Weblog


Verbod op inkomensgrenzen, waar of niet waar? - zaterdag 12 november 2011

Trouwe lezers heb ik afgelopen week tekort gedaan. Vorige week weblog gemist? Dit weekend komen er twee. Te beginnen met het antwoord op de vraag of het hanteren van inkomensgrenzen onder de Wmo is toegestaan.

Antwoorden 1ste termijn debat begroting VWS
In de antwoorden van de minister en de staatssecretaris springt er een in het oog. Het gaat om het antwoord op de vraag van het Kamerlid Venrooy-Van Ark (VVD). Zij heeft de vraag gesteld of gemeenten zelfstandig inkomenspolitiek mogen voeren. Aanleiding voor deze vraag is de inmiddels landelijke trend om bezuinigingen door te voeren in de Wmo.
 
In de meeste gemeenten gebeurt dit door het hanteren van inkomensgrenzen of het 'opplussen' van de voorzieningen (lees ook: resultaatgebieden) die onder de inkomensgrens vallen. Traditioneel uit de WVG kennen we de bepaling dat een 'auto of daarmee vergelijkbare voorziening' niet in aanmerking komt voor verstrekking, als de aanvrager een inkomen heeft van 150% van de toepasselijke bijstandsnorm. De ratio is dat met een dergelijk inkomen zelf kan worden voorzien in de vervoerskosten (CRvB 18-06-2008, BD6238 WVG).
Nieuw in Wmo-land zijn bepalingen dat alle voorzieningen gericht op het zich lokaal verplaatsen en een indicatie voor drie uur hulp bij het huishouden per week, worden geweigerd met een dergelijk inkomen.
 
Antwoord op de vraag Lid Venrooy-Van Ark
In de brief aan de Tweede Kamer staat het volgende antwoord. "De Wmo gaat in artikel 4 lid 2 uit van de gedachte, dat bij het bepalen van de voorzieningen voor maatschappelijke ondersteuning een gemeente, conform het compensatiebeginsel, rekening houdt met de persoonskenmerken, de behoefte en de capaciteit van de aanvrager om uit het oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien. De gemeente kan vervolgens bepalen of aan betrokkene voor de voorziening een eigen bijdrage wordt gevraagd. De Wmo gaat uit van een individuele toetsing per cliënt en staat niet toe dat gemeenten in hun verordening een inkomensgrens instellen, waarboven geen aanspraak op een voorziening gemaakt kan worden."
 
Schept het antwoord duidelijkheid?
Ik vind van niet. Je kunt uit het antwoord concluderen dat gemeenten slechts bevoegd zijn om een eigen bijdrage te vragen en dat daarmee het stellen van inkomensgrenzen niet is toegestaan. Dat lijkt in ieder geval de conclusie die de VVD-fractie in een gemeente trekt uit het antwoord. Maandag a.s. staan aldaar de plannen om een inkomensgrens te hanteren voor vervoersvoorzieningen op de agenda van de gemeenteraad.
 
Ik deel deze conclusie nadrukkelijk niet. Uit de parlementaire behandeling en de toelichting in het Staatsblad 2006 450, p. 16-18 blijkt nu juist dat gemeenten bevoegd zijn rekening te houden met de capaciteit van de aanvrager om uit het oogpunt van kosten zelf in de maatregelen te voorzien (artikel 4 lid 2 Wmo). Dat kan op twee manieren:
  1. Ná het toekennen van een voorziening door het vragen van een eigen bijdrage (artikel 15 Wmo). Een vereiste is dat de gemeenteraad bij verordening bepaalt dat een eigen bijdrage wordt gevraagd. In welke gevallen en wat de omvang daarvan is, mag worden gedelegeerd aan het college. Daarbij moet het college wel binnen de kaders het Besluit maatschappelijke ondersteuning blijven. De betreffende regels moeten in een Algemeen Verbindend Voorschrift worden vastgelegd.
  2. Als toegangsbepaling. Uit artikel 4 lid 2 Wmo blijkt de aard van de bevoegdheid. Die is voorbehouden aan het college en niet aan de gemeenteraad. Hierover mag geen beleid worden geformuleerd (Staatsblad 2006 450, p. 16-18). Ook lees ik in de bepaling een motiveringseis van het college in het individuele geval. Hieruit vloeit voort dat het categoriaal stellen van regels niet is toegestaan, de uitvoering van de compensatieplicht is maatwerk. De Centrale Raad heeft dat uitgangspunt in de jurisprudentie al meerdere malen uiteengezet.
Geeft de jurisprudentie antwoord?
De Centrale Raad heeft nog niet geoordeeld over de vraag of het hanteren van inkomensgrenzen onder de Wmo is toegestaan.
 
Jurisprudentie inkomensgrenzen
In CRvB 12-10-2010, BO1038 Wmo oordeelt de CRvB over een afwijzing van een aanvraag om collectief vervoer. Het college wijst de aanvraag af omdat belanghebbende beschikt over een inkomen dat hoger ligt dan de gestelde inkomensgrens als sprake is van een aanvraag om een auto of daarmee vergelijkbare voorziening. Het college stelt dat het collectief vervoer wordt aangemerkt als een met een auto vergelijkbare voorziening. De CRvB oordeelt dat het collectief vervoer naar zijn aard niet gelijkgesteld kan worden aan een met een auto vergelijkbare voorziening. De CRvB merkt daarbij nog op dat de verordening juist onderscheid maakt tussen het collectief vervoer en de mogelijke andere voorzieningen. In rechtsoverweging 4.5 van deze uitspraak staat: "nog daargelaten de vraag of de onder de Wvg tot stand gekomen jurisprudentie van betekenis is gebleven onder de Wmo, oordeelt de CRvB dan ook dat artikel 27 van de Verordening geen grondslag biedt voor het stellen van een inkomensgrens bij de toekenning van collectief vervoer”. Dit betekent dat uit deze uitspraak niet kan worden afgeleid dat het hanteren van inkomensgrenzen onder de Wmo is toegestaan.
 
