie verder punten 3 en 4).
- Hangende het bezwaar tegen de afwijzing van aanvraag 1 wordt een nieuwe aanvraag gedaan (aanvraag 2). Bij die aanvraag worden door het college in essentie om dezelfde gegevens gevraagd maar nu over een andere periode. Appellant heeft in essentie ook dezelfde inlichtingen en bewijsstukken verstrekt als in het kader van aanvraag 1. Maar appellant komt nog met iets meer over de brug. Hij heeft onder meer nog een door hem ondertekende verklaring ingeleverd waarin staat dat hij heeft geleefd van contant geld van familie en vrienden en dat de totale schuld aan hen ongeveer € 9.200,- bedraagt. Ter onderbouwing van die schuld zijn drie verklaringen overgelegd. Deze gegevens zien echter ook op de te beoordelen periode van aanvraag 1. Dat blijkt uit de rapportage van het college over aanvraag 2. Maar alleen die aanvraag om bijstand wordt toegekend (zie verder punt 5). En daarmee is de kous niet af voor wat betreft de afwijzing van aanvraag 1. De (hoger) beroepsgrond van appellant dat het recht op bijstand wel is vast te stellen slaagt. De CRvB is het met appellant eens. Hij heeft voldoende duidelijkheid gegeven over zowel de wijze waarop hij in de periode voorafgaand aan de aanvraag in zijn levensonderhoud heeft voorzien als over zijn vermogenspositie.
- Daarvoor is de rapportage van het college over aanvraag 2 van belang. De CRvB constateert dat in het rapport, dat aan de toekenning van bijstand ten grondslag ligt, blijkt dat het voor het college wel duidelijk was hoe appellant vijf maanden voorafgaande aan aanvraag 1 in zijn levensonderhoud heeft voorzien. In het rapport staat namelijk dat het geleende bedrag van € 9.200,- een aannemelijk bedrag is om over de de hiervoor genoemde periode in zijn levensonderhoud te voorzien. In het rapport staat vervolgens dat appellant met de drie verklaringen, die bij aanvraag 2 zijn overgelegd, aannemelijk heeft gemaakt hoe hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien. De CRvB oordeelt dat alleen om die reden al het standpunt van het college, dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, niet kan standhouden.[1] En dan de vermogenspositie. Heeft appellant onvoldoende duidelijkheid gegeven over de (financiering van de) auto die op zijn naam staat? Ook daar gaat het voor het college mis. De auto staat sinds drie maanden voorafgaande aan aanvraag 1 op naam van appellant en heeft een geschatte dagwaarde van € 3.490,-. De CRvB begrijpt niet waarom de financiering van de auto iets zou kunnen zeggen over de vermogenspositie van appellant in en kort voor die te beoordelen periode. De CRvB gaat verder met de vooronderstelling. Het gegeven dat het kenteken van een auto op naam van een betrokkene staat, rechtvaardigt de vooronderstelling dat deze auto een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.[2] Appellant is er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. De waarde van de auto wordt tot zijn vermogen gerekend, maar staat niet aan bijstandsverlening in de weg. De CRvB oordeelt dat op aanvraag 1 aan appellant bijstand moet worden verleend.
- Zoals gezegd onder punt 3 wordt door het college op aanvraag 2 positief beslist. Maar omdat de moeder van appellant de wegenbelasting en verzekering rechtstreeks aan de Belastingsdienst en de verzekeringsmaatschappij betaalt, wordt de toegekende bijstand afgestemd (verlaagd) met € 196,50 per maand onder toepassing van art. 18 lid 1 Pw. Eerst iets over art. 18 lid 1 Pw en de toepassingsvoorwaarden op basis van de rechtspraak van de CRvB. Het algemene individualiseringsbeginsel van art. 18 lid 1 Pw kan het verhogen of verlagen van de bijstand inhouden. Het gaat om een gebonden bevoegdheid van het college in geval sprake is van zeer bijzondere situaties. De belastende bevoegdheid tot verlagen van de bijstand, zoals hier aan de orde, is alleen toegestaan ingeval van een substantiële besparing.[3] De bewijslast daarvoor rust op het college. Wat precies substantieel is, valt uit de rechtspraak van de CRvB niet (goed) af te leiden.[4] Uit de rechtspraak kan wel worden afgeleid dat het moet gaan om de feitelijke behoefte aan algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan die een betrokkene normaal gesproken ook volledig uit zijn eigen inkomen zou moeten betalen.[5] Een substantiële besparing verminderd per saldo de bijstandsbehoevendheid. In de hiervoor aangehaalde rechtspraak oordeelde de meervoudige kamer van de CRvB dat sprake was van een (substantiële) besparing in de kosten van: huur, energiekosten, zorgverzekeringspremie en boodschappen.
