Weblog


Kort geding Staat, eigen bijdrage rechtsbijstand, terugvorderen op maat en Wmo-jurisprudentie - zondag 10 juli 2011

Kort geding tegen de Staat
Bron: Trouw
Aanstaande woensdag dient een kort geding bij de rechtbank 's-Gravenhage over de bezuinigingen op de sociale werkvoorziening. Het kort geding wordt aangespannen door twintig gemeenten samen met Cedris, de brancheorganisatie van sociale werkplaatsen. Gemeenten lopen namelijk grote financiële risico´s nu de gestegen loonkosten niet meer worden gecompenseerd en de sociale werkplaatsen door een korting op de budgetten middelen mislopen. Dat laatste heeft onder meer te maken met de beoogde bezuiniging door de sociale werkvoorziening, de WWB, de WIJ en de Wajong samen te voegen tot één regeling: de Wet werken naar vermogen.

Deze bezuinigingen vormden voor gemeenten ook aanleiding voor de stelling dat het onderdeel werk (paragraaf 6.1 Bestuursakkoord) een verantwoordelijkheid is van het Rijk. De modernisering van het beleidsterrein werk is - naar oordeel van de VNG - een proces tussen het Kabinet en de Staten Generaal. Over de vraag of het Bestuursakkoord nu wel tot stand is gekomen verschilden de VNG en het Kabinet van mening.

Eigen bijdrage rechtsbijstand
Een mooi onderwerp om tijdens de Studiedag Bijzondere bijstand op 13 september uitgebreid te bespreken. Daarvoor zijn nog plaatsen beschikbaar, klik hier om je in te schrijven.

Het hoeft geen betoog dat de kosten van een eigen bijdrage door de voorliggende voorziening moeten worden beoordeeld op grond van artikel 35 WWB, tenzij daaraan een besparingsmotief ten grondslag ligt. Zie CRvB 28-04-2009, BI4178 WWB voor de eigen bijdrage van orthopedisch schoeisel, waarvoor het college dan niet bevoegd is bijstand te verlenen (artikel 15 WWB).

Ik meen ook dat - in beginsel - de kosten van de eigen bijdrage als noodzakelijke kosten moeten worden aangemerkt. Dit betekent overigens niet dat altijd bijzondere bijstand moet worden verleend; de kosten moeten immers ook voortvloeien uit de bijzondere omstandigheden. Hoe zit dat met bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage voor rechtsbijstand?

Differentiatie eigen bijdrage rechtsbijstand
Sinds 1 juli 2011 is het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand (Bebr) en het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (Bvr) gewijzigd (Staatsblad 2011, 322). Aanleiding hiervoor is de wens om rechtzoekenden te stimuleren zoveel mogelijk gebruik te maken van het Juridisch Loket bij het oplossen van juridische problemen.

Naast de al bestaande differentiatie in de hoogte van de eigen bijdrage op grond van het inkomen en vermogen is daar nu een nadere differentiatie aan toegevoegd in de hoogte van de eigen bijdrage en het systeem van gratis rechtshulp door het Juridisch Loket. Ook wordt de bevoorschotting aan advocaten verder teruggebracht.

Kosteloos eerstelijns rechtsbijstand
Het Juridisch Loket verstrekt kosteloze rechtsbijstand in de eerste lijn door middel van informatie, vraagverheldering en advisering bij juridische vragen. Het bevorderen van het gebruik van mediation, het verwijzen naar een mediator alsmede het benaderen van de wederpartij vallen hier ook onder. Volstaat eerstelijns rechtsbijstand niet, dan verwijst het Juridisch Loket naar instanties of rechtsbijstandverleners, veelal advocaten.
 