Interessant is de uitspraak CRvB 12-10-2011, BT8821 Wmo. In deze zaak oordeelt de CRvB over een afwijzing van een aanvraag om een gesloten buitenwagen. Het college wijst de aanvraag af omdat belanghebbende daar medisch gezien niet op is aangewezen en stelt dat een scootmobiel en het collectief vervoer voor hem zijn aangewezen. De gemeente hanteert een inkomensgrens voor onder meer een gesloten buitenwagen. Niet betwist wordt dat het inkomen boven de gestelde grens ligt.
 
De CRvB vernietigt het besluit omdat het college het besluit onzorgvuldig heeft voorbereid.
Als eerste omdat het onderzoek beperkt is tot de vraag of er op medische en financiële gronden reden is een gesloten buitenwagen te verlenen. Daarmee is het onderzoek dus niet gericht op de vervoersbehoefte van belanghebbende. Ten tweede omdat het college belanghebbende geen keuzevrijheid heeft voorgehouden tussen een pgb een scootmobiel. Ter zitting geeft belanghebbende aan dat hij geen scootmobiel wil gebruiken vanwege een gevoel van onveiligheid.
De CRvB voorziet zelf in de zaak door te bepalen dat belanghebbende vanaf het moment dat hij de scootmobiel heeft ingeleverd in aanmerking komt voor een pgb ter hoogte van de tegenwaarde daarvan.
 
Ook in deze zaak is het hanteren van een inkomensgrens niet in geding. Zijn er aanknopingspunten waaruit kan worden afgeleid dat het hanteren van inkomensgrenzen onder de Wmo is toegestaan?
In ieder geval wijdt de CRvB geen onvertogen woord aan de gemeentelijke bepalingen daarover. In rechtsoverweging 5.2 (slot) staat dat het de taak is van het college om te inventariseren of de aanvrager beschikt over de capaciteit om uit het oogpunt van kosten zelf te voorzien in maatregelen. Dat is niet nieuw: de motiveringsplicht van het college en de volle toets van de rechter. Een oordeel, dan wel bepaling over het inkomen van de aanvrager valt mijns inziens onder de capaciteit.
 
De keuzevrijheid voor de vorm van de voorziening brengt mee dat de belanghebbende vrij is het pgb in te zetten aan een vooraf bepaald doel of activiteit. Deze uitspraak sluit aan in de rij van vaste jurisprudentie daarover.
 
In rechtsoverweging 5.5 brengt het college via een omweg toch de inkomensgrens in. Het beleid van de gemeente in kwestie bepaalt dat voor een scootmobiel geen pgb wordt verstrekt. het college onderkent dat deze bepaling in strijd is met artikel 6 Wmo en het beleid wordt/is aangepast. Het college stelt echter dat het pgb - ter hoogte van de tegenwaarde van een scootmobiel - alleen voor die voorziening mag worden aangewend en niet voor de aanschaf van een gesloten buitenwagen. Daarmee wordt anders - volgens het college - de inkomensgrens voor die voorziening omzeild. Daarin kan de CRvB het college niet volgen. Immers, voor een scootmobiel hanteert de gemeente juist geen inkomensgrens.
 
Mijns inziens kan ook uit deze uitspraak niet zonder meer worden afgeleid dat inkomensgrenzen onder de Wmo zijn toegestaan. Wel kan het met een bepaald inkomen algemeen gebruikelijk zijn om zelf te voorzien in bijvoorbeeld de kosten van vervoer (vergelijk CRvB 18-06-2008, BD6238 WVG). Het stellen van inkomensgrenzen kan mijns inziens dan ook als lex specialis gelden van de algemene bepaling dat een voorziening algemeen gebruikelijk is voor de persoon van de aanvrager. Daar is de gemeenteraad wel bevoegd om regels over te stellen bij verordening (artikel 5 Wmo).
Het rekening houden met de kosten van het Openbaar Vervoer valt overigens ook onder de capaciteit van de aanvrager (CRvB 26-11-2009, BK4611 Wmo).
 
Verder meen ik - in het algemeen - dat een besluit individueel gemotiveerd moet worden op:
  1. de lichamelijke, geestelijke en verstandelijk zelfredzaamheid; en
  2. de financiële zelfredzaamheid
De bepaling van artikel 4 lid 2 Wmo biedt - juridisch gezien - meer ruimte dan mogelijk wordt gedacht. Uit de Kamerstukken kan worden afgeleid dat naast het inkomen ook het vermogen van de aanvrager kan worden betrokken bij een oordeel over diens capaciteit.
Wil je daarover van gedachten wisselen, voorbeeldbepalingen, casuïstiek bespreken en rekenvoorbeelden in Excel ontvangen, schrijf je dan in voor de Studiemiddag Capaciteit van de aanvrager op 30 januari 2012 in Arnhem.
 
Advies over nieuw te formuleren beleid over dit onderwerp is ook mogelijk.
Tot zondag!
 
Ingeborg

Reacties:

Thank you so much for this atcrile, it saved me time!

ezescpUElBYEF- 11-01-2012

Reageren:

Spam-beveiliging


Terug naar de vorige pagina >