Verschenen in USZ 2026/87 (Sdu Uitspraken Sociale Zekerheid)
Inhoudsindicatie
Op grond van de Richtlijnen bijzondere bijstand gemeente Utrecht (RBBU) kan ook bijzondere bijstand kan worden verleend als voor de kosten wel had kunnen worden gereserveerd maar dit niet is gebeurd. De Raad passeert dit motiveringsgebrek met toepassing van art. 6:22 Awb en oordeelt dat het college (in zoverre) in overeenstemming heeft gehandeld met de RBBU.
Noot I.M. Lunenburg
- In de hier opgenomen uitspraak oordeelt de meervoudige kamer van de CRvB over de afwijzing van een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van: eerste huur, woninginrichting en duurzame gebruiksgoederen. De uitspraak is het bespreken waard omdat naast het wettelijk kader van art. 35 lid 1 Pw de (hoger) beroepsgronden over de toepassing van de Richtlijnen bijzondere bijstand gemeente Utrecht (hierna: de RBBU) een rol spelen bij het oordeel. Ik ga in op de vraag wat de kwalificatie is van de RBBU en de wijze waarop het door de bestuursrechter wordt getoetst.
- Waar gaat het om? Na de ontruiming van de woning van appellant wegens een huurachterstand trok hij, samen met zijn zus die zijn zorgverlener is, in bij hun vader. Twee jaar later komt de echtgenote van appellant en hun kind over uit Turkije en na tussenkomst van een urgentieverklaring wordt aan hen een woning toegewezen. Voor de kosten genoemd onder punt 1 wordt bijzondere bijstand aangevraagd. Het college wijst de aanvraag af en handhaaft dat besluit in de beslissing op het bezwaar. Daaraan ligt ten grondslag dat appellanten voor deze kosten hadden kunnen (moeten) reserveren uit hun inkomen of de kosten haddden moeten financieren door een gespreide betaling achteraf (een lening afsluiten). Volgens het college voldoen appellanten ook niet aan het bepaalde in de RBBU (zie verder punt 5 en 6). Bij de rechtbank blijft het bestreden besluit in stand. Is dat, gelet op de (hoger) beroepsgronden, terecht?
- Niet in geschil is dat de kosten waarvoor appellanten bijzondere bijstand hebben aangevraagd zich voordoen en noodzakelijk zijn. Welke beroepsgronden liggen ter beoordeling voor? De eerste beroepsgrond is gericht op de vraag of de kosten van eerste huur, duurzame gebruiksgoederen en woninginrichting voortvloeien uit bijzondere omstandigheden als bedoeld in art. 35 lid 1 Pw. De lat om bijzondere omstandigheden aan te nemen voor deze kosten, die in beginsel uit het inkomen op bijstandsniveau moeten worden voldaan, ligt erg hoog. Dat is vaste rechtspraak van de CRvB.[1] Net als in de hiervoor aangehaalde rechtspraak lukt het appellanten niet om aannemelijk te maken dat bijzondere omstandigheden moeten worden aangenomen. Hier niks nieuws onder de zon. Net als de rechtbank oordeelt ook de CRvB dat de aanvraag terecht is afgewezen omdat niet is voldaan aan de voorwaarden van art. 35 lid 1 Pw.
- Maar appellanten nemen het zekere voor het onzekere en voeren ook aan dat als het college geen bijzondere bijstand verstrekt op grond van het wettelijk kader (zie punt 3), hij dat wel moet doen op grond van de RBBU. Als eerste subsidiare beroepsgrond wordt aangevoerd dat voor de artikelen van de RBBU over de kosten van duurzame gebruiksgoederen en woninginrichting niet de (wettelijke) voorwaarde geldt dat voor deze kosten gereserveerd moet worden. Als tweede stellen appellanten dat wordt voldaan aan de voorwaarden van de bepalingen; zij motiveren dat en waarom het in hun geval gaat om vervanging van duurzame gebruiksgoederen (art. 16 RBBU) en dat en waarom zij behoren tot de doelgroep (art. 17 RBBU). En tot slot wordt een beroep gedaan op de hardheidsclausule, op grond waarvan in afwijking van het vorenstaande bijstand kan worden verleend als zeer dringende redenen daartoe noodzaken (art. 20 RBBU).