Verlaging eigen bijdrage
Is aan een rechtzoekende in persoon rechtshulp verleend (door het Juridisch Loket), dan wordt de eigen bijdrage verlaagd met € 50,- (artikel 2 lid 6 Bebr). In het kader van de bedoelde rechtshulp moet door het Juridisch Loket een diagnosedocument worden opgesteld en ter beschikking worden gesteld aan de rechtzoekende (zie artikel 1 lid 2 onder d Bebr). Het diagnosedocument is een schriftelijk (mogelijk elektronisch) document waarin het volgende moet zijn opgenomen:
  • een analyse van het juridisch probleem
  • een advies; en
  • zonodig een doorverwijzing naar ter zake doende instanties en rechtsbijstandverleners

Het Juridisch Loket krijgt hiermee versterking van de filterfunctie voordat rechtzoekenden doorstromen (of direct een beroep op) naar verdergaande relatief dure rechtsbijstand. Deze functie wordt aangeduid met "diagnose en triage". De op te leggen verlaagde eigen bijdrage is een financiële prikkel voor degene die een verzoek doet om toevoeging van een advocaat. Rechtzoekenden zullen daarmee (mogelijk) een afweging maken tussen enerzijds het belang dat is gemoeid met het verkrijgen van rechtsbijstand en anderzijds de kosten van de eigen bijdrage. Lichtvaardig procederen kan hiermee worden voorkomen.

Bijzondere bijstand
In de Nota van Toelichting staat dat enige terughoudendheid bij het honoreren van bijzondere bijstand past om het systeem van gesubsidieerde rechtsbijstand financieel beheersbaar te houden. Daarbij is het van belang dat telkens wordt beoordeeld of rechtzoekenden ook daadwerkelijk in aanmerking komen voor de verlaagde eigen bijdrage. Bepaalde zaken zijn van dien aard dat deze worden uitgezonderd van het systeem van diagnose en triage. Voorbeelden zijn bepaalde strafzaken en asielzaken (zie ook de limitering in artikel 2 lid 7 Bebr). Daarnaast heeft het bestuur de bevoegdheid om de hardheidsclausule toe te passen voor die gevallen waarin het de rechtzoekende niet kan worden verweten dat niet eerst een beroep op het Juridisch Loket heeft gedaan. Is daarvan sprake, dan kan een verlaagde eigen bijdrage worden opgelegd  (artikel 2 lid 8 Bebr). Ook is te lezen dat de bewijslast voor de noodzaak van de kosten bij de aanvrager kan worden neergelegd door het verplicht overhandigen van een diagnosedocument van het Juridisch Loket.
 
Bewijslast algemeen
Ik vraag me af of de bewijslast in verband met de verlaagde eigen bijdrage volledig voor rekening komt van de aanvrager. Kan het college volstaan met het opleggen van een bewijsplicht door het overhandigen van een diagnosedocument van het Juridisch Loket? Kan de aanvrager hierover redelijkerwijs beschikken, dan zou het antwoord ja kunnen zijn. Maar ik vraag me af of het Juridisch Loket achteraf nog een dergelijk document zal of nog zal kunnen opstellen. Is dat niet het geval, dan rust - mijns inziens - op het college de bewijslast zich onderbouwd op het standpunt te stellen dat in geval van het juridische probleem van de aanvrager het op zijn weg had gelegen om het Juridisch Loket om rechtshulp te verzoeken en dat daarmee de hoogte van de eigen bijdrage verlaagd zou zijn met € 50,-.  
 
Staatssecretaris De Krom roept gemeenten - in de Verzamelbrief SZW juni 2011 - op om bij de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand voor de kosten van de eigen bijdrage rechtsbijstand rekening te houden met de wijziging van het Besluit.
 
Stel, de aanvrager om bijzondere bijstand heeft zich niet eerst tot het Juridisch Loket gewend en heeft de hoge eigen bijdrage opgelegd gekregen. Mag het college bij het vaststellen van de hoogte van de bijzondere bijstand daarop € 50,- in mindering brengen? En zo ja, wat is de grondslag van een dergelijk besluit?
 
Tekortschietend besef
Legt het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid ten grondslag aan het besluit, dan betekent dit dat er ten principale recht bestaat op bijzondere bijstand voor de hoge eigen bijdrage. Dat is overigens in de lijn van de jurisprudentie van de CRvB (zie kopje jurisprudentie rechtsbijstand). Daarnaast kan de bijzondere bijstand onder toepassing van artikel 18 lid 2 WWB alleen worden afgestemd als daarop ook daadwerkelijk recht bestaat.

De mogelijkheid om de bijzondere bijstand af te stemmen vloeit voort uit artikel 18 lid 2 jo. artikel 5 onder a WWB. Om de bijzondere bijstand vanwege tekortschietend besef af te kunnen stemmen moet de afstemmingsverordening voorzien in:

  1. De bepaling over de gedraging tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.
  2. De normering (hoogte en duur) die in voorkomende gevallen wordt toegepast.

Opgemerkt wordt dat de meeste - bij mij bekende - afstemmingsverordeningen de bijzondere bijstand uitsluiten van de mogelijkheid tot afstemmen. Meestal bepaalt de verordening namelijk dat (alleen) de algemene bijstand en de bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 12 WWB wordt afgestemd.

Vereisten afstemmen van de bijstand
Stel, de afstemmingsverordening voldoet wel aan de hierboven genoemde voorwaarden. Het college komt dan toe aan het oordeel of de bijzondere bijstand wordt afgestemd, en zo ja in welke mate dat dan gebeurd. Aan artikel 18 lid 1 WWB ligt het algemene individualiseringsbeginsel ten grondslag. In de meeste - bij mij bekende - afstemmingsverordeningen is dit beginsel nader uitgewerkt in een algemene bepaling. Die schrijft voor dat het college bij het toepassen van de verlaging rekening houdt met:
  • de omstandigheden van het individu; en
  • de ernst van de gedraging; en
  • de mate van verwijtbaarheid.

De zorgvuldige voorbereiding van een besluit (artikel 3:2 Awb) en het motiveringsbeginsel (artikel 3:46 Awb) brengen mee dat de genoemde overwegingen ook daadwerkelijk aan bod moeten komen bij het afstemmingsbesluit. Daarnaast voorziet de afstemmingsverordening doorgaans in een bepaling dat het college kan afzien van het van het opleggen van een verlaging als daarvoor een dringende reden aanwezig is. Voorziet de afstemmingsverordening ook nog in de mogelijkheid tot het geven van waarschuwing in plaats van de (bijzondere) bijstand af te stemmen, dan behoort de afweging om dat niet te doen ook tot de zorgvuldige voorbereiding van het besluit.

Ik concludeer dat - mede gelet op alle te beoordelen overwegingen - het op voorhand zeker niet vaststaat dat de bijzondere bijstand vanwege tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan worden afgestemd met de bedoelde € 50,-. Het college zal daarbij (achteraf) moeten beoordelen of belanghebbende in aanmerking had kunnen komen voor eerstelijns rechtsbijstand door het Juridisch Loket (diagnose en triage) en dat daarmee de hoogte van de eigen bijdrage verlaagd zou zijn met € 50,-. 

Geen bijzondere omstandigheden
Ik meen dat een afwijzing op grond van artikel 35 WWB meer kans van slagen heeft als de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd zijn opgekomen door aan de aanvrager te verwijten gedragingen. Daarmee wordt de gedraging bedoeld dat niet eerst een beroep is gedaan op het Juridisch Loket waardoor de verlaging van € 50,- als bedoeld in artikel 2 lid 6 Bebr niet is toegepast. Zijn de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd noodzakelijk, dan moet het college immers ook nog de vraag beantwoorden of het gaat om uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten. Dat zijn twee vragen die - strikt genomen - elk apart hun antwoord behoeven maar wel in onderlinge samenhang moeten worden bezien.
 
Het kan zijn dat het college (achteraf) kan beoordelen dat belanghebbende in aanmerking had kunnen komen voor eerstelijns rechtsbijstand door het Juridisch Loket (diagnose en triage) en dat daarmee de hoogte van de eigen bijdrage verlaagd zou zijn met € 50,-. In die gevallen kan het college volstaan met het vergoeden van de opgelegde hoge eigen bijdrage minus € 50,-. De aanvrager had immers dat deel van de kosten kunnen voorkomen.
 