- Terug naar de hier opgenomen uitspraak. Appellant voert aan dat voor afstemming van de bijstand geen plaats is omdat het maandelijkse bedrag € 196,50 als gift moet worden aangemerkt. En dat daarom het bedrag moet worden vrijgelaten onder toepassing van art. 31 lid 2 onder m (oud) Pw. De CRvB is hier kort over. Alleen al omdat appellant niet vrijelijk kon beschikken over de bedragen die door zijn moeder rechtstreeks aan de Belastingdienst en de verzekeringsmaatschappij werden betaald, kan geen sprake van middelen die (mogelijk) kunnen worden vrijgelaten. De CRvB oordeelt dat met de betaling van de moeder van appellant werd voorzien in kosten die behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan van appellant. Hij hoefde deze kosten niet meer zelf uit zijn bijstandsnorm te betalen wat hem een substantiële beparing opleverde. Weten we met deze uitspraak meer over de hoogte van het bedrag dat als substantieel kan worden aangemerkt? Ik meen van niet. De vraag is relevant omdat de CRvB vaststelt dat het gaat om bijna 20% van de voor appellant geldende bijstandsnorm. Het percentage komt bekend voor. De meervoudige kamer van de CRvB oordeelde eerder over een kwestie waarin een derde de huur van betrokkene (alleenstaande) ter hoogte van € 900,- rechtstreeks aan de verhuurder betaalde.[6] Was dat ook de hoogte van de substantiële besparing? Nee, dat was het niet. Sterker nog de CRvB gebruikt het begrip substantiële besparing in het geheel niet. Volgens het beleid zou het college een alleenstaande zonder woonkosten geen toeslag van 20% toekennen (art. 27 WWB). En met een afstemming van dat percentage wordt volgens de CRvB, in dit geval, een juiste afstemming van de bijstand bereikt. In de Pw is de toeslagensystematiek in verband met het wel of niet kunnen delen van woonkosten niet meer opgenomen. Ik neem aan deze systematiek onder de Pw nog steeds kan worden gebruikt als maatstaf voor woonkosten.
- Zou een percentage van 20% een (algemene) maatstaf kunnen vormen voor een substantiële besparing? En zo ja, is de uitkomst dan niet ook afhankelijk van de geldende bijstandsnorm? En dat komt mij vreemd voor. Het lijkt mij dat dan voorbij wordt of kan worden gegaan aan de feitelijke besparing in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Ik wijs op een uitspraak waar de meervoudige kamer van de CRvB oordeelt dat een bedrag van € 120,66 per maand als substantiële besparing wordt aangemerkt vanwege de ontvangst van pampers, melk en kinderkleding.[7] Dit sluit aan op het individualiseringsbeginsel van art. 18 lid 1 Pw en impliceert dat daar geen algemene maatstaf voor kan zijn. Het college kan wel aansluiting zoeken bij een geobjectiveerde maatstaf, zoals de Nibudnormen.[8] Bij relatief lagere bedragen dan hiervoor genoemd komt de CRvB niet (snel) tot het oordeel dat sprake is van een substantiële besparing.[9] Ik ga alleen in op een uitspraak van de enkelvoudige kamer van de CRvB die over gelijke kostensoorten gaat als in deze uitspraak.[10]