- Voor de beoordeling van de subsidiare beroepsgronden is de kwalificatie van de RBBU van belang. Omdat de kwalificatie bepaalt op welke wijze de bestuursrechter (toepassing van) het beleid toetst.[2] Het in art. 16 en 17 RBBU neergelegde beleid moet als volgt worden begrepen. Ook zonder dat zich bijzondere omstandigheden voordoen in de zin van art. 35 lid 1 Pw kan bijzondere bijstand worden verleend. Concreet: als voor de kosten wel gereserveerd had kunnen worden maar dit niet is gebeurd. Hiermee wordt een belangrijke toepassingsvoorwaarde in art. 35 lid 1 Pw in weerwil van dat artikel niet toegepast. In zoverre gaat het om tegenwettelijk begunstigend beleid. De eerste subsidiare beroepsgrond (zie punt 4) slaagt; het bestreden besluit is niet deugdelijk gemotiveerd. Kan dit gebrek worden gepaseerd met toepassing van art. 6:22 Awb? Daarvoor is de beoordeling van de andere beroepsgronden van belang. Wordt voldaan aan de voorwaarden van het tegenwettelijk begunstigend beleid?
- Tegenwettelijk begunstigend beleid wordt niet op rechtmatigheid getoetst, maar als een gegeven aanvaard. Wat wel wordt getoetst is of het bestuursorgaan heeft gehandeld in overeenstemming met het beleid; is het juist toegepast.[3] Verder ontslaat dergelijk beleid de aanvrager niet van de bewijslast om aannemelijk te maken dat wordt voldaan aan de voorwaarden om voor bijzondere bijstand in aanmerking te komen. Slagen appellanten daarin? Art. 16 RBBU bepaalt dat uitsluitend bijzondere bijstand in de vorm van een lening kan worden verstrekt voor de vervanging van duurzame gebruiksgoederen die in het artikel worden genoemd. De CRvB volgt het betoog van appellanten niet en oordeelt dat het voor hen niet gaat om de vervanging van duurzame gebruikersgoederen maar om de eerste aanschaf daarvan. Art. 17 RBBU bepaalt de regels over bijzondere bijstand voor woninginrichting voor, eenvoudig gezegd, zes doelgroepen. Niet aannemelijk is gemaakt dat appellant hiertoe behoorde. De CRvB constateert dat hij wel beschikte over een vaste verblijfplaats en een stabiel inkomen dat hoog genoeg was om te sparen. Ook waren er geen (zichtbare) woonlasten. Hij kon aldus zelf zorgen voor spullen voor woninginrichting. Er wordt dus niet voldaan aan de voorwaarden.
- Rest nog één beoordeling. Is sprake van zeer dringende redenen bedoeld in art. 20 RBBU? Het college geeft een beperkte toepassing aan de hardheidsclausule; alleen in geval van een acute noodsituatie wordt bijstand verleend. Daarvan is sprake als de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijzondere bijstand onvermijdelijk is. Volgens de CRvB is door appellanten niet aanemelijk gemaakt dat er sprake is van dringende redenen. Ook het betoog van appellanten dat het niet toepassen van de hardheidsclausule getuigt van een onevenredige hardheid leidt tot niks. De CRvB begrijpt dat de hardheidsclausule volgens appellanten ruimer worden toegepast dan het college voor ogen staat. Ook dat betoog slaagt niet. Volgens de CRvB wordt met de toepassing van deze hardheidsclasule een uitzondering gemaakt op het tegenwettelijk begunstigend beleid en is daarmee eveneens tegenwettelijk begunstigend. En zoals gezegd wordt dergelijk beleid als gegeven aanvaard en niet getoetst op de redelijkheid daarvan.
- Tot slot. Het geconstateerde gebrek genoemd onder punt 5 kan met toepassing van art. 6:22 Awb worden gepaseerd. Want ook als het gebrek zich niet had voorgedaan was de aanvraag afgewezen (zie punt 6). Vanwege het motiveringsgebrek een kostbare kwestie voor het college. Het gelijk wordt met de kostenveroordeling van ruim € 3.700,- duur betaald.
[1] Bijv. CRvB 21 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2263, <<USZ>> 2024/11, m.nt. I.M. Lunenburg, CRvB 10 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2447, <<USZ>> 2025/62, CRvB 16 september 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1383, <<USZ>> 2025/280.
[2] CRvB 15 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:700, <<USZ>> 2025/214, m.nt. L.M. Koenraad.
[3] Zie wederom de uitspraak bij voetnoot 2 en zie bijv. CRvB 14 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1535 waarin de CRvB zelf voorziet.
Yes, handgeschreven; zonder AI-:)