Ik zie uit naar jurisprudentie over dit vraagstuk.

In de onderstaande tekst staan een paar uitspraken over bijzondere bijstand voor de kosten van rechtsbijstand. Twee daarvan zijn ook genoemd in de Nota van Toelichting in het Staatsblad.

Jurisprudentie rechtsbijstand
CRvB 10-08-2010, LJN BN3897 WWB
In deze zaak oordeelt de CRvB over een afwijzing van een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten in verband met een aanvraag Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP). Naar het oordeel van de CRvB moet een aanvraag om toepassing van een schuldsaneringsregeling als bedoeld in de WSNP worden bestempeld als het treffen van een afbetalingsregeling in de zin van artikel 7 van het Brt. Dit betekent dat op grond van artikel 12 lid 2 aanhef en onder g Wrb en artikel 7 Brt vergoeding van de kosten van een aanvraag voor schuldsanering ingevolge de WSNP binnen de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk is aangemerkt. De CRvB heeft hierbij mede in aanmerking genomen dat gemeenten - en namens hen de gemeentelijke kredietbanken - op grond van de WSNP bij het doen van een aanvraag hulp moeten verlenen.
 
CRvB 28-04-2009, BI4612 WWB
In deze zaak oordeelt de CRvB over een aanvraag om bijzondere bijstand voor de gemaakt voor diverse juridische procedures waaronder faxkosten, telefoonkosten en reiskosten. Naar oordeel van de CRvB geldt het Besluit proceskosten bestuursrecht als toereikende en passende voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15 WWB voor de reiskosten die rechtstreeks verband houden met bijwonen van zittingen bij de bestuursrechter.

De reiskosten, faxkosten en telefoonkosten die zijn gemaakt voor het voeren van overleg met hun advocaat en het voorbereiden van zittingen worden niet beschouwd als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten. De CRvB neemt daarbij in aanmerking dat aan belanghebbenden voor het voeren van bestuursrechtelijke procedures een advocaat was toegevoegd. In de vergoeding die de advocaat ontvangt voor het verlenen van die rechtshulp is ook vergoeding begrepen van de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd. De acute noodzaak van de kosten omdat zij - vanwege slechte ervaringen met een advocaat - zich intensief wilde bemoeien met de werkzaamheden van de huidige advocaat is - naar oordeel van de CRvB - niet gebleken.

CRvB 31-10-2006, AZ1426 WWB
In deze zaak oordeelt de CRvB over de afwijzing van een aanvraag om bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage in de kosten van rechtsbijstand. Het college wijst de aanvraag af en handhaaft dat besluit in bezwaar. Daaraan ligt ten grondslag dat de Wet op de rechtsbijstand een toereikende en passende voorliggende voorziening is (artikel 15 WWB).

De CRvB oordeelt dat niet voor de kosten van rechtsbijstand een aanvraag is ingediend maar voor de kosten van de eigen bijdrage van de rechtsbijstand. Is een toevoeging op grond van de Wrb verleend, dan kan in beginsel de noodzaak voor het verlenen van rechtshulp worden aangenomen. Daarmee is de voorliggende voorziening niet toereikend en is het college bevoegd bijzondere bijstand te verlenen. Volgens vaste jurisprudentie kunnen de kosten die de Wrb voor eigen rekening laat - zoals de eigen bijdrage - tot de bijzonder noodzakelijke kosten van het bestaan worden gerekend die redelijkerwijs niet uit een inkomen op bijstandsniveau kunnen worden voldaan.

