Weblog
| Kort geding Staat, eigen bijdrage rechtsbijstand, terugvorderen op maat en Wmo-jurisprudentie - zondag 10 juli 2011 |
Deze bezuinigingen vormden voor gemeenten ook aanleiding voor de stelling dat het onderdeel werk (paragraaf 6.1 Bestuursakkoord) een verantwoordelijkheid is van het Rijk. De modernisering van het beleidsterrein werk is - naar oordeel van de VNG - een proces tussen het Kabinet en de Staten Generaal. Over de vraag of het Bestuursakkoord nu wel tot stand is gekomen verschilden de VNG en het Kabinet van mening.
Het hoeft geen betoog dat de kosten van een eigen bijdrage door de voorliggende voorziening moeten worden beoordeeld op grond van artikel 35 WWB, tenzij daaraan een besparingsmotief ten grondslag ligt. Zie CRvB 28-04-2009, BI4178 WWB voor de eigen bijdrage van orthopedisch schoeisel, waarvoor het college dan niet bevoegd is bijstand te verlenen (artikel 15 WWB).
Ik meen ook dat - in beginsel - de kosten van de eigen bijdrage als noodzakelijke kosten moeten worden aangemerkt. Dit betekent overigens niet dat altijd bijzondere bijstand moet worden verleend; de kosten moeten immers ook voortvloeien uit de bijzondere omstandigheden. Hoe zit dat met bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage voor rechtsbijstand?
Naast de al bestaande differentiatie in de hoogte van de eigen bijdrage op grond van het inkomen en vermogen is daar nu een nadere differentiatie aan toegevoegd in de hoogte van de eigen bijdrage en het systeem van gratis rechtshulp door het Juridisch Loket. Ook wordt de bevoorschotting aan advocaten verder teruggebracht.
-
een analyse van het juridisch probleem
-
een advies; en
-
zonodig een doorverwijzing naar ter zake doende instanties en rechtsbijstandverleners
Het Juridisch Loket krijgt hiermee versterking van de filterfunctie voordat rechtzoekenden doorstromen (of direct een beroep op) naar verdergaande relatief dure rechtsbijstand. Deze functie wordt aangeduid met "diagnose en triage". De op te leggen verlaagde eigen bijdrage is een financiële prikkel voor degene die een verzoek doet om toevoeging van een advocaat. Rechtzoekenden zullen daarmee (mogelijk) een afweging maken tussen enerzijds het belang dat is gemoeid met het verkrijgen van rechtsbijstand en anderzijds de kosten van de eigen bijdrage. Lichtvaardig procederen kan hiermee worden voorkomen.
De mogelijkheid om de bijzondere bijstand af te stemmen vloeit voort uit artikel 18 lid 2 jo. artikel 5 onder a WWB. Om de bijzondere bijstand vanwege tekortschietend besef af te kunnen stemmen moet de afstemmingsverordening voorzien in:
-
De bepaling over de gedraging tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.
-
De normering (hoogte en duur) die in voorkomende gevallen wordt toegepast.
Opgemerkt wordt dat de meeste - bij mij bekende - afstemmingsverordeningen de bijzondere bijstand uitsluiten van de mogelijkheid tot afstemmen. Meestal bepaalt de verordening namelijk dat (alleen) de algemene bijstand en de bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 12 WWB wordt afgestemd.
-
de omstandigheden van het individu; en
-
de ernst van de gedraging; en
-
de mate van verwijtbaarheid.
De zorgvuldige voorbereiding van een besluit (artikel 3:2 Awb) en het motiveringsbeginsel (artikel 3:46 Awb) brengen mee dat de genoemde overwegingen ook daadwerkelijk aan bod moeten komen bij het afstemmingsbesluit. Daarnaast voorziet de afstemmingsverordening doorgaans in een bepaling dat het college kan afzien van het van het opleggen van een verlaging als daarvoor een dringende reden aanwezig is. Voorziet de afstemmingsverordening ook nog in de mogelijkheid tot het geven van waarschuwing in plaats van de (bijzondere) bijstand af te stemmen, dan behoort de afweging om dat niet te doen ook tot de zorgvuldige voorbereiding van het besluit.
