Annotatie USZ: auto gekocht, recht niet vast te stellen?

CRVB:2025:1572

Verschenen in USZ 2026/33 (Sdu Uitspraken Sociale Zekerheid)

Inhoudsindicatie
Intrekking van bijstand. Herziening. Terugvordering. Schending inlichtingenverplichting. Bijschrijvingen en stortingen op diverse bankrekeningen. Inkomen. Aanschaf en tenaamstelling oude auto. Recht vaststellen. Geen aanknopingspunten voor onbekende inkomstenbron. Opdracht nieuw besluit. Door de aanschaf van de oude auto met een hoge kilometerstand en de tenaamstelling niet te melden heeft appellant de inlichtingenverplichting geschonden. Het dagelijks bestuur heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De enkele stelling dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt hoe hij de auto heeft gefinancierd zegt niets over het bestaan van een onbekende inkomsten- of vermogensbron. Het dagelijks bestuur heeft hier ten onrechte geen onderzoek naar gedaan

Noot I.M. Lunenburg

  1. In de hier opgenomen uitspraak oordeelt de CRvB over de vraag of het dagelijks bestuur kon overgaan tot het terugvorderen van de kosten van bijstand. Dit wegens schending van de inlichtingenverplichting (art. 17 lid 1 Pw) waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. In deze noot ga ik in op de twee elementen: 1) de schending van de inlichtingenverplichting en 2) of daardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.
  2. Wat was de situatie? Appellant is met zijn drie minderjarige kinderen, en later met zijn echtgenote (hierna: X) woonachtig in gemeente A. In een periode van ruim een jaar heeft het dagelijks bestuur appellant en X meerdere malen verzocht om gegevens en een toelichting op de wel bij het dagelijks bestuur bekende gegevens. Ik beperk me tot de gegevens die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit. Het betreft: bankafschriften en openingsbewijzen van de bankrekeningen van appellant en X, hun minderjarige zoon (Y) en van hun minderjarige dochter (Z) en op de bijschrijvingen en stortingen die zichtbaar zijn op de wel overgelegde bankrekeningen van appellant, X, Y en Z. Ook is verzocht om verifieerbare gegevens over te leggen over de aanschaf van een auto.
  3. Omdat (telkens) niet alle gevraagde gegevens zijn overgelegd, heeft het dagelijks bestuur het recht op bijstand opgeschort (art. 54 lid 1 Pw). Er is nogmaals verzocht om alle gevraagde gegevens over te leggen. Vervolgens zijn slechts bankafschriften van de rekening van Y overgelegd. Appellant en X wordt daarom tegengeworpen dat zij de inlichtingenverplichting hebben geschonden door de bankrekeningen van de minderjarige kinderen niet te melden. Omdat niet alles wat is gevraagd is overgelegd, kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld, aldus het dagelijks bestuur.
    Tegen het intrekkings- en terugvorderingsbesluit heeft appellant bezwaar gemaakt en daarbij heeft hij alsnog de gevraagde bankafschriften verstrekt. Er volgt op basis van de beschikbare gegevens een reconstructie van het recht op bijstand. In de bezwaarfase wordt het recht alsnog vastgesteld. De bijschrijvingen en kasstortingen op de bankrekeningen worden aangemerkt als inkomen (art. 32 Pw). En door het ontbreken van verifieerbare gegevens over de aanschaf van de auto stelt het dagelijks bestuur zich op het standpunt dat appellant hiermee de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Dat is reden om het recht op bijstand over de maand juli 2020 in te trekken, omdat niet kan worden vastgesteld of appellant in die maand (aanvullend) recht op bijstand had.
    Appellant heeft vervolgens beroep ingesteld bij de rechtbank tegen de beslissing op bezwaar, maar daar wordt bot gevangen; dat besluit blijft in stand. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens en gaat in hoger beroep.
  4. Bij de CRvB worden door appellant aan aantal hoger beroepsgronden aangevoerd. Voor wat betreft de kasstortingen en bijschrijvingen op de bankrekeningen gaat het om gronden die we vaker in de rechtspraak tegenkomen en die ook in deze zaak niet slagen. Ik laat ze daarom onbesproken in deze noot. De CRvB oordeelt dan ook dat de herziening over de periode van 1 april 2017 tot en met 31 december 2019 in stand blijft. De beroepsgrond die wel slaagt heeft betrekking op de gevolgen van het niet melden dat op naam van appellant sinds juli 2020 een auto staat geregistreerd en dat daarom het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het gaat om een vijftien jaar oude auto met, volgens appellant, een hoge kilometerstand. Hij stelt de auto gekocht te hebben via Marktplaats voor € 600,- en contant betaald. Volgens de CRvB heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting wel geschonden door geen melding van te maken van de aankoop van de auto. Dat had hem, volgens vaste rechtspraak, redelijkerwijs duidelijk moeten zijn.[1] Daarbij is niet van belang dat het om een oude auto gaat die een hoge kilometerstand heeft. Maar voor zover appellant heeft aangevoerd dat het recht op bijstand wel kan worden vastgesteld, slaagt de beroepsgrond. Want op het dagelijks bestuur rust ook de bewijslast om aannemelijk te maken dat door een schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. En volgens de CRvB wordt aan die bewijslast niet voldaan.
  5. De enkele stelling dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt hoe hij de auto heeft gefinancierd volstaat daarvoor niet, aldus de CRvB. Het door appellant gestelde aankoopbedrag van € 600,- is namelijk niet een bedrag dat onmogelijk uit de bijstandsnorm zou kunnen worden gefinancierd. Interessant is de vraag waar de grens ligt. Een (gestelde) waarde van € 600,- is allesbehalve een bovengemiddelde waarde en zegt daarom niets over het bestaan van een onbekende inkomsten- of vermogensbron in de maand juli 2020. Daar zijn in deze zaak ook geen andere aanknopingspunten voor te vinden in die maand. Zou het nog tot een andere uitkomst kunnen leiden? Dat is mogelijk. Want het dagelijks bestuur hoeft niet uit te gaan van de door appellant gestelde waarde. Ook kan een gerechtvaardigd vermoeden aanwezig zijn waaruit blijkt dat sprake is van een onbekende inkomstenbron. Het ligt op de weg van het dagelijks bestuur hiernaar onderzoek te doen. En dat heeft het dagelijks bestuur niet gedaan.

[1] CRvB 18 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1882, CRvB 19 januari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:402.

©Ingeborg Lunenburg opleiding + advies

Yes, handgeschreven; zonder AI-:)

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*