CRvB 31-03-2004, LJN AO8719 NABW
In deze zaak oordeelt de CRvB dat artikel 17 NABW [thans artikel 15 WWB] in de weg aan staat bijstandsverlening voor de kosten van een accountant wegens werkzaamheden die betrekking hebben op het doen van aangifte inkomstenbelasting en op het maken van bezwaar en het instellen van beroep in een belastingzaak. Voor het doen van aangifte inkomstenbelasting kan op grond van artikel 8 lid 1 aanhef en onder d Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria (Besluit) geen toevoeging worden verleend. Voor het indienen van een bezwaarschrift in een belastingzaak kan op grond van artikel 8 lid 1 aanhef en onder e van het Besluit geen toevoeging worden verleend, als het bezwaar uitsluitend betrekking heeft op een geschil van feitelijke of rekenkundige aard. Artikel 8 lid 2 van het Besluit bepaalt dat - in afwijking van het voorgaande - een toevoeging kan worden verleend, als de bijzondere feitelijke of juridische ingewikkeldheid van het geval dat vereist.
 
Handreiking terugvordering op maat
Bron: gemeenteloket
Het is noodzakelijk extra aandacht te besteden aan het terugdringen en voorkomen van vorderingen. In 2010 is een project uitgevoerd door vijf gemeenten en één ISD (Leiden, Nijmegen, Twenterand, Geertruidenberg, Rotterdam en ISD Optimisd). Dit heeft geresulteerd in de Handreiking Terugvordering op Maat. Deze handreiking gaat in op knelpunten in de praktijk van de gemeentelijke uitvoering en reikt oplossingen aan:
  • Hoe kan het oplopen van hoge vorderingen worden voorkomen?
  • Hoe krijg ik ‘blije betalers'?
  • Hoe kunnen gemeenten hoge bedragen aan openstaande vorderingen stapsgewijs afbouwen?
Ingangsdatum AOW
Op 8 juli 2011 stuurde Minister Kamp een wetsvoorstel naar de Tweede Kamer. Dit wetsvoorstel regelt dat het AOW-ouderdomspensioen ingaat op de dag waarop die pensioengerechtigde leeftijd wordt bereikt. Nu is dat nog de eerste dag van de maand waarin iemand die leeftijd bereikt. De beoogde inwerkingtreding is 1 januari 2012.
 
Wmo-jurisprudentie
CRvB 08-06-2011, BQ9023 Wmo
In deze zaak oordeelt de CRvB over de afwijzing van een aanvraag om een vervoersvoorziening in de vorm van een scootmobiel.

Belanghebbende is bekend met een aandoening aan het bewegingsstelsel. Daarvan ondervindt hij pijnklachten aan de voeten en verminderde stabiliteit in de enkels. Buitenhuis en voor minder dan 800 meter loopt hij met een stok. Verder lopen leidt tot pijnklachten en vermoeidheid. De behandelend arts geeft aan dat er geen duidelijk objectiveerbare aandoening bekend is die de klachten van betrokkene kan verklaren.

Het college wijst de aanvraag - mede gebaseerd op het advies van de GG&GD - af en handhaaft dat besluit in bezwaar. Daaraan ligt de beleidsregel ten grondslag waarin is bepaald dat iemand alleen in aanmerking komt voor een scootmobiel als de loopafstand korter is dan 800 meter.

De CRvB oordeelt dat niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende ten tijde in geding niet meer dan 800 meter kon lopen. De afwijzing mocht zijn gebaseerd op het advies.
 
CRvB 01-06-2011, BQ8290 Wmo
In deze zaak oordeelt de CRvB over een afwijzing van een woonvoorziening in de vorm van een extra deur in de buitenberging.

Belanghebbende is bekend met beperkingen waarvoor aan haar een vervoers- en een woonvoorziening alsmede huishoudelijke hulp voor zes uur per week is toegekend. Zij doet een aanvraag om - onder meer - een woonvoorziening in de vorm van een extra deur in de buitenberging.

Het college wijst de aanvraag af en handhaaft dat besluit in bezwaar. Daaraan ligt ten grondslag dat de gevraagde voorziening niet langdurig noodzakelijk is om de beperkingen in het normale gebruik van de woning opheffen. Het college stelt zich op het standpunt dat de bedoelde beperkingen kunnen worden beperkt of opgeheven door het anders organiseren van het huishouden. Daardoor kan het gebruik van de buitenberging worden beperkt en de alsdan als incidenteel aan te merken bezoeken aan de buitenberging kunnen door de huishoudelijke hulp worden afgelegd. Bovendien - zo stelt het college - behoort het gebruik van de buitenberging niet tot het normale gebruik van de woning.