Ik concludeer dat - mede gelet op alle te beoordelen overwegingen - het op voorhand zeker niet vaststaat dat de bijzondere bijstand vanwege tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan worden afgestemd met de bedoelde € 50,-. Het college zal daarbij (achteraf) moeten beoordelen of belanghebbende in aanmerking had kunnen komen voor eerstelijns rechtsbijstand door het Juridisch Loket (diagnose en triage) en dat daarmee de hoogte van de eigen bijdrage verlaagd zou zijn met € 50,-.
In de onderstaande tekst staan een paar uitspraken over bijzondere bijstand voor de kosten van rechtsbijstand. Twee daarvan zijn ook genoemd in de Nota van Toelichting in het Staatsblad.
De reiskosten, faxkosten en telefoonkosten die zijn gemaakt voor het voeren van overleg met hun advocaat en het voorbereiden van zittingen worden niet beschouwd als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten. De CRvB neemt daarbij in aanmerking dat aan belanghebbenden voor het voeren van bestuursrechtelijke procedures een advocaat was toegevoegd. In de vergoeding die de advocaat ontvangt voor het verlenen van die rechtshulp is ook vergoeding begrepen van de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd. De acute noodzaak van de kosten omdat zij - vanwege slechte ervaringen met een advocaat - zich intensief wilde bemoeien met de werkzaamheden van de huidige advocaat is - naar oordeel van de CRvB - niet gebleken.
De CRvB oordeelt dat niet voor de kosten van rechtsbijstand een aanvraag is ingediend maar voor de kosten van de eigen bijdrage van de rechtsbijstand. Is een toevoeging op grond van de Wrb verleend, dan kan in beginsel de noodzaak voor het verlenen van rechtshulp worden aangenomen. Daarmee is de voorliggende voorziening niet toereikend en is het college bevoegd bijzondere bijstand te verlenen. Volgens vaste jurisprudentie kunnen de kosten die de Wrb voor eigen rekening laat - zoals de eigen bijdrage - tot de bijzonder noodzakelijke kosten van het bestaan worden gerekend die redelijkerwijs niet uit een inkomen op bijstandsniveau kunnen worden voldaan.
-
Hoe kan het oplopen van hoge vorderingen worden voorkomen?
-
Hoe krijg ik ‘blije betalers'?
-
Hoe kunnen gemeenten hoge bedragen aan openstaande vorderingen stapsgewijs afbouwen?
Belanghebbende is bekend met een aandoening aan het bewegingsstelsel. Daarvan ondervindt hij pijnklachten aan de voeten en verminderde stabiliteit in de enkels. Buitenhuis en voor minder dan 800 meter loopt hij met een stok. Verder lopen leidt tot pijnklachten en vermoeidheid. De behandelend arts geeft aan dat er geen duidelijk objectiveerbare aandoening bekend is die de klachten van betrokkene kan verklaren.
Het college wijst de aanvraag - mede gebaseerd op het advies van de GG&GD - af en handhaaft dat besluit in bezwaar. Daaraan ligt de beleidsregel ten grondslag waarin is bepaald dat iemand alleen in aanmerking komt voor een scootmobiel als de loopafstand korter is dan 800 meter.
Belanghebbende is bekend met beperkingen waarvoor aan haar een vervoers- en een woonvoorziening alsmede huishoudelijke hulp voor zes uur per week is toegekend. Zij doet een aanvraag om - onder meer - een woonvoorziening in de vorm van een extra deur in de buitenberging.
Het college wijst de aanvraag af en handhaaft dat besluit in bezwaar. Daaraan ligt ten grondslag dat de gevraagde voorziening niet langdurig noodzakelijk is om de beperkingen in het normale gebruik van de woning opheffen. Het college stelt zich op het standpunt dat de bedoelde beperkingen kunnen worden beperkt of opgeheven door het anders organiseren van het huishouden. Daardoor kan het gebruik van de buitenberging worden beperkt en de alsdan als incidenteel aan te merken bezoeken aan de buitenberging kunnen door de huishoudelijke hulp worden afgelegd. Bovendien - zo stelt het college - behoort het gebruik van de buitenberging niet tot het normale gebruik van de woning.