- De CRvB oordeelt dat een maandelijks bedrag van € 36,56 voor de vaste lasten van de auto geen substantiële besparing opleverde. Zoals gezegd ging het in die zaak ook om de kosten verbonden aan een auto, maar die stond niet op naam van appellant. Enkel stond vast dat hij exclusieve beschikking over de auto had, en uit de uitspraak blijkt niet dat de waarde van de auto tot het vermogen van de betrokkene werd gerekend. Maar stel nu dat de waarde van de niet op naam staande auto wel aan betrokkene kan worden toegerekend[11] én een derde betaald aan derden maandelijks het totaalbedrag van € 36,56. Ik neem aan dat dan toch wel gesproken kan worden van een substantiële besparing. Ook al is het bedrag minder dan ongeveer 20% van de bijstandsnorm. De situatie is vergelijkbaaar met een wel op naam geregistreerde auto en daarmee is het verdedigbaar dat de kosten tot de noodzakelijke kosten van het bestaan behoren die betrokkene niet meer van zijn bijstandsnorm hoeft te betalen. Welke conclusie kan getrokken worden uit de hier opgenomen uitspraak en de in deze noot aangehaalde rechtspraak? Ik concludeer in ieder geval dat de hoogte van het bedrag van de substantiële besparing of wat een passende afstemming kan zijn, van belang is. Maar ik stel ook vast dat uit de uitspraken van de CRvB niet (goed) is op te maken in welke situaties wordt voldaan aan de ene of juist de andere toepassingsvoorwaarde van art. 18 lid 1 Pw. Daar ontbreekt het wat mij betreft aan duidelijkheid.
- Tot slot. Met ingang van 1 januari 2026 kan de uitkomst van een geschil over afstemming van de bijstand in de zin van een (substantiële) besparing anders zijn. De Pw is met ingang van die datum gewijzigd. Art. 18 lid 8* Pw (nieuw lid) bepaalt dat de som van giften en besparingen tot een bedrag € 1.200,- per kalenderjaar geen besparing zijn en kunnen om die reden niet leiden tot afstemming (verlaging) van de bijstand op grond van art. 18 lid 1 Pw. Aanleiding voor deze bepaling is de boodschappenaffaire uit 2021.[12] En hiermee worden ‘giften in natura’ op een vergelijkbare wijze vrijgelaten als de giften in de vorm van middelen (art. 31 lid 2 onder m Pw). Een interressant geschil doemt op. Wanneer de grens van € 1.200,- is bereikt én er volgens het college (weer) sprake is van een substantiële besparing, zal tot afstemming van de bijstand worden overgegaan onder toepassing van art. 18 lid 1 Pw. Betrokkene zou daartegen op kunnen komen en aanvoeren dat binnen de grens van € 1.200,- helemaal geen sprake was van een substantiële besparing(en) of een passende afstemming(en) en om die reden een afstemming van de bijstand (nog) niet aan de orde kan zijn.
[1] Vgl. CRvB 9 maart 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:455, <<USZ>> 2023/106.
[2] Bijv. CRvB 18 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2799.
[3] CRvB 28 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2492.
[4] Bijv. CRvB 28 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2658.
[5] CRvB 4 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:719, <<USZ>> 2014/118, m.nt. H.W.M. Nacinovic, CRvB 3 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1662, CRvB 23 augustus 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1918, <<USZ>> 2021/322, m.nt. L.M. Koenraad & H.W.M. Nacinovic.
[6] CRvB 4 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:705, <<USZ>> 2014/117 en vgl. CRvB 31 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5004.
[7] CRvB 29 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3294, <<USZ>> 2015/218.
[8] Zie de uitspraak uit 2021 onder voetnoot 5 (boodschappen).
[9] Bijv. CRvB 24 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK5133, <<USZ>> 2010/10.
[10] CRvB 25 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:437, <<USZ>> 2020/89, m.nt. M.W. Venderbos.
[11] CRvB 28 februari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV7110, <<USZ>> 2012/88.
[12] Zie de uitspraak uit 2021 onder voetnoot 5.
Yes, handgeschreven; zonder AI-:)