Belanghebbende stelt dat haar zelfredzaamheid wordt beperkt doordat de buitenberging vanwege de afstand tussen de woning en de buitenberging voor haar niet bereikbaar is. Een extra deur zou die afstand beperken en dat zou haar de mogelijkheid geven de buitenberging weer te bereiken en te gebruiken zowel voor de stalling van haar rolstoel als voor andere spullen. Voor de rolstoel is - volgens belanghebbende - nu geen plek in de woning en het anders organiseren van het dagelijkse leven of het huishouden is niet mogelijk. De ruimte in de woning wordt al optimaal benut. Omdat belanghebbende nu zelf niet in staat is de buitenberging te bereiken is het opslaan van spullen uit de woning in de buitenberging niet mogelijk. Daarnaast heeft haar huishoudelijke hulp te weinig tijd om spullen naar de buitenberging te brengen of uit die berging op te halen.

Tevens beroept zij zich op het gelijkheidsbeginsel. Aan een nadere bewoner van het complex is namelijk wel een extra deur in de buitenberging verstrekt. Hoewel die deur is aangebracht om de scootmobiel in de buitenberging te plaatsen, ziet belanghebbende een overeenkomst met haar situatie waarin zij haar rolstoel in de buitenberging wil kunnen plaatsen.

De rechtbank verklaart het beroep van belanghebbende ongegrond. Daartoe overweegt de rechtbank dat belanghebbende haar huishouden zodanig kan inrichten dat in haar woning ruimte ontstaat voor de stalling van haar rolstoel. Zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat het onmogelijk is om door herinrichting of verplaatsing van de aanwezige spullen een plek voor haar rolstoel te creëren. Verlangt mag worden dat zij haar buitenberging gebruikt voor de opslag van voorwerpen die zij niet dagelijks nodig heeft en dat zij hierdoor ruimte creëert voor de stalling van haar rolstoel in de woning. Ook kan van de huishoudelijke hulp verlangd worden dat deze spullen opbergt in de buitenberging dan wel uit de buitenberging ophaalt.

De CRvB is op dezelfde grond als de rechtbank van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat het - gelet op de in haar woning aanwezige ruimten - onmogelijk is om door herinrichting of verplaatsing van een aantal aanwezige zaken naar de buitenberging een plek voor haar (inklapbare) rolstoel te creëren. Ter zitting en uit de dossierstukken blijkt dat zij in de woning spullen bewaart dan wel opslaat die - gelet op de aard van die spullen - sporadisch worden gebruikt. De CRvB noemt de volgende voorbeelden: de reserveplavuizen, de vloerbedekkingstegels, de kerstspullen, de meststof voor de tuin, de tuinmeubelen en de vogelhuisjes. Van belanghebbende mag worden verlangd dat zij haar buitenberging gebruikt voor de opslag van dergelijke voorwerpen die zij slechts incidenteel nodig heeft en dat zij hierdoor ruimte creëert voor de stalling van haar rolstoel in de (binnenberging in haar) woning. Daarnaast is de CRvB - net als de rechtbank - van oordeel dat van de huishoudelijke hulp verlangd kan worden dat zij spullen opbergt in de buitenberging dan wel uit de buitenberging ophaalt.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Er is geen sprake van gelijke gevallen omdat de toekenning van de extra deur aan een medebewoner is gebeurd op een moment waarop de Wmo nog (lang) niet in werking was getreden.

Op 7 augustus beginnen de weblogs weer met onder meer de Pakketadviezen 2012.

Tot dan een hele fijne vakantie gewenst!

Ingeborg

Reacties:

Er zijn nog geen reacties op dit bericht geplaatst.

Reageren:

Spam-beveiliging


Terug naar de vorige pagina >