Belanghebbende stelt dat haar zelfredzaamheid wordt beperkt doordat de buitenberging vanwege de afstand tussen de woning en de buitenberging voor haar niet bereikbaar is. Een extra deur zou die afstand beperken en dat zou haar de mogelijkheid geven de buitenberging weer te bereiken en te gebruiken zowel voor de stalling van haar rolstoel als voor andere spullen. Voor de rolstoel is - volgens belanghebbende - nu geen plek in de woning en het anders organiseren van het dagelijkse leven of het huishouden is niet mogelijk. De ruimte in de woning wordt al optimaal benut. Omdat belanghebbende nu zelf niet in staat is de buitenberging te bereiken is het opslaan van spullen uit de woning in de buitenberging niet mogelijk. Daarnaast heeft haar huishoudelijke hulp te weinig tijd om spullen naar de buitenberging te brengen of uit die berging op te halen.
Tevens beroept zij zich op het gelijkheidsbeginsel. Aan een nadere bewoner van het complex is namelijk wel een extra deur in de buitenberging verstrekt. Hoewel die deur is aangebracht om de scootmobiel in de buitenberging te plaatsen, ziet belanghebbende een overeenkomst met haar situatie waarin zij haar rolstoel in de buitenberging wil kunnen plaatsen.
De rechtbank verklaart het beroep van belanghebbende ongegrond. Daartoe overweegt de rechtbank dat belanghebbende haar huishouden zodanig kan inrichten dat in haar woning ruimte ontstaat voor de stalling van haar rolstoel. Zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat het onmogelijk is om door herinrichting of verplaatsing van de aanwezige spullen een plek voor haar rolstoel te creëren. Verlangt mag worden dat zij haar buitenberging gebruikt voor de opslag van voorwerpen die zij niet dagelijks nodig heeft en dat zij hierdoor ruimte creëert voor de stalling van haar rolstoel in de woning. Ook kan van de huishoudelijke hulp verlangd worden dat deze spullen opbergt in de buitenberging dan wel uit de buitenberging ophaalt.
De CRvB is op dezelfde grond als de rechtbank van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat het - gelet op de in haar woning aanwezige ruimten - onmogelijk is om door herinrichting of verplaatsing van een aantal aanwezige zaken naar de buitenberging een plek voor haar (inklapbare) rolstoel te creëren. Ter zitting en uit de dossierstukken blijkt dat zij in de woning spullen bewaart dan wel opslaat die - gelet op de aard van die spullen - sporadisch worden gebruikt. De CRvB noemt de volgende voorbeelden: de reserveplavuizen, de vloerbedekkingstegels, de kerstspullen, de meststof voor de tuin, de tuinmeubelen en de vogelhuisjes. Van belanghebbende mag worden verlangd dat zij haar buitenberging gebruikt voor de opslag van dergelijke voorwerpen die zij slechts incidenteel nodig heeft en dat zij hierdoor ruimte creëert voor de stalling van haar rolstoel in de (binnenberging in haar) woning. Daarnaast is de CRvB - net als de rechtbank - van oordeel dat van de huishoudelijke hulp verlangd kan worden dat zij spullen opbergt in de buitenberging dan wel uit de buitenberging ophaalt.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Er is geen sprake van gelijke gevallen omdat de toekenning van de extra deur aan een medebewoner is gebeurd op een moment waarop de Wmo nog (lang) niet in werking was getreden.
Op 7 augustus beginnen de weblogs weer met onder meer de Pakketadviezen 2012.
Tot dan een hele fijne vakantie gewenst!
Ingeborg
Reacties:
| Er zijn nog geen reacties op dit bericht geplaatst. |
Reageren